Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1493

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.339.778/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:179 BWArt. 6:101 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging van niet-aansprakelijkheid eigenaar paard na val met letselschade

In deze civiele zaak stond de aansprakelijkheid centraal van de eigenaar van een paard voor de schade die de berijdster opliep na een val van het paard. De berijdster, appellante, stelde de eigenaar aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW Pro. De eigenaar en diens verzekeraar voerden aan dat er een mondelinge exoneratie was overeengekomen, waarbij de berijdster het paard op eigen risico bereden zou hebben.

De rechtbank had in een deelgeschilprocedure geoordeeld dat de eigenaar niet aansprakelijk was en deze beschikking werd in hoger beroep bekrachtigd. Het hof stelde vast dat partijen mondeling hadden afgesproken dat de berijdster het paard op eigen risico zou berijden, ook bij ernstig letsel. Deze afspraak werd ondersteund door meerdere getuigenverklaringen en was voldoende concreet om als exoneratie te gelden.

Het hof verwierp het verweer van appellante dat zij niet voldoende bewust was van de exoneratie en dat de afspraak niet duidelijk was. Ook het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro (redelijkheid en billijkheid) faalde, mede omdat beide partijen gelijkwaardige particulieren waren en de berijdster een eigen ongevallenverzekering had. De vorderingen van appellante werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de eigenaar van het paard niet aansprakelijk is voor de letselschade van de berijdster vanwege een mondeling overeengekomen exoneratie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.339.778/01
zaak-/rekestnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324166 / HA RK 22-7
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/347907 / HA ZA 24-26
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats] ,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. T.C. Warnsinck te Hilversum,
tegen

1.[geïntimeerde] ,

wonend in [woonplaats] ,
2. UNIVÉ SCHADE N.V.,
gevestigd te Zwolle,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G. Loman te Assen.
Partijen worden hierna [appellante] , [geïntimeerde] en Univé genoemd.

1.De zaak in het kort

De bodemrechter heeft op verzoek van [appellante] hoger beroep toegestaan van de beschikking die is gegeven in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure. Bij de beschikking in het deelgeschil heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van de val van het paard van [geïntimeerde] . Het hof bekrachtigt die beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

Bij vonnis van 2 oktober 2024 onder zaak-/rolnummer C/15/347907 / HA ZA 24-26 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Alkmaar, hoger beroep toegestaan van de beschikking van 7 juli 2022 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, die is gegeven in de deelgeschilprocedure tussen [appellante] als verzoekster en [geïntimeerde] en Univé als verweersters. Op grond van artikel 1019cc Rv geldt de deelgeschilbeschikking als een tussenvonnis.
[appellante] is vervolgens bij dagvaarding van 5 april 2024 in hoger beroep gekomen van de voornoemde beschikking.
Bij tussenarrest van 30 april 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze zitting is niet doorgegaan.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel;
- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.
Op 23 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het hof hebben overhandigd. [appellante] heeft bij deze gelegenheid nog een productie overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de feiten die zijn vermeld onder 2 van de beschikking in het deelgeschil. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.
3.1.
[appellante] en [geïntimeerde] waren goed bevriend met elkaar.
3.2.
[geïntimeerde] was sinds 2014 bezitter van het paard [x] (hierna: het paard). Het paard stond gestald bij manege [X] te [plaats] .
3.3.
[appellante] , wier roepnaam [appellante] is, is geboren op [geboortedatum] . [appellante] is met paardrijden (lessen op de manege) begonnen toen zij 12 jaar was. Zij heeft een periode van 10 of 12 jaar geen paard gereden en is vervolgens weer begonnen met rijden.
3.4.
Op 18 mei 2015 is [geïntimeerde] aan haar rug geopereerd.
3.5.
In de periode van 18 mei 2015 tot 15 juni 2015 heeft [appellante] het paard drie dagen per week bereden en verzorgd. De andere dagen heeft [naam 2] de verzorging op zich genomen en op het paard gereden.
3.6.
Op 4 november 2015 is [geïntimeerde] voor de tweede keer geopereerd. [appellante] heeft het paard in die periode opnieuw verzorgd en bereden. Ook [naam 3] heeft in november 2015 op het paard gereden.
3.7.
Op 28 november 2015 is [appellante] in de manege [X] van het paard gevallen. Daarbij heeft zij letsel opgelopen aan haar rechterknie en -been.
3.8.
Bij brief van 29 juli 2016 heeft [appellante] [geïntimeerde] op grond van artikel 6:179 BW Pro aansprakelijk gesteld voor haar schade.
3.9.
Bij brief van 27 september 2016 heeft Univé, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] , aansprakelijkheid afgewezen. Daarbij heeft Univé een beroep gedaan op een mondeling overeengekomen exoneratie, in die zin dat Univé in deze brief als volgt een weergave heeft gegeven van wat zij van [geïntimeerde] had vernomen:
“Mijn verzekerde heeft aangaande deze kwestie het volgende aan mij doorgegeven: “ [appellante] is een Amazone die al zeker 20 a 25 jaar paard rijd. (…) Ik heb haar [ [appellante] , hof] gevraagd mijn paard 2 dagen in de week te verzorgen, aangezien zij diegene in onze vriendengroep is zonder eigen paard. En ik het haar ook gun om te genieten. Zij wilde zelf dit heel graag doen. [appellante] [ [appellante] , hof] hoeft daar niet voor te betalen, ik wil geen geld voor het verzorgen van mijn paard. (soort geven en nemen, beide blij).
Wat voor mij voorop staat, is dat ik van te voren met [appellante] heb afgesproken, nog voor dat dit allemaal gebeurd is, dat wat er ook gebeurd het een eigen verantwoording is. Dit is vaker toevallig ter sprake gekomen, maar ook een keer in een goed gesprek bij haar thuis, en bij mij op mijn verjaardag. Dit allemaal nog voor haar ongeluk. Afgesproken dat het op eigen verantwoording is, ze het paard kent. Eigen risico, ik niet aansprakelijk gesteld zou worden voor welke schade en of gevolgen van een ongeval. [appellante] heeft meerdere malen gezegd dat ze dit ook nooit zou doen, dat ze zelf op stapt, en zij zelf de beslissing neemt te gaan zitten. Ze gaf aan dat ze weet dat elk paard altijd iets kan doen, en dat het risico voor haar zelf is. (…) Tevens heeft [appellante] deze afspraken ook nog bevestigd toen wij in het ziekenhuis waren, direct na het ongeval. En dit tot afgelopen augustus dus ook constant bevestigd. Zij zou mij dit nooit aanrekenen, en of verantwoordelijk voor stellen. (…)
U kunt begrijpen dat het voor mij, nu bijna een jaar later, na het ongeluk, wel heel rauw op mijn dak komt. Dat als je in een vriendschap dingen afspreekt, en juist het iemand gunt, de afspraken nu in de wind worden gegooid. [appellante] haar man heeft mij benaderd voor mijn gegevens, om toch mij aansprakelijk te stellen. Toen ik daar was nav dat telefoon gesprek, (mijn moeder was hier bij). Heeft [appellante] wederom herhaald dat ze weet dat die afspraak er was. Zij vinden het nu heel anders, ik denk zelf dat haar situatie nu anders is, maar de afspraak, is nooit veranderd.””
3.10.
In 2019 heeft op verzoek van [appellante] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Daarbij zijn op 3 juni 2019 door [appellante] in enquête als getuigen gehoord [geïntimeerde] , [naam 4] (moeder van [geïntimeerde] ), [naam 5] en [naam 6] en op 20 november 2019 [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [appellante] en [naam 10] (echtgenoot van [appellante] ). Op 20 november 2019 zijn in contra-enquête op verzoek van [geïntimeerde] gehoord [naam 11] en [naam 12] . De getuigen hebben onder meer verklaard:
3.10.1
[geïntimeerde]
“(…) Ik heb voor mei 2015 toen ik voor het eerst naar het ziekenhuis ging geen echte afspraken met [appellante] gemaakt. Iemand anders reed toen ook op mijn paard en [appellante] maar af en toe. (…) Voor de periode november 2015 hebben wij wel echt afspraken gemaakt. (…) [appellante] heeft een dochter van toen 13 dacht ik, [naam 13] . [appellante] vroeg mij of [naam 13] ook op mijn paard mocht rijden. Ik heb toen gezegd dat dat alleen mocht als zij erbij zou zijn. [appellante] zei tegen mij: ‘’Als ik opstap, is het ook mijn eigen schuld. Dan is het mijn verantwoording. ‘’ Ik zei toen dat ik toen niet wilde dat een dertien jarige op een paard buiten rijdt. Toen zijn de afspraken ook duidelijk geworden. [appellante] mocht op mijn paard, maar onder eigen verantwoordelijkheid. Als er schade zou zijn, zou dat geheel voor haar risico zijn en ook voor haar dochter. (…) Wij hebben dit vaker besproken, (…). Ook bij mijn eerste paard hadden we dit soort gesprekken al wel eerder. Ik kwam ook veel bij [appellante] thuis. Wij hebben op een bepaald moment echt op de tafel gezeten, dat was op 17 november 2015. Ik weet het nog, omdat het mijn verjaardag was. Mijn moeder en [naam 5] waren daar ook bij. Ik lag toen op bed, na het ziekenhuis en toen heb ik nog een keer herhaald hoe dat zou zijn bij schade enz. Wij hebben het nog een keer besproken, omdat het met mij wat langer zou duren. Ik kon dus geruime tijd niet naar de manege toe om er bij te zijn. Daarom voelde het anders dan de vorige keer. Ik heb toen ook nog een keer gezegd dat vallen en letsel voor haar rekening zou komen.
Rond mei heb ik ook al een keer met [appellante] gesproken, dat ging voornamelijk om te praten over haar dochter, dat zij die buiten wilden laten rijden. Ze zei toen: ‘’Ja maar [geïntimeerde] , we stappen toch zelf op het is toch mijn verantwoording?‘’
(…) [appellante] viel ook weleens van een paard en heeft op de manege een keer haar pink gebroken bij een val. De situatie was voor haar ook anders en dat maakt dat je dingen toch bespreekt. Ik bedoel daarmee dat zij geen inkomen had als er iets zou gebeuren, (…). Ik had tijdens mijn ziekte gewoon een uitkering omdat mijn loon doorbetaald werd.
Ik wil aan mijn verklaring nog het volgende toevoegen. Na een jaar belde haar man mij en die was heel dwingend en die zei dat hij mijn gegevens wilde hebben, omdat hij geld wilde zien. Letterlijk heeft hij gezegd dat hij wilde zien wat er aan geld te halen was. Daarna ben ik met mijn moeder er zondag naar toe gegaan en heb met haar gesproken. Ik heb toen gezegd dat wij toch afspraken hadden en [appellante] zei dat ze dat wist, maar dat de afspraak nu niet meer gold.
(…)
Het klopt dat ik verzekerd ben bij Univé, maar ik wil dit gedoe gewoon niet. Er worden zelfs grappen gemaakt ‘’mag ik op jouw paard zitten, dan hoef ik niet meer te werken‘’.
(…)
U vraagt mij of er ook besproken is dat zeer ernstig letsel voor haar rekening zou zijn, zelfs dat iemand invalide zou worden en niet meer zou kunnen werken. Naar mijn gevoel hebben we het daar zeker wel over gehad. Het is ja en nee, van allebei een beetje nu we hierover doorspreken zeg ik dat we het er wel zeker over hebben gehad. Het blijft nu eenmaal een sport waarbij dit soort dingen kunnen gebeuren.
Uit het gesprek dat ik met [appellante] had bleek mij dat zij ook had begrepen dat ook bij ernstig letsel dit zou gelden, alles omvattend. Dit bleek mij uit de antwoorden die [appellante] gaf. U moet het zien in het hele verhaal van de antwoorden die zij mij gaf. Zij zei het is toch mijn verantwoording, in ben oud en wijs genoeg. Ik weet toch wat ik doe.
Op 17 november 2015 hebben wij dit ook besproken, ook over eventueel ernstig letsel. Ook eerder, medio mei, hebben we dit besproken toen dat over haar dochter ging.
(…)”
3.10.2
[naam 4] (moeder van [geïntimeerde] )
“(…) Ik kan mij nog herinneren dat [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] , hof] uit het ziekenhuis was en op bed lag toen ze was geopereerd. We vierde haar verjaardag, een soort feestje of wat daarvoor doorgaat. Toen is ook gezegd door [appellante] ‘’ik verzorg jouw paard. ‘’ (…) Er is ook gezegd ‘’Als er wat gebeurt, hou je mij dan aansprakelijk? ‘’ het antwoord was nee. Ik weet niet meer precies wanneer dat was, maar op een goed moment heeft iemand dat gevraagd. (…) [appellante] zei ook ‘’ik ben al blij dat ik er op mag rijden, ik zal je nooit aansprakelijk stellen‘’. (…) Ik weet (…) niet wat er toen precies is gezegd over die aansprakelijkheid. (…) Op een bepaald moment hadden ze mijn dochter gevraagd om langs te komen, om aan de tafel te zitten. Het leek mij niet verstandig dat zij daar alleen zou zijn. En ik ben op die zondag met haar meegegaan. Mijn dochter zei op een bepaald moment ‘’wij hadden toch een afspraak, er is toch niets anders‘’. [appellante] zei toen ‘’dat weet ik wel, maar het is nu wel anders‘’. Zij bedoelde daar natuurlijk mee dat zij toen letsel had en ook niet wist hoe het verder zou lopen. (…)”
3.10.3
[naam 5]
“(…) Bij het maken van de afspraken ben ik één keer lijfelijk aanwezig geweest. Dat was op de verjaardag van [geïntimeerde] . Zij lag toen zelf op bed. [appellante] wilde heel graag op het paard gaan rijden. Zij heeft toen gezegd, als er wat gebeurd, als er letsel zou zijn dan zou dat haar eigen verantwoordelijkheid zijn. Ze zou [geïntimeerde] dan niet aansprakelijk stellen. Dat waren de woorden van [appellante] . In de periode daarvoor was dit ook wel eens ter sprake gekomen, maar dan meer los vast over de afspraak. Er gebeurd natuurlijk weleens wat en [appellante] zei dan ‘’nou ja, je stapt zelf op‘’
(…)
U vraagt mij of ook aan de orde is geweest dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk zou zijn als het zou gaan om ernstig letsel, mogelijk invalidering. Ja, dat is ook ter sprake gekomen. U vraagt mij nogmaals of dat heel concreet zo is gegaan, bijvoorbeeld ook dat ze niet meer zou kunnen werken. Ja dat is echt zo aan de orde geweest. Ik kan mij niet herinneren wie dat gezegd heeft, of dat [appellante] of [geïntimeerde] is geweest.”
3.10.4
[naam 6]
“(…) Ik ben er niet bij geweest dat [geïntimeerde] en [appellante] concrete afspraken hebben gemaakt. (…)”
3.10.5
[naam 7]
“U zegt mij dat het gaat over de afspraken die zijn gemaakt tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het berijden van het paard [x] van [geïntimeerde] . U vraagt mij wat ik daarover kan vertellen. Ik heb daarover geen afspraken gemaakt met [geïntimeerde] . (…) Ik vind het raar dat er wordt gezegd dat er afspraken zijn gemaakt met [appellante] , als er geen afspraken met mij zijn gemaakt. (…) Toen [appellante] van het paard was gevallen heb ik het paard verder alleen bereden. Ook toen zijn er geen afspraken met [geïntimeerde] gemaakt.”
3.10.6
[naam 8]
“U vraagt mij of ik iets weet van afspraken die er in 2015 zijn gemaakt tussen [appellante] en [geïntimeerde] over het berijden van het paard van [geïntimeerde] . Ik weet daar niets van. (…)”
3.10.7
[naam 9]
“Ik heb wel eens een paard van mevrouw [geïntimeerde] bijgereden. (…) Er zijn toen geen concrete afspraken gemaakt, behalve dat ik het paard zou rijden. Ik weet niets van afspraken tussen [appellante] en [geïntimeerde] . (…) Naar mijn mening ga je op eigen risico op een paard zitten. (…) Ik reed in die tijd op meerdere paarden. Je kunt niet iedere keer met iedereen afspraken maken. We wisten gewoon van elkaar hoe het zat, van het eigen risico, dat je zelf op het paard gaat zitten. (…)”
3.10.8
[appellante]
“Na de vorige bijeenkomst heb ik met mijn advocaat de verklaringen van de vorige getuigen doorgenomen.
U vraagt mij naar 2015 en de afspraken die ik met [geïntimeerde] zou hebben gemaakt. We hebben toen alleen afgesproken wie er welke dag zou rijden en wat die daarvoor moest doen. Meer niet.
U zegt mij dat er in ieder geval getuigen zijn geweest die anders verklaren. Dat weet ik. Ik kan mij nog herinneren dat ik bij [geïntimeerde] op bezoek was. Het kan best zijn dat het haar verjaardag was, ik kan mij herinneren dat zij toen uit het ziekenhuis was en thuis lag. We hebben elkaar toen ook gesproken. Over de afspraken waar getuigen de vorige keer over hebben verklaard, dat is echt niet aan de orde geweest.
Het klopt dat [geïntimeerde] later in het ziekenhuis bij mij op bezoek is geweest na het ongeval. U vraagt mij of er toen is gesproken over schuld en aansprakelijkheid. [geïntimeerde] heeft toen tegen mij gezegd ‘’ik ben verzekerd, heb jij schade? ‘’ ik heb toen gezegd dat ik eigenlijk alleen een oude broek had die beschadigd was en ik heb gezegd dat wij daarvoor de verzekering niet hoefden aan te spreken. Ik had mijn been gebroken en ik zou over 6 weken weer gewoon lopen. (…) In het ziekenhuis zat ik nog behoorlijk onder morfine.
(…)
Later werd het verhaal nog wel anders. In plaats van een gebroken been werd het allemaal veel gecompliceerder. Er waren ook allerlei kosten die we niet vergoed kregen, zoals een rolstoel. (…) Ik heb toen contact opgenomen met [geïntimeerde] , ook omdat zij had gezegd dat zij verzekerd was. Er werd een afspraak gemaakt bij mij thuis en daar is het goed geëscaleerd. (…) Zij zei toen ‘’we hebben toch afspraken gemaakt‘’, dat was onwaar. (…) ik was flink aangedaan. U vraagt mij nogmaals wat er precies werd gezegd. Dat weet ik niet exact, maar ik voelde mij vreselijk aangevallen. Het klopt wel dat er toen is gesproken over een afspraak, maar dat ging over die rijbroek waar ik het zojuist over had.
(…)
Mij is niets bekend over een ongeschreven regel die zegt dat je de eigenaar van het paard niet aansprakelijk stelt als er wat gebeurt. (…) Er is niet met [geïntimeerde] besproken dat ik haar niet aansprakelijk zou stellen als er iets ernstigs zou gebeuren. Ik heb ook niets afgesproken als mij ernstig letsel zou overkomen.
(…)
Ik heb eerder ook op een ander paard van [geïntimeerde] gereden, ook toen zijn er geen afspraken gemaakt.
(…) toen ik van het manegepaard ben gevallen en mijn vinger had gebroken, heb ik niemand daarvoor aansprakelijk gesteld, want het is alweer overgegaan.”
3.10.9
[naam 10] (echtgenoot van [appellante] )
“(…) Eerst dachten wij gewoon een gebroken been, maar het was allemaal veel moeilijker en de kosten liepen op. Er werd ons toen ingefluisterd dat er een vergoeding mogelijk was en wij hebben contact opgenomen met een letselschade jurist. Ik heb in die periode ook contact gehad met [geïntimeerde] en zij zou het gaan regelen. Ik wilde op een gegeven moment wel papieren zien, de verzekeringspapieren. Ik heb later daarover nog gebeld, toen was ze nog meewerkend, maar op een bepaald moment, redelijk snel na het telefoongesprek, wilde ze een gesprek. Dat is ook geweest, bij ons thuis. (…) Toen kwam ook dat verhaal van de afspraken. Ik ben daar zelf nooit bij geweest, ik kom nooit op de manege. U vraagt mij wat er dan precies is gezegd. Ja, je hebt een stel jankende vrouwen en er werd gesuggereerd dat er afspraken zouden zijn gemaakt. Mij verbaasde het allemaal, (…). Ze [ [geïntimeerde] , hof] sloeg (…) om als een blad aan de boom, waarom dat was is voor mij een raadsel.
Ik leg dat nog even uit. In de periode na het ongeval kwam [geïntimeerde] nog veel bij ons, de dames waren toen nog vriendinnen. We hebben het er toen ook verschillende keren over gehad dat de kosten ook zo opliepen. Toen is ook besproken dat het via haar verzekering zou gaan, nadat wij met die letselschade jurist hadden gesproken. Dat was toen nog geen probleem. We hebben er ook meteen bij gezegd ‘’we willen niet dat het jou extra gaat kosten.‘’
(…)
U leest mij voor dat [geïntimeerde] als getuige heeft verklaard dat bij de bespreking bij ons thuis [appellante] zou hebben gezegd ‘’ja, dat was toen zo, maar dat geldt nu niet meer.‘’ U vraagt mij of dat is gezegd. Nee.”
3.10.10
[naam 11]
“Ik ben eigenaar van de manege, waar dit ongeval ook heeft plaatsgevonden. (…) u zegt mij dat het vandaag erover gaat of ik iets weet van de afspraken tussen [appellante] en [geïntimeerde] . (…) Ik weet niet van die afspraken, ik ben daar niet bij geweest. Ik bedoel daarmee de persoonlijke afspraken, mondeling met elkaar. Bij ons weet ieder dat op het moment dat je op het paard zit, het je eigen verantwoordelijkheid is, ook als er wat gebeurt. Aan de andere kant is het zo dat de eigenaar verantwoordelijk is voor de gedragingen van het paard. (…) U [mr. Loman, hof] vraagt mij of ik haar [ [appellante] , hof] wel eens advies heb gegeven bij het invullen van een formulier. (…) Op het moment dat ik bij het invullen van het formulier dat heb gezegd over de WA-verzekering, heeft [appellante] duidelijk aangegeven dat zij absoluut geen ruzie wilde hebben met [geïntimeerde] hierover. (…) Mr. Loman zegt mij dat ik het zojuist nog uitdrukkelijker heb gezegd en dat ik heb gehoord dat [appellante] toen heeft gezegd dat zij niet wilde dat [geïntimeerde] aansprakelijk zou worden. Dat klopt, dat kan ik bevestigen. Ik heb dat zo gehoord. Ik bevestig ook dat [appellante] heeft gezegd dat zij haar eigen schade zou dragen. U vraagt mij of zij dat zo precies heeft gezegd. Of het letterlijk zo is gezegd, weet ik niet, het is al zo lang terug. Het was wel de strekking.
(…)”
3.10.11
[naam 12]
“(…) Ik ben zelf niet aanwezig geweest bij afspraken tussen [geïntimeerde] en [appellante] . Ik weet niet of die afspraken er waren. (…)”
3.11.
Bij brief van 4 mei 2020 heeft [appellante] [geïntimeerde] en Univé verzocht om (alsnog) tot erkenning van aansprakelijkheid over te gaan. Op 28 mei 2020 is de aansprakelijkheid opnieuw van de hand gewezen.
3.12.
[appellante] had een ongevallenverzekering afgesloten via [bedrijf] met een verzekerd bedrag van maximaal € 50.000. Bij brief van 4 januari 2021 heeft [bedrijf] kenbaar gemaakt dat [appellante] op basis van het vastgestelde percentage blijvende invaliditeit, de in de Algemene Voorwaarden opgenomen ‘uitkeringsschaal’, en het maximale verzekerde bedrag, recht heeft op een uitkering van € 10.850.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Voor zover voor de beoordeling van belang, heeft [appellante] in het deelgeschil de rechtbank verzocht om bij beschikking voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:179 BW Pro aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [appellante] op 28 november 2015 is overkomen, en voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] en Univé hoofdelijk gehouden zijn de materiële en immateriële schade die hiervan het gevolg is aan [appellante] te vergoeden. [appellante] heeft hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zij is op 28 november 2015 van het paard van [geïntimeerde] gevallen doordat het paard schrok van een hindernis die omviel. Als gevolg daarvan is het paard gaan bokken en gaan rennen, waardoor [appellante] van het paard viel. [geïntimeerde] , als bezitter van het paard, is risicoaansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.
4.2.
[geïntimeerde] en Univé hebben zich op het standpunt gesteld dat partijen, twee gelijkwaardige particulieren, hebben afgesproken dat [appellante] gedurende de ziekenhuisopname van [geïntimeerde] in november 2015, geheel voor eigen risico het paard van [geïntimeerde] mocht berijden en verzorgen. Eventueel letsel en de gevolgen daarvan zouden voor rekening van [appellante] blijven. Afgesproken was dat [appellante] [geïntimeerde] daarvoor nimmer aansprakelijk zou stellen. Voor het geval de rechtbank [geïntimeerde] wel aansprakelijk zou achten jegens [appellante] , hebben [geïntimeerde] en Univé de rechtbank bij wege van voorwaardelijk tegenverzoek verzocht op grond van artikel 6:101 BW Pro voor recht te verklaren dat op [geïntimeerde] en Univé geen schadevergoedingsplicht rust, althans een schadevergoedingsverplichting van maximaal 10% of in ieder geval minder dan 50%. Volgens [geïntimeerde] zat [appellante] ten tijde van het ongeval –
in een (zeer) drukke manege – niet met haar voeten in de beugels, had zij de teugels niet goed vast dan wel niet goed op maat, en zat zij omgedraaid in het zadel.
4.3.
Bij beschikking van 7 juli 2022 heeft de deelgeschilrechter het verzoek van [appellante] afgewezen. Daartoe heeft de deelgeschilrechter, samengevat, als volgt overwogen. Op basis van de partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde] in het voorlopig getuigenverhoor, die wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaringen van [naam 5] en [naam 4] , acht de rechtbank [geïntimeerde] geslaagd in het bewijs van haar stelling dat op 17 november 2015 is afgesproken dat [appellante] het paard van [geïntimeerde] op eigen risico zou berijden en dat [appellante] [geïntimeerde] niet aansprakelijk zou stellen als [appellante] door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn. De verklaringen van [naam 5] en [naam 4] , zeker die van [naam 5] , zijn zodanig sterk en zien op zulke essentiële punten dat zij de partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde] voldoende geloofwaardig maken. De op zichzelf staande verklaring van [appellante] biedt onvoldoende tegenwicht om de verklaringen van [naam 5] en [naam 4] anders te waarderen. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor schade door eigen energie van het paard tussen partijen is uitgesloten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
De conclusie van [appellante] in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt om, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“I. Tussen partijen voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] en/of Univé aansprakelijk is/zijn voor de gevolgen van het ongeval dat [appellante] is overkomen op 28 november 2015 en dat [geïntimeerde] en/of Univé dientengevolge gehouden is om tot vergoeding van de schade van [appellante] over te gaan;
II. De kosten van onderhavige procedure te begroten en om [geïntimeerde] en/of Univé te veroordelen om dit bedrag, vermeerderd met het door betaalde griffierecht, aan [appellante] te voldoen.”
5.2.
De conclusie van [geïntimeerde] en Univé in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep en de nakosten.
5.3.
De conclusie van [geïntimeerde] en Univé in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep luidt als volgt:

in voorwaardelijk incidenteel appel:
Namelijk onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat een grief zijdens [appellante] doelt treft, de beschikking wordt vernietigd, uw Hof tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] jegens [appellante] zou oordelen en het subsidiaire beroep op art. 6:101 BW Pro niet reeds als gevolg van de devolutieve werking of anderszins wordt beoordeeld:
Het het Hof behage bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de beschikking (…), voor zover het voorwaardelijk zelfstandig verzoek van [geïntimeerde] en Univé is verworpen althans voor zover aan de beoordeling van dit tegenverzoek niet is toegekomen, en, opnieuw rechtdoende, alsnog te verklaren voor recht dat op [geïntimeerde] en Univé jegens [appellante] geen schadevergoedingsverplichting rust, althans te verklaren voor recht dat op [geïntimeerde] en Univé jegens [appellante] een schadevergoedingsverplichting rust van 10% dan wel een door uw Hof in goede justitie te bepalen percentage, zijnde minder dan 50%, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep en de nakosten.”
5.4.
De conclusie van [appellante] in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep strekt tot verwerping.

6.Beoordeling

Inleiding
6.1.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De deelgeschilrechter heeft uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . Aan het oordeel dat de aansprakelijkheid ontbreekt, is de bodemrechter op dezelfde wijze gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in de bodemprocedure (zie artikel 1019cc lid 1 Rv). Van de deelgeschilbeschikking kan, na verkregen verlof, hoger beroep worden ingesteld als van een tussenvonnis (zie artikel 1019cc lid 3 Rv). Daarbij kan de appellant rechtstreeks grieven formuleren tegen de deelgeschilbeschikking en de bodemrechter in hoger beroep kan de deelgeschilbeschikking vernietigen voor zover de grieven doel treffen. Tegen deze achtergrond zal het hof de zaak bespreken.
6.2.
Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] en Univé tegen de vorderingen van [appellante] is dat [geïntimeerde] als bezitter van het paard niet aansprakelijk is, omdat [geïntimeerde] en [appellante] mondeling hebben afgesproken dat [appellante] het paard van [geïntimeerde] op eigen risico zou berijden en dat [appellante] [geïntimeerde] niet aansprakelijk zou stellen als [appellante] door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn.
6.3.
Om te kunnen beoordelen of inderdaad aldus de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor schade door eigen energie van het paard tussen [geïntimeerde] en [appellante] is uitgesloten, moet eerst worden vastgesteld wat partijen hebben afgesproken. Daarna zal worden beoordeeld of die afspraken zijn aan te merken als exoneratie.
De afspraken
6.4.
De deelgeschilrechter heeft [geïntimeerde] geslaagd geacht in het bewijs van haar stelling dat op 17 november 2015 is afgesproken dat [appellante] het paard van [geïntimeerde] op eigen risico zou berijden en dat [appellante] [geïntimeerde] niet aansprakelijk zou stellen als [appellante] door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet bij ernstig letsel.
6.5.
[appellante] klaagt in
grief 1over de wijze waarop de deelgeschilrechter de beschikbare bewijsmiddelen heeft gewaardeerd. [appellante] meent dat bij de bewijswaardering tot uitgangspunt had moeten worden genomen dat het (zeer) onaannemelijk is dat [geïntimeerde] met [appellante] een exoneratie is overeengekomen. [geïntimeerde] zou een juridische leek zijn, zou geen financieel belang hebben bij de door haar gestelde afspraak en zou geen soortgelijke afspraak hebben gemaakt met andere personen die het paard verzorgden en bereden. Verder meent [appellante] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan verschillende verklaringen die volgens [appellante] beter bij haar lezing passen dan bij die van [geïntimeerde] .
6.6.
Gelet op grief 1, moet het hof allereerst de vraag beantwoorden in hoeverre het hof zich kan verenigen met de bewijswaardering door de deelgeschilrechter. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op [geïntimeerde] de last de door haar gestelde afspraak te bewijzen. Om de vraag te beantwoorden of een partijgetuige ( [geïntimeerde] ) in het door deze partij te leveren bewijs is geslaagd, moet de rechter alle voorhanden zijnde bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering betrekken. De rechter mag zijn oordeel dat het bewijs is geleverd echter niet uitsluitend op de verklaringen van die partij baseren (vgl. artikel 164 lid Pro 2 (oud) Rv).
6.7.
Het hof heeft eerder in dit arrest, onder de feiten, de (relevante) inhoud van de verklaringen van de voorgebrachte getuigen weergegeven. Op grond van deze verklaringen en hetgeen verder in hoger beroep naar voren is gebracht, acht ook het hof bewezen dat tussen [geïntimeerde] en [appellante] een afspraak is gemaakt als door [geïntimeerde] gesteld. Het hof komt dus tot eenzelfde bewijswaardering als de deelgeschilrechter. Het hof zal dat toelichten.
6.8.
Evenals de rechtbank kent het hof betekenis toe aan de verklaring van [naam 5] zoals die bij het voorlopig getuigenverhoor is afgelegd. [appellante] meent dat een hechte vriendschap tussen [naam 5] en [geïntimeerde] ertoe heeft geleid dat deze getuige zich heeft laten beïnvloeden door het partijbelang van [geïntimeerde] , en dat dit zich onder meer openbaart doordat [naam 5] volgens [appellante] opvallend stellig heeft verklaard. Maar het hof gaat hier niet in mee. Niet kan worden aangenomen dat [naam 5] reden had om bewust in het voordeel of nadeel van de een of de ander te verklaren, temeer omdat [naam 5] , zoals [geïntimeerde] en Univé hebben gesteld en [appellante] niet voldoende heeft weersproken, ten tijde van het ongeval al decennialang bevriend was met [appellante] en pas veel korter met [geïntimeerde] . [naam 5] heeft onomwonden verklaard dat [appellante] tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat zij [geïntimeerde] niet aansprakelijk zou stellen als er letsel zou zijn en dat ook ernstig letsel daarbij aan de orde is geweest. Bovendien geven de verklaringen van [geïntimeerde] , haar moeder en [naam 5] onderling een consistent beeld over wat tussen [geïntimeerde] en [appellante] is besproken. Hieraan doet niet af dat volgens [appellante] de verklaringen van deze getuigen op onderdelen niet volledig congruent zijn.
6.9.
Verder wijst [appellante] op de verklaringen van [naam 7] en [naam 9] , maar die verklaringen zijn niet in tegenspraak met de partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde] . Deze verklaringen gaan vooral over wat [geïntimeerde] wel of niet met [naam 7] en [naam 9] heeft besproken. Deze verklaringen doen geen afbreuk aan de verklaring van [naam 5] , die heeft verklaard over wat tussen [geïntimeerde] en [appellante] is afgesproken. [naam 7] heeft verklaard dat zij het raar vindt dat wordt gezegd dat er afspraken zijn gemaakt met [appellante] , als er geen afspraken met haar zijn gemaakt. Het hof hecht geen betekenis aan die opmerking van [naam 7] , alleen al omdat niet kan worden aangenomen dat de situatie van [naam 7] gelijk was aan die van [appellante] . Zo heeft [geïntimeerde] toegelicht dat ook de dochter van [appellante] vaker op het paard zou rijden en dat zij het om die reden noodzakelijk vond dat duidelijke afspraken met [appellante] werden gemaakt. [appellante] heeft niet voldoende weersproken dat ook haar dochter op het paard zou rijden.
6.10.
Daarnaast past naar het oordeel van het hof het tijdsverloop in deze zaak beter bij de lezing van [geïntimeerde] dan bij die van [appellante] . Het hof zal ook dat uitleggen. Het ongeval vond plaats op 28 november 2015 en de aansprakelijkstelling dateert pas van 29 juli 2016. Dat zou een aanwijzing kunnen zijn dat [appellante] aanvankelijk ook vond dat zij het paard geheel op eigen risico had bereden. Dat wordt nog versterkt door de eigen verklaring van [appellante] bij het voorlopig getuigenverhoor dat zij kort na het ongeval in het ziekenhuis tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat de verzekering niet hoefde te worden aangesproken. Weliswaar heeft [appellante] bij het voorlopig getuigenverhoor ook verklaard dat dit ‘eigenlijk’ alleen ging over een oude (rij)broek die beschadigd was, maar dat het gesprek is gelopen zoals [appellante] heeft verklaard, ligt niet voor de hand. [appellante] had immers toen al meerdere breuken van de rechterknie en het rechterscheenbeen (zie onder 13 van het verzoekschrift deelgeschil) waardoor zij weken niet zou kunnen lopen, en zij lag naar eigen zeggen nog ‘behoorlijk onder de morfine’ in het ziekenhuis. Daarmee is moeilijk te rijmen dat [appellante] zou hebben geantwoord dat zij alleen schade aan een (rij)broek had als [geïntimeerde] haar daadwerkelijk op haar verzekering zou hebben gewezen (hetgeen [geïntimeerde] betwist). Daarnaast wilde [appellante] ook op een later moment niet dat [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld zou worden. Dat bevestigt [naam 11] , die bij het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat hij [appellante] heeft horen zeggen dat [appellante] haar eigen schade zou dragen, althans woorden van die strekking.
6.11.
Kennelijk is pas op een later moment bij [appellante] een omslag gekomen. Het hof ziet dat bevestigd in de verklaring van de echtgenoot van [appellante] bij het voorlopig getuigenverhoor. Hij spreekt niet over een gesprek in het ziekenhuis over een oude (rij)broek. Hij heeft verklaard dat de kosten opliepen en dat hun toen is ingefluisterd dat een vergoeding mogelijk was. [geïntimeerde] heeft echter, na contact met Univé, hieraan niet willen meewerken, zo volgt uit de verklaring van de echtgenoot van [appellante] . Ook dat bevestigt de lezing van [geïntimeerde] dat aanvankelijk andere afspraken waren gemaakt. Dat deze andere afspraken alleen gingen over een rijbroek, zoals [appellante] bij het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, volgt het hof niet. De enkele kosten van vervanging van een oude rijbroek verklaren immers niet waarom alle aanwezige vrouwen overstuur waren, zoals onder anderen de echtgenoot van [appellante] bij het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, toen [geïntimeerde] [appellante] wees op eerdere afspraken die met [appellante] waren gemaakt.
6.12.
[appellante] heeft hier onvoldoende tegenovergesteld. Ook overigens heeft [appellante] de door [geïntimeerde] gestelde feiten, mede in het licht van het reeds aanwezige bewijsmateriaal, niet voldoende betwist. Gelet op het voorgaande is voor het leveren van (nader) tegenbewijs geen plaats. Overigens heeft [appellante] ook niet toegelicht waarom zij (bepaalde) getuigen opnieuw wil laten horen.
6.13.
Het betoog dat voor [appellante] niet duidelijk is geweest dat de gemaakte afspraak ook bij ernstig letsel zou gelden, volgt het hof niet. Hierbij heeft het hof ook in ogenschouw genomen dat [appellante] , die het paard bereed en verzorgde, zich voldoende bewust moet zijn geweest van de ernstige tot zeer ernstige vormen van schade die als gevolg van het berijden van een paard kunnen ontstaan. Dergelijke ernstige gevolgen zijn volgens de verklaringen van [geïntimeerde] , haar moeder en [naam 5] bovendien ter sprake geweest. Voor zover [appellante] meent dat de afspraak ook overigens niet duidelijk genoeg was, zal dat bij grief 2 verder worden besproken.
Tussenconclusie
6.14.
Het voorgaande betekent dat bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt strekt dat [geïntimeerde] en [appellante] mondeling hebben afgesproken dat [appellante] gedurende de ziekenhuisopname en revalidatie van [geïntimeerde] in november 2015 het paard op eigen risico zou berijden, ook als [appellante] ernstig letsel zou oplopen.
Kwalificatie
6.15.
In
grief 2klaagt [appellante] erover dat de hiervoor als vaststaand beschouwde afspraak niet kan worden gekwalificeerd als een overeengekomen exoneratie. Het feit dat [appellante] ermee zou hebben ingestemd dat zij het paard ‘op eigen risico’ zou berijden, zou dermate vaag zijn, dat daarmee geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen met de door [geïntimeerde] voorgestane strekking. Ook overigens zou niet aan de voorwaarden voor aanbod en aanvaarding zijn voldaan.
6.16.
Het hof neemt in aanmerking dat het antwoord op de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen, afhankelijk is van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW).
6.17.
Eerder in dit arrest is al toegelicht dat vast is komen te staan dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [appellante] gedurende de ziekenhuisopname en revalidatie van [geïntimeerde] in november 2015 het paard op eigen risico zou berijden, ook als [appellante] ernstig letsel zou oplopen. Deze afspraak laat in de gegeven omstandigheden niets aan duidelijkheid te wensen over en is aan te merken als een exoneratie.
6.18.
Het hof volgt niet het betoog dat [appellante] door [geïntimeerde] voor het blok is gezet toen deze exoneratie werd overeengekomen. [appellante] had eenvoudig kunnen weigeren het paard te berijden en verzorgen als zij deze uitsluiting van aansprakelijkheid niet wilde aanvaarden.
6.19.
Het voorgaande betekent dat grief 2 niet slaagt.
Artikel 6:248 lid 2 BW Pro
6.20.
[appellante] gaat subsidiair ervan uit dat de exoneratie in beginsel geoorloofd is en doet een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Daaruit volgt volgens [appellante] dat [geïntimeerde] in dit concrete geval geen beroep op de exoneratie kan doen. Hierover gaat
grief 3.
6.21.
Bij de beantwoording van de vraag of een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro slaagt, moet het hof acht slaan op alle concrete omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang beschouwd. Bij zodanige beoordeling kunnen bijvoorbeeld relevant zijn: de zwaarte van de schuld, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen, de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding is tot stand gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, de mate waarin de schade is gedekt door een verzekering, de voorzienbaarheid van de schade, de aard en ernst van de (voorzienbare) schade en de strekking van het beding, waarbij het vooral gaat om de vraag in hoeverre de beperking van de aansprakelijkheid in enige verhouding staat tot de omvang van de voorzienbare schade.
6.22.
Het hof volgt niet het betoog van [appellante] dat de exoneratie terloops op een feestje is afgesproken of dat [appellante] daarmee is overvallen. De getuigenverklaringen bevestigen eerder het beeld dat de uitsluiting van aansprakelijkheid al sluimerend op de achtergrond aanwezig was. Vooral [naam 9] bevestigt dat waar zij verklaart:
“We wisten gewoon van elkaar hoe het zat, van het eigen risico, dat je zelf op het paard gaat zitten.”
6.23.
Het hof volgt ook niet het betoog van [appellante] dat de gemaakte afspraak niet voldoende concreet was, zoals bij de bespreking van de grieven 1 en 2 al is toegelicht.
6.24.
[appellante] benadrukt verder dat [geïntimeerde] haar om een vriendendienst vroeg, en dat volgens [appellante] als gevolg van het letsel ernstige en blijvende schade is opgetreden. Ook wijst [appellante] erop dat [geïntimeerde] voor deze schade is verzekerd bij Univé.
6.25.
Het hof constateert dat deze zaak zich kenmerkt door het feit dat het om twee particulieren gaat, waarbij de een ( [geïntimeerde] ) profiteerde van het feit dat haar paard werd bereden en verzorgd, en de ander ( [appellante] ) van het gratis gebruik van dat paard door haar en haar dochter. Dat laatste gold ook voor wedstrijden en buitenritten waarvoor volgens de niet gemotiveerd betwiste toelichting van [geïntimeerde] normaalgesproken veel geld moet worden betaald. In zoverre was dus geen sprake van een disbalans in de wederzijdse belangen. Hiervoor is al aan de orde gekomen dat de inhoud van de exoneratie niets aan duidelijkheid te wensen overliet en dat [appellante] zich voldoende bewust moet zijn geweest dat daarmee ook eventuele ernstige tot zeer ernstige vormen van schade waren uitgesloten van aansprakelijkheid.
6.26.
Het hof constateert verder dat in deze procedure is komen vast te staan dat niet alleen [geïntimeerde] , maar ook [appellante] een verzekering had (zie onder 3.12 hiervoor). [geïntimeerde] heeft naar voren gebracht, en [appellante] heeft onvoldoende betwist, dat [appellante] de verzekerde som van haar ongevallenverzekering had kunnen verhogen.
6.27.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat in het Imagine-arrest (HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162) is geoordeeld dat een medebezitter van een paard niet door een andere medebezitter kan worden aangesproken. Hieraan ligt ten grondslag dat de medebezitter van een dier zelf ook medeverantwoordelijk is voor het scheppen of handhaven van het risico dat het dier met zich brengt doordat het dier beschikt over onberekenbare eigen energie waarmee het mogelijk schade kan toebrengen. De daarmee te vergelijken situatie doet zich hier voor doordat het paard tijdelijk door [geïntimeerde] aan anderen, onder wie [appellante] , was toevertrouwd omdat [geïntimeerde] in die periode het paard niet zelf kon berijden en verzorgen. [geïntimeerde] en Univé hebben hier terecht op gewezen (onder 66 memorie van antwoord). Het was in deze periode juist [appellante] die invloed kon uitoefenen op de eigen energie van het paard, niet [geïntimeerde] .
6.28.
Tegen de achtergrond van al het voorgaande, heeft [appellante] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de exoneratie van toepassing wordt geacht. De omstandigheid dat [appellante] zich beroept op ernstige letselschade, is in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit tot een andere uitkomst noopt.
Tussenconclusie
6.29.
Uit al het voorgaande volgt dat de beschikking van de deelgeschilrechter moet worden bekrachtigd. De voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld, is niet vervuld. Dat betekent dat het hof aan een bespreking van het incidenteel hoger beroep niet toekomt.
Staat van wijzen
6.30.
Het feit dat de beschikking van de deelgeschilrechter moet worden bekrachtigd, brengt in beginsel mee dat het hof de zaak naar de bodemrechter in eerste aanleg moet verwijzen, zodat op de hoofdzaak kan worden beslist. Het hof kan de bodemzaak echter zelf afdoen op eenstemmig verlangen van partijen of als het geding in staat van wijzen is (zie artikel 355 lid 2 Rv Pro). In dit geval doet zich de situatie voor dat het geding in staat van wijzen is. Het hof zal dat toelichten.
6.31.
In de bodemprocedure vordert [appellante] :
“I. Voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] en Univé aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:179 BW Pro voor de gevolgen van het ongeval dat [appellante] op 28 november 2015 is overkomen en dat [geïntimeerde] en Univé hoofdelijk gehouden zijn de materiële en/of immateriële schade die hiervan het gevolg is aan [appellante] te vergoeden, nader op te maken bij staat,
II. [geïntimeerde] en Univé te veroordelen in de proceskosten, met rente en nakosten.”
6.32.
De rechtbank heeft op verzoek van [appellante] hoger beroep toegestaan van de beschikking in het deelgeschil omdat de rechtbank het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade van [appellante] bepalend achtte voor de afloop van de zaak. Het hof onderschrijft dat het oordeel over de aansprakelijkheid bepalend is. Doordat de beschikking van de deelgeschilrechter moet worden bekrachtigd, kan immers alleen nog afwijzing van de vorderingen van [appellante] in de bodemprocedure volgen.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.33.
De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De vorderingen van [appellante] worden afgewezen.
6.34.
Voor de beslissing over de kosten die het hof in de bodemprocedure moet geven, moeten de gewone regels van artikel 237 Rv Pro worden toegepast.
6.35.
Het hof ziet aanleiding de proceskosten in eerste aanleg tussen enerzijds [appellante] en anderzijds [geïntimeerde] en Univé te compenseren op de wijze als hierna onder de beslissing vermeld. Hiervoor is redengevend dat in de bodemprocedure in eerste aanleg (voornamelijk) de vraag centraal stond of [appellante] tussentijds hoger beroep mocht instellen van de beschikking in het deelgeschil. [geïntimeerde] en Univé hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank daarover.
6.36.
[appellante] wordt door het hof in het ongelijk gesteld. Daarom zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Tot die kosten behoren ook de kosten van het voorlopig getuigenverhoor, in dit geval bestaande uit de bijstand van een advocaat en de getuigentaxe van de namens [geïntimeerde] en Univé gehoorde getuige Damming. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is buiten behandeling gebleven, zodat daarin geen kostenveroordeling wordt uitgesproken. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 349
- salaris advocaat hoger beroep € 2.580 (tarief II hof × 2 punten)
- salaris advocaat getuigenverhoor € 1.306 (tarief II rechtbank × 2 punten)
- getuigentaxe €
75
Totaal € 4.310

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt de beschikking in het deelgeschil;
7.2.
wijst de vorderingen van [appellante] in de bodemprocedure af;
7.3.
compenseert de proceskosten van de bodemprocedure in eerste aanleg in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;
7.4.
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.310;
7.5.
veroordeelt [appellante] tot betaling van € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, M.M. Korsten-Krijnen en J. Sap en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.