Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,
[appellant 3] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
Grief 3faalt. Het hoger beroep van [appellant 2] en [appellant 3] slaagt dus niet.
grief 1komt [appellant 1] op tegen de afwijzing van de kosten van rechtsbijstand die [appellant 1] heeft moeten maken in de echtscheidingsprocedure. Hij stelt dat hij, naar aanleiding van de onttrekking van de kinderen aan het gezag, de nevenverzoeken heeft moeten laten wijzigen in die zin dat hij de rechtbank heeft verzocht om eenhoofdig gezag. Deze extra werkzaamheden zijn het rechtstreeks gevolg van het handelen van [geïntimeerde] . Volgens door [appellanten] overgelegde facturen, is voor deze extra werkzaamheden een bedrag van € 8.065,24 betaald.
grief 1faalt daarmee.
grief 1faalt dus ook.
grief 2klaagt [appellant 1] over de hoogte van de door de rechtbank toegewezen immateriële schadevergoeding. Volgens [appellant 1] blijkt uit uitspraken van andere rechters dat het toegewezen bedrag van € 1.000,- niet kan worden beschouwd als een billijke vergoeding. Hij verwijst naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van ECLI:NL:RBZWB:2019:1187 en een arrest van hof Den Bosch van ECLI:NL:GHSHE:2022:3302, waaruit dat zou volgen. Tevens wordt verwezen naar een arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:8134).