ECLI:NL:GHAMS:2026:1449
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verjaring vernietigingsrecht effectenleaseovereenkomst
In deze civiele zaak staat centraal of de echtgenote van de afnemer van een effectenleaseovereenkomst het recht tot vernietiging van deze overeenkomst heeft verloren door verjaring. De effectenleaseovereenkomst werd gesloten tussen de afnemer en een rechtsvoorgangster van Dexia Nederland B.V. De echtgenote had geen schriftelijke toestemming gegeven voor het aangaan van deze overeenkomst en had deze vernietigd op grond van artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro.
De kantonrechter had de effectenleaseovereenkomst vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de echtgenote. Dexia ging in hoger beroep en stelde dat de vernietigingsvordering was verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de effectenleaseovereenkomst. Dexia voerde aan dat de echtgenote door betalingen vanaf een en/of-rekening op de hoogte was, wat het hof als een bewijsvermoeden aanneemt.
Het hof laat de echtgenote toe tegenbewijs te leveren dat zij vóór 13 maart 2000 niet bekend was met de effectenleaseovereenkomst. Indien zij dit wenst te doen, kan zij getuigen laten horen tijdens een verhoor dat op 16 juni 2026 zal plaatsvinden. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd of niet. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 26 mei 2026.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en laat de echtgenote toe tegenbewijs te leveren over haar bekendheid met de effectenleaseovereenkomst.