Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1549

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.352.615/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:349 lid 1 BWArt. 6:106 BWArt. 6:108 sub b BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:96 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep schadevergoeding onttrekking minderjarige kinderen aan wettig gezag

In deze civiele zaak in hoger beroep vorderen appellanten, bestaande uit een vader en zijn minderjarige kinderen, schadevergoeding wegens onttrekking van de kinderen aan het wettig gezag door de moeder. De moeder is strafrechtelijk veroordeeld voor medeplegen van deze onttrekking. De rechtbank Noord-Holland wees een deel van de schadevergoeding toe, maar wees andere vorderingen af wegens onvoldoende causaliteit of onderbouwing.

Appellanten komen in hoger beroep tegen de afwijzing van diverse schadeposten, waaronder kosten van rechtsbijstand in de echtscheidingsprocedure, fysiotherapie, beveiligingscamera’s en immateriële schade voor de kinderen. Het hof oordeelt dat voor de vorderingen van de minderjarige kinderen geen machtiging van de kantonrechter vereist is, omdat het hier gaat om een civiele vordering in een strafprocedure.

Het hof stelt vast dat de kinderen wel psychisch onbehagen hebben ervaren, maar geen geestelijk letsel dat rechtvaardigt tot immateriële schadevergoeding. De kosten van rechtsbijstand en fysiotherapie worden afgewezen wegens onvoldoende causaal verband met het bewezenverklaarde feit. Ook de beveiligingscamera’s worden niet als rechtstreekse schade erkend. Wel wijst het hof een aanvullende vergoeding toe voor reiskosten die de vader heeft gemaakt in verband met de procedure en begeleiding van de kinderen naar de kindercoach.

De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en veroordeelt de moeder tot betaling van €118,55 aan reiskosten met wettelijke rente vanaf 26 mei 2024.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst een beperkte aanvullende schadevergoeding toe voor reiskosten, terwijl overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.352.615/01
parketnummer rechtbank Noord-Holland : 15.155765.23
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

en als wettelijk vertegenwoordiger van
2.
[appellant 2] ,
3.
[appellant 3] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. D.J. Klock te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C. Guzel te Heerhugowaard.
Appellanten worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] en gezamenlijk [appellanten] genoemd. en geïntimeerde wordt [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] is door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Holland veroordeeld wegens het medeplegen van het opzettelijk onttrekken van haar minderjarige kinderen aan het wettig gezag. Deze beslissing is inmiddels onherroepelijk. De strafkamer heeft de vordering tot schadevergoeding van [appellanten] gedeeltelijk afgewezen. Van die afwijzing komen [appellanten] in hoger beroep. Ook vermeerderen zij hun eis met een aantal aanvullende vorderingen.
Het hof oordeelt in hoger beroep dat de vorderingen terecht zijn afgewezen. Wel wordt een deel van de aanvullende vorderingen in hoger beroep toegewezen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn op de voet van artikel 421 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv) bij dagvaarding van 13 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 13 december 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld parketnummer gewezen in de strafzaak tegen [geïntimeerde] , waarin [appellanten] zich als benadeelde partij hadden gevoegd.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis met producties;
- memorie van antwoord met producties;
Op 28 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Klock aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd. [appellanten] hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[appellant 1] en [geïntimeerde] zijn met elkaar getrouwd geweest. [appellant 2] en [appellant 3] zijn hun minderjarige kinderen die uit dit huwelijk zijn geboren.
3.2.
Bij verzoekschrift van 2 september 2022 is door de man verzocht de echtscheiding uit te spreken.
3.3.
In de periode van 23 juni tot en met 29 juni 2023 heeft [geïntimeerde] [appellant 2] en [appellant 3] , zonder toestemming en medeweten van [appellant 1] , meegenomen naar een boerderij in [plaats 2] , met het plan om eventueel met hen naar het buitenland te vertrekken.
3.4.
Bij beschikking van 21 juli 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland voor recht verklaard dat de moeder in de uitoefening van het gezag over de kinderen met ingang van 23 juni 2023 van rechtswege is geschorst.
3.5.
Bij beschikking van 1 februari 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het gezamenlijk gezag van partijen over [appellant 2] en [appellant 3] wordt beëindigd en dat [appellant 1] alleen het gezag over hen toekomt.
3.6.
Bij beschikking van 6 februari 2024 van de familiekamer van dit hof is de beschikking van 21 juni 2023 bekrachtigd en bepaald dat de schorsing voortduurt tot de datum waarop de rechtbank in het kader van de echtscheidingsprocedure een eindbeslissing heeft gegeven ten aanzien van het ouderlijk gezag. Daarbij heeft het hof overwogen dat hij, gelet op de aard en inhoud van de zaak, geen aanleiding ziet om [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van [appellant 1] ter zake heeft hij afgewezen.
3.7.
Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2024 is [geïntimeerde] in veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen, met een proeftijd van drie jaar, wegens het (meermalen) medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig gezag, terwijl de minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar oud is. Tevens is aan haar gedurende drie jaar een locatieverbod voor de gemeente [plaats 1] opgelegd, en een contactverbod met [appellant 2] en [appellant 3] . Deze beslissingen zijn inmiddels onherroepelijk. Tevens is beslist op de vorderingen van [appellanten] als benadeelde partijen.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat hebben [appellanten] - als benadeelde partijen - bij de strafkamer van de rechtbank gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant 1] van een bedrag van € 9.836,51 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500 aan immateriële schade, te vermeerderen met rente. Tevens hebben zij gevorderd aan [appellant 2] en [appellant 3] te betalen een bedrag van € 399,23 aan materiële schade en aan ieder een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met rente.
4.2.
De rechtbank heeft de vordering van [appellant 1] toegewezen voor zover betrekking hebbend op de kosten van verblijf in een vakantiewoning en de reiskosten die [appellant 1] heeft gemaakt voor zichzelf en voor [appellant 2] en [appellant 3] . De overige kosten, betrekking hebbend op de aanschaf van beveiligingscamera’s, de extra advocaatkosten in de echtscheidingsprocedure en de kosten van de fysiotherapeut zijn afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. De immateriële schade is toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- en voor het overige afgewezen.
De vorderingen van [appellant 2] en [appellant 3] zijn afgewezen. Ten aanzien van de immateriële schade achtte de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zij psychische schade hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De reiskosten zijn afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat deze kosten door de kinderen zijn gemaakt.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin hun vorderingen zijn afgewezen en zij vorderen dat het hof alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellant 1] van € 9.836,51 en tevens (na eisvermeerdering ) tot betaling van € 118,55 te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 22 juni 2023 en tot betaling aan [appellant 3] en [appellant 2] ieder een bedrag van € 2.500,- met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure, met nakosten en rente.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] zijn de vorderingen van [appellant 2] en [appellant 3] niet-ontvankelijk in het hoger beroep, omdat daarvoor een machtiging van de kantonrechter is vereist. Zij concludeert verder dat het hof de vorderingen van [appellanten] zal afwijzen en het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

6.Beoordeling

Ontvankelijkheid
6.1
[geïntimeerde] heeft bij wijze van preliminair verweer de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van [appellant 2] en [appellant 3] bepleit wegens het ontbreken van een machtiging van de kantonrechter. [appellanten] betwisten dat een dergelijke machtiging vereist is, gelet op het bepaalde in artikel 51f lid 4 Sv.
6.2.
Naar het hof begrijpt ( [geïntimeerde] heeft daar desgevraagd op de mondelinge behandeling geen nadere toelichting op gegeven) doelt [geïntimeerde] op het bepaalde in artikel 1:349 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dat een voogd (het ouderbewind daaronder begrepen) die zonder machtiging van de kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een uitspraak beroep instelt, niet-ontvankelijk wordt verklaard in de desbetreffende vorderingen.
In de onderhavige zaak is echter beroep ingesteld tegen een vonnis in een strafprocedure, waarin [appellanten] als benadeelde partijen een civiele vordering hebben ingediend. Voor het indienen van een dergelijke vordering is ingevolge artikel 51f Sv vereist dat zij rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het tenlastegelegde feit. Op grond van artikel 51f lid 4 Sv kunnen minderjarigen die rechtstreekse schade hebben geleden zich voegen met behulp van hun wettelijk vertegenwoordiger. In dat artikel is met zoveel woorden opgenomen dat een machtiging op grond van artikel 1:349 BW Pro daarvoor niet is vereist.
6.3.
In 421 Sv is geregeld dat deze voeging in de strafprocedure in hoger beroep van rechtswege voortduurt voor zover de vordering is toegewezen (lid 2), en dat, voor zover de vordering is afgewezen, de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep kan voegen (lid 3). Voor het geval geen hoger beroep is ingesteld door de verdachte of het Openbaar Ministerie, regelt lid 4 van dat artikel dat de benadeelde partij van het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, in hoger beroep kan komen bij het gerechtshof. Op dat hoger beroep zijn dan de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie van overeenkomstige toepassing en niet de bepalingen in de tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II Sv. Laatstgenoemde bepalingen hebben betrekking op het onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting. In lid 4 is niet vermeld dat, in afwijking van het bepaalde in 51f lid 4 Sv, in hoger beroep het vereiste van artikel 1:349 lid 1 BW Pro wel van toepassing zou zijn. Dit volgt ook niet uit de van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen uit Rv.
Naar het oordeel van het hof kan artikel 421 lid 4 Sv Pro ook redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat een machtiging van de kantonrechter in hoger beroep vereist is. Dit zou bovendien strijdig zijn met de doelstelling van de desbetreffende regeling om voor slachtoffers van strafbare feiten een laagdrempelige procedure in het leven te roepen om hun schade vergoed te krijgen. Het verweer wordt dan ook verworpen. De vorderingen van [appellant 2] en [appellant 3] zijn ontvankelijk in het hoger beroep.
De grieven en de eisvermeerdering
6.4.
[appellanten] hebben drie grieven aangevoerd. Grieven 1 en 2 klagen dat de door [appellant 1] gevorderde schadeposten met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in de echtscheidingsprocedure, de kosten van fysiotherapie en de aanschafkosten van de beveiligingscamera’s zijn afgewezen. Bij eisvermeerdering vordert [appellant 1] vergoeding van de na het vonnis nog gemaakte reiskosten, onder meer met betrekking tot de gesprekken van de kinderen met de kindercoach.
Grief 3 ziet op de afgewezen vergoeding voor immateriële schade van [appellant 2] en [appellant 3] .
6.5.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Het hof zal hierna de afzonderlijke schadeposten bespreken en daarbij nader ingaan op de stellingen van partijen.
Immateriële schade [appellant 2] en [appellant 3]
6.6.
Grief 3klaagt over de overweging van de rechtbank dat onvoldoende onderbouwd is dat de kinderen psychische schade hebben geleden als gevolg van het handelen van [geïntimeerde] .
[appellanten] stellen dat [geïntimeerde] ernstige inbreuk heeft gemaakt op een fundamenteel recht van de kinderen, namelijk de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, door hen uit hun vertrouwde omgeving weg te halen. Ook is hun recht op family life geschonden. Deze schendingen leveren volgens [appellanten] een aantasting in de persoon op als bedoeld in artikel 6:108 sub b BW Pro. Zij verwijzen verder naar de verslagen van kindercoach Esther Vethman, die beide kinderen heeft begeleid. Volgens [appellanten] blijkt uit deze verslagen dat [appellant 3] gevoelens van angst en onveiligheid ervaart en dat [appellant 2] het als heel naar heeft ervaren dat zij haar vader niet mocht bellen en dat zij het eng vond dat zij zich moest verstoppen voor de politie.
Ook de gebeurtenissen na de onttrekking hebben hun weerslag gehad op de kinderen. Zo hebben de kinderen hun moeder moeten opzoeken in het huis van bewaring en hebben zij sindsdien hun moeder niet meer gezien.
Met het voorgaande achten [appellanten] de immateriële schade voldoende onderbouwd.
6.7.
Het hof stelt het volgende voorop.
Niet in geschil is dat [geïntimeerde] gehouden is tot vergoeding van schade die het gevolg is van de onttrekking van de kinderen aan het gezag, zoals bewezenverklaard bij het vonnis van 13 december 2024. Artikel 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin een benadeelde recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Ingevolge het bepaalde onder b van dit artikel is dat onder meer het geval bij een aantasting in de persoon 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze. Van de onder 3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Naar vaste rechtspraak is een sterk of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen hiervoor niet voldoende.
6.8.
De kindercoach heeft van november 2023 tot en met mei 2024 gesprekken gevoerd met zowel [appellant 2] als met [appellant 3] . De kinderen zijn bij haar in de praktijk gekomen zodat ze een plek zouden hebben om hun gevoelens en gedachten te delen naar aanleiding van de scheiding en de ontvoering en daarna het gemis van hun moeder.
6.9.
De kindercoach beschrijft [appellant 2] als een blij meisje dat goed in contact gaat. Ze wil vooral fijne momenten tekenen maar na een paar keer is er ook ruimte om aan de normale momenten te gaan werken. Over de situatie in het huis waar de meisjes verbleven tijdens de ontvoering kan zij positieve verhalen vertellen, maar het feit dat ze papa niet mocht bellen of kon bereiken vond ze heel naar. Het moment dat ze zich moesten verstoppen voor de politie vond ze heel eng. Aanvankelijk heeft ze gedroomd over mensen die gaan schieten en dat mama wordt meegenomen, maar die enge dromen zijn er aan het einde van het coachingstraject nagenoeg niet meer. Volgens de kindercoach voelt [appellant 2] veel boosheid, maar uit ze die niet. Ze heeft veel last van het gemis van haar moeder. De kindercoach beschrijft [appellant 2] in mei als blij en opgewekt. Ze lijkt het onderwerp moeder te mijden. Daarnaar gevraagd vertelt ze dat ze er anders verdrietig van wordt. In overleg met vader wordt besloten dat de coaching voldoende is geweest.
6.10.
Over [appellant 3] rapporteert de kindercoach dat zij redelijk gemakkelijk vertelt over wat zij leuk vindt, hoe ze school ervaart en hoe het is om haar moeder niet te zien. Ze heeft het fijn thuis en op school. Ze mist haar moeder en zou graag met haar knuffelen. Ze is zichtbaar verdrietig als zij over haar moeder praat. Zij voelt dat verdriet vooral als zij gaat slapen en ze is bang dat ze haar moeder nooit meer gaat zien. Over het verblijf in de boerderij vertelt ze dat ze echt heel bang was op het moment dat de politie kwam en zij zich moest verstoppen. Het buitenspelen en de dieren op de boerderij vond ze wel leuk. De kindercoach eindigt met de constatering dat het goed gaat met [appellant 3] , dat ze haar draai heeft gevonden op school en dat ze een fijne stabiele plek heeft bij haar vader thuis, maar dat ze het enorm lastig blijft vinden om haar moeder te missen. Ook ten aanzien van [appellant 3] wordt het coachingstraject beëindigd.
6.11.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verslagen wel van een meer of minder sterk psychisch onbehagen maar niet dat de kinderen geestelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van de onttrekking. Duidelijk is dat de gebeurtenissen op de boerderij in [plaats 2] grote indruk op hen hebben gemaakt. Uit de verslagen blijkt dat zij elementen van hun verblijf naar en zelfs eng hebben gevonden, dat zij hun moeder missen en daar (begrijpelijkerwijs) veel verdriet van hebben, maar dat zij als gevolg daarvan psychisch letsel hebben opgelopen kan op grond daarvan niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
6.12.
[appellanten] kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat een aantasting in hun persoon kan worden vastgesteld met de enkele vaststelling dat [geïntimeerde] inbreuk heeft gemaakt op fundamentele rechten van de kinderen (zie Hoge Raad 15 maart 2019 ECLI:NL:HR:2019:376, EBI-arrest). In een voorkomend geval kunnen wel de aard en de ernst van een normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721). Hoe afkeurenswaardig het handelen van [geïntimeerde] ook is geweest, van een dergelijke normschending is in dit geval geen sprake.
Grief 3faalt. Het hoger beroep van [appellant 2] en [appellant 3] slaagt dus niet.
Kosten rechtsbijstand echtscheidingsprocedure
6.13.
Met
grief 1komt [appellant 1] op tegen de afwijzing van de kosten van rechtsbijstand die [appellant 1] heeft moeten maken in de echtscheidingsprocedure. Hij stelt dat hij, naar aanleiding van de onttrekking van de kinderen aan het gezag, de nevenverzoeken heeft moeten laten wijzigen in die zin dat hij de rechtbank heeft verzocht om eenhoofdig gezag. Deze extra werkzaamheden zijn het rechtstreeks gevolg van het handelen van [geïntimeerde] . Volgens door [appellanten] overgelegde facturen, is voor deze extra werkzaamheden een bedrag van € 8.065,24 betaald.
6.14.
[geïntimeerde] betwist dat deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit, aangezien de verstandhouding tussen [appellant 1] en haar ook voordien al onder druk stond. Niet vaststaat dat [appellant 1] zonder het bewezen verklaarde feit niet ook had verzocht om wijziging van hoofdverblijf en gezag. Ook staat deze schade in een te ver verwijderd verband om op grond van artikel 6:98 BW Pro te kunnen worden toegerekend aan het bewezenverklaarde feit.
Bovendien zou toewijzing van deze kosten in strijd komen met het Nederlands procesrecht, omdat in familiezaken de proceskosten altijd worden gecompenseerd. Daar wordt slechts bij uitzondering van afgeweken in geval van misbruik van recht of nodeloos procederen, hetgeen niet aan de orde is. [geïntimeerde] wijst op de overweging van dit hof in de beschikking van 6 februari 2024.
6.15.
Het hof overweegt dat uit het wettelijk systeem volgt dat vergoeding van proceskosten dient te worden gevorderd in de procedure waarin deze worden gemaakt. Die kosten kunnen worden vergoed op de voet van artikel 241 Rv Pro in verbinding met de artikelen 237-240 Rv. Uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis volgt dat de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge artikel 6:96 lid 3 BW Pro in verbinding met artikel 241 Rv Pro aan artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden (zie Hoge Raad 12 juni 2015; ECLI:NL:HR:2015:1600). Zowel in de echtscheidingsbeschikking als in de beschikking van dit hof van 6 februari 2024 is geoordeeld over de vergoeding van die proceskosten. In beide gevallen is geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling van [geïntimeerde] . Dit brengt mee dat er geen ruimte is voor [appellant 1] om die proceskosten als schade als gevolg van onrechtmatig handelen in deze procedure te vorderen. Dit deel van
grief 1faalt daarmee.
Kosten fysiotherapie
6.16.
Grief 1heeft verder betrekking op de kosten voor fysiotherapie van € 252,-. [appellant 1] stelt dat de onttrekking aan het gezag bij hem spierkrampen en verstijvingen heeft veroorzaakt. Hij heeft zich hiervoor tot de huisarts gewend, die hem heeft doorverwezen naar een fysiotherapeut. [appellant 1] verwijst naar een uitdraai uit het huisartsenjournaal, waarin – voor zover van belang – het volgende is opgenomen:
Symptomen meerdere/niet-gespecificeerde spieren
18-12-2023
S stijf, pijnlijke spieren, komt het door stress of toch iets anders? Slaapt wel goed, geen nachtelijke krampen. Werkt vooral thuis, 1 dag in de week naar kantoor in Alkmaar. Niet veel buiten, wel graag in de tuin. Niet afgevallen of aangekomen.
O stijve schouders, beetje stijve nek, bukt vlot
E spieren
P lab doen
02-01-2024
S Nav lab: eet geen vis, houdt er niet van
O vit B op ondergrens aan het begin van de winter
P tabletjes vit D halen, 10 mcg zou genoeg moeten zijn
06-11-2024
S Weer veel last van de nek, was even beter nadat hij hoorde dat de scheiding was uitgesproken, ook verbetering na een massage op vakantieadres. Werkt al jaren veel achter de computer, werkplek is goed. Geen klemmen of kaakproblemen
O flinke hypertonie, extensie nek beperkt, flexie en rotatie beperkt, R>L
P naar FT
Voorts heeft [appellant 1] verwezen naar een brief van 14 november 2024 van de fysiotherapeut die, voor zover van belang, het volgende schrijft:
Dhr. kwam bij ons binnen op 12-11-2024 op verwijzing van zijn huisarts met nekklachten. Na onderzoek bleek er sprake van nekpijn profiel 3 (KNGF richtlijn nekpijn). Dit betekent dat er psychosociale factoren een rol spelen in het ontstaan en ook herstel van de klachten. Hiernaast is er sprake van een verhoogde musculaire tonus in de nek/schouder regio met atrogene hypomobiliteit cervicothoracaal.
6.17.
Het hof is van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken niet de conclusie kan worden getrokken dat de klachten van [appellant 1] zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde handelen van [geïntimeerde] . Uit het huisartsenjournaal blijkt dat [appellant 1] zelf het (mogelijke) verband legt met stress en met de echtscheiding. De fysiotherapeut bevestigt een relatie met psychosociale factoren. Een verband met de onttrekking van de kinderen aan het gezag blijkt echter niet, temeer nu de behandeling anderhalf jaar na het bewezenverklaarde is gestart. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat een causaal verband met het bewezenverklaarde onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de grief faalt eveneens.
Kosten aanschaf beveiligingscamera’s
6.18.
[appellant 1] stelt dat de aanschafkosten voor de beveiligingscamera’s moeten worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het handelen van [geïntimeerde] . Hij heeft na de vondst van de kinderen door de politie camera’s rondom zijn woning geïnstalleerd zodat hij in de gaten kon houden of [geïntimeerde] of anderen zich ophielden bij de woning en nogmaals getracht zou worden de kinderen aan zijn gezag te onttrekken. Volgens [appellant 1] waren leden van de groep [groep] , waarmee [geïntimeerde] banden had, op zoek naar de kinderen. Ook zouden er drie incidenten zijn gemeld bij de politie op 25 juli 2023, 9 augustus en 26 augustus 2023.
6.19.
Hoewel begrijpelijk is dat [appellant 1] de camera’s heeft aangeschaft kan naar het oordeel van het hof uit het voorgaande niet de conclusie worden getrokken dat de kosten voor aanschaf van de camera’s rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de bewezenverklaarde onttrekking door [geïntimeerde] . Dit onderdeel van
grief 1faalt dus ook.
Immateriële schade
6.20.
Met
grief 2klaagt [appellant 1] over de hoogte van de door de rechtbank toegewezen immateriële schadevergoeding. Volgens [appellant 1] blijkt uit uitspraken van andere rechters dat het toegewezen bedrag van € 1.000,- niet kan worden beschouwd als een billijke vergoeding. Hij verwijst naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van ECLI:NL:RBZWB:2019:1187 en een arrest van hof Den Bosch van ECLI:NL:GHSHE:2022:3302, waaruit dat zou volgen. Tevens wordt verwezen naar een arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:8134).
6.21.
Het hof verwerpt ook deze grief. Bij de begroting van immateriële schade houdt het hof rekening met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van de normschending, de duur en intensiteit van het geleden leed en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Daarbij wordt tevens aansluiting gezocht bij bedragen die in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters worden toegekend.
6.22.
De stelling van [appellant 1] komt erop neer dat rechters in vergelijkbare gevallen hogere bedragen hebben opgelegd, en dat op grond daarvan een bedrag van € 2.500,- als een billijke vergoeding heeft te gelden. Die stelling wordt verworpen. Voor zover in de door [appellant 1] genoemde uitspraken al hogere bedragen zijn toegekend, zijn de omstandigheden van het geval, zowel ten aanzien van de duur van de onttrekking als de overige omstandigheden van het geval (bijvoorbeeld onttrekking naar het buitenland), niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.
Ook begroting volgens de methode van de Rotterdamse schaal leidt niet tot een hoger bedrag. Het hof overweegt daarbij dat het bedrag van € 2.500,- correspondeert met de bovenkant van de categorie ‘tamelijk ernstig’, die wordt gekenmerkt door onttrekkingen die minder dan ongeveer een jaar geduurd hebben. Gelet op de – in relatie daartoe – beperkte duur van de onttrekking van een week, valt zonder nadere toelichting van [appellant 1] , die ontbreekt, niet in te zin waarom het voor die categorie maximale bedrag van € 2.500,- in dit geval als billijk moet worden beschouwd.
Reiskosten
6.23.
Bij eisvermeerdering in hoger beroep heeft [appellant 1] vergoeding gevorderd van door hem gemaakte reiskosten, in aanvulling op de reeds in eerste aanleg gevorderde (en toegewezen) reiskosten. Het gaat om reiskosten in verband met
- een gesprek met de officier van justitie op 26 november 2024
- de aanwezigheid bij de strafzitting
- de aanwezigheid bij de uitspraak
- de begeleiding van de kinderen naar de kindercoach (17 gesprekken van 15 november 2024 tot en met 26 mei 2025)
[appellant 1] heeft de reiskosten, met verwijzing naar de Richtlijn Reiskostenvergoeding van de Letselschaderaad, begroot op totaal € 118,55.
6.24.
[geïntimeerde] betwist, bij gebreke van bewijs daarvan door [appellant 1] , dat deze kosten daadwerkelijk door [appellant 1] zijn gemaakt. Ten aanzien van de begeleiding van de kinderen naar de kindercoach betwist zij het causaal verband, zeker gezien het feit dat deze kosten zijn gemaakt lang na het bewezenverklaarde feit.
6.25.
Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde] . Niet is betwist dat [appellant 1] een bezoek heeft gebracht aan de officier van justitie, noch dat hij bij de zitting en de uitspraak aanwezig is geweest. Ook is niet betwist dat hij de kinderen naar de kindercoach heeft begeleid. Het hof is van oordeel dat de omvang van de daarmee gemoeide kosten, redelijkerwijs kan worden begroot zoals [appellant 1] heeft gedaan, namelijk uitgaande van € 0,31, respectievelijk € 0,33 per kilometer.
6.26.
Ten aanzien van de begeleiding van de kinderen naar de kindercoach gaat het hof ervan uit dat de door [appellant 1] genoemde data van november 2024 tot en met mei 2025 op een kennelijke vergissing berusten. Uit het verslag van de kindercoach volgt immers dat de gesprekken plaatsvonden in de periode van november 2023 tot en met mei 2024.
Anders dan [geïntimeerde] betoogt, zijn deze kosten redelijkerwijs toe te rekenen aan het bewezenverklaarde feit. De kindercoach beschrijft immers in haar verslag dat de gesprekken tot doel hadden dat de kinderen hun gevoelens en gedachten konden delen naar aanleiding van - onder meer - de ontvoering. Het hof leidt daaruit af dat deze gesprekken aldus ertoe strekten om schade als gevolg daarvan te voorkomen of te beperken.
6.27.
De aanvullend gevorderde reiskosten zijn daarmee alle toewijsbaar. De wettelijke rente over dit bedrag is gevorderd vanaf 22 juni 2023, zijnde de datum van de onttrekking. Niet gesteld, noch gebleken is echter dat op dat moment de schade al was ingetreden. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat de schade daadwerkelijk is geleden. Bij gebreke van een concrete stelling hierover sluit het hof aan bij de laatste genoemde dag, te weten 26 mei 2024.
Conclusie
6.28.
De conclusie luidt dat de grieven niet slagen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
Wel zal de vordering, zoals in hoger beroep geformuleerd, als hierna te melden worden toegewezen.
Proceskosten
6.29.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren, zo dat ieder de eigen kosten draagt.

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd;
7.2.
veroordeelt [geïntimeerde] voorts tot betaling van € 118,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 mei 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
7.3
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, L.A.J. Dun en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.