Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1581

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/1474 en 25/1475
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.90 Wet IB 2001Art. 3.94 Wet IB 2001Art. 3.95 Wet IB 2001Art. 3.13 Wet IB 2001Art. 3.21 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting en verzuimboete wegens te late aangifte 2020

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2020 aanslagen inkomstenbelasting en Zvw opgelegd met een belastbaar inkomen van €43.520, inclusief inkomsten uit een persoonsgebonden budget (PGB) voor de verzorging van zijn moeder. Tevens werd een verzuimboete van €385 opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

De rechtbank had de aanslagen verminderd tot een belastbaar inkomen van €39.557, waarbij een deel van de kosten als aftrekposten werd erkend, maar de verzuimboete gehandhaafd. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat de gemaakte kosten voor de verzorging van zijn moeder in aftrek moesten worden gebracht en dat de verzuimboete onterecht was.

Het Hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat alleen kosten die in een zakelijke relatie staan tot de inkomsten uit het PGB aftrekbaar zijn. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd voor de zorg-onderhoudskosten en de reiskosten werden door de inspecteur op een redelijke wijze vastgesteld. Ook de verzuimboete werd als passend en geboden beoordeeld, mede vanwege het stelselmatige verzuim van belanghebbende. Het Hof liet de tardief ingediende stukken buiten beschouwing en bevestigde de eerdere uitspraak, waardoor het hoger beroep ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen en verzuimboete blijven ongewijzigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/1474 en 25/1475
12 mei 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Y] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 17 april 2025 in de zaak met kenmerken HAA 24/711 en HAA 24/712 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 25 januari 2023 aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.520. In hetzelfde geschrift is een verzuimboete opgelegd ter hoogte van € 385 en is bij beschikking een bedrag van € 778 belastingrente in rekening gebracht.
1.1.2.
De inspecteur heeft tevens met dagtekening 25 januari 2023 aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 43.520. In hetzelfde geschrift is bij beschikking een bedrag van € 160 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen voorgaande besluiten. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen en beschikkingen gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.557 en bepaalt dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- vermindert de aanslag ZVW 2020 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 39.557 en bepaalt dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- handhaaft de verzuimboete op een bedrag van € 385;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 27 en 29 april 2026 nadere stukken aan het aan het Hof verzonden
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser is woonachtig in [Y] . Eiser ontving in 2020 een bedrag van € 43.520 uit het [budget] van [naam] , de moeder van eiser. Mevrouw [naam] woont in 2020 in [plaats] .
2. Met dagtekening 27 februari 2021 is eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en ZVW voor het jaar 2020.
3. Eiser doet op 29 april 2021 een verzoek tot uitstel voor het indienen van de aangifte. Dit uitstel wordt door verweerder verleend.
4. Met dagtekening 21 september 2021 heeft verweerder aan eiser een herinnering tot het doen van aangifte verstuurd. Met dagtekening 22 oktober 2021 heeft verweerder aan eiser een aanmaning tot het doen van aangifte gestuurd. Eiser moet de aangifte IB/PVV 2020 vóór 5 november 2021 indienen. Van deze uitnodiging, herinnering en aanmaning heeft verweerder verzendrapporten (Rapport Datum Verzending) opgemaakt en overgelegd.
5. Verweerder legt met dagtekening 25 januari 2023 een aanslag IB/PVV 2020 en een aanslag ZVW 2020 op. Het verzamelinkomen in de aanslag IB/PVV en het bijdrage-inkomen in de aanslag ZVW zijn vastgesteld op € 43.520, de inkomsten uit het [budget] . Tevens is bij beide aanslagen belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd vanwege het niet tijdig indienen van de aangifte IB/PVV 2020.
6. Eiser dient op 20 april 2023 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 in. In deze aangifte geeft hij als opbrengst overige werkzaamheden de inkomsten uit het [budget] van € 43.520 aan en tevens als aftrekbare kosten een bedrag van € 30.963. Dit bedrag bestaat uit reiskosten van € 9.363 en zorg-onderhoudskosten van € 21.600.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de aanslagen ib/pvv en Zvw voor het jaar 2020 verder verminderd dienen te worden. Ook de verzuimboete is in geschil.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Resultaat uit overige werkzaamheden
10. Op grond van artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001) bestaat het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden uit het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren en welke in het economische verkeer worden verricht. Ingevolge artikel 3.94 van de Wet IB 2001 is resultaat uit een werkzaamheid het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. Het toegekende persoonsgebonden budget dient te worden aangewend om verzorging in te kopen. Eiser heeft die verzorging verleend en is voor zijn werkzaamheden betaald vanuit het [budget] . De werkzaamheden van eiser zijn in het economische verkeer verricht en de inkomsten behoren tot zijn inkomen uit werk en woning (vgl. Hoge Raad 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY3626).
11. Ingevolge artikel 3.95 van de Wet IB 2001 dient het resultaat te worden bepaald met inachtneming van onder meer de artikelen 3.13 tot en met 3.21 van de Wet IB 2001, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt. Dit houdt onder meer in dat de kosten die betrekking hebben op het resultaat in beginsel in aftrek kunnen worden gebracht, indien en voor zover de aftrek daarvan niet wettelijk is uitgesloten of beperkt. Alleen de kosten die in een zakelijke relatie staan tot de inkomsten uit het persoonsgebonden budget, kunnen door eiser in aftrek worden gebracht. Daarvan is sprake indien de kosten zijn gemaakt ten behoeve van de door eiser verrichte arbeid voor de zorg.
12. De bewijslast voor de in aftrek genomen kosten rust op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, de zorg-onderhoudskosten van € 21.600 die betrekking hebben op het resultaat voor het jaar 2020 niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen enkel bewijs geleverd van gemaakte zorg-onderhoudskosten.
13. Voor wat betreft de in aftrek gebrachte reiskosten, merkt verweerder op dat eiser in 2020 niet de beschikking had over een vervoermiddel. Verweerder gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat eiser gemiddeld tweeënhalve maal per week met het openbaar vervoer vanuit [Y] naar zijn moeder in [plaats] reisde tegen een tarief van € 16,51 per enkele reis. Hierbij gaat verweerder ervan uit dat eiser naar zijn moeder reisde gedurende 48 weken per jaar. In 2020 gaat verweerder derhalve uit van een aftrek reiskosten van € 3.963. Eiser heeft hier niets tegen ingebracht en heeft zelf geen bewijs geleverd van door hem gemaakte reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoogte van de reiskosten op een juiste wijze heeft vastgesteld en zal het verzamelinkomen met dat bedrag verminderen.
Aanslag ZVW
14. Hetgeen hiervoor is opgemerkt geldt, gezien het bepaalde in artikel 43, tweede lid, onderdeel c, van de ZVW, eveneens voor het bijdrage-inkomen. Aangezien het verzamelinkomen uitsluitend bestaat uit resultaat uit overige werkzaamheden moet het bijdrage-inkomen op ditzelfde bedrag worden vastgesteld.
Belastingrente
15. Bij de aanslagen IB/PVV en ZVW heeft verweerder belastingrente aan eiser in rekening gebracht. Eiser maakt hier bezwaar tegen. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. In zijn verweerschrift geeft verweerder een gedetailleerde berekening van de hoogte van de belastingrente. Deze berekening ziet op het te betalen bedrag aan belastingrente vóórdat rekening is gehouden met de aftrek van reiskosten. De rechtbank ziet gelet op het in aftrek toelaten van de reiskosten aanleiding de berekende belastingrente IB/PVV en ZVW dienovereenkomstig te verminderen.
Verzuimboete
16. De verzuimboete is aan eiser opgelegd op grond van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Artikel 67a, eerste lid, van de AWR bepaalt dat er sprake is van een verzuim indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de door artikel 9, derde lid, van de AWR gestelde termijn heeft gedaan. De door artikel 9, derde lid, van de AWR gestelde termijn is de termijn zoals gesteld in de aanmaning. Aangezien het niet tijdig doen van aangifte een bestanddeel vormt van het beboetbare feit, kan de aanwezigheid daarvan slechts worden aangenomen als verweerder de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden stelt en (in geval van gemotiveerde betwisting door eiser) overtuigend aantoont (zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2). Opzet of grove schuld is niet vereist voor het opleggen van een verzuimboete.
17. Niet in geschil is dat eiser op de juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte over het jaar 2020. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser de vereiste aangifte niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan. Er is derhalve sprake van een verzuim.
18. Als het verzuim zich heeft voorgedaan, kan de daarvoor opgelegde verzuimboete in beginsel alleen vervallen bij afwezigheid van alle schuld (avas). Daarvoor is nodig dat eiser stelt en bij gemotiveerde betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig aangifte gedaan zou worden (vgl. HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184, rechtsoverweging 3.3). Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat sprake is van avas. De verzuimboete is daarom terecht opgelegd.
Verzuimboete passend en geboden
19. De verzuimboete heeft tot doel ervoor te zorgen dat belastingplichtigen hun wettelijke verplichtingen nakomen. Het opleggen van een bestuurlijke verzuimboete is een sanctie die naast norminscherping tevens strekt tot bestraffing. De boete dient passend en geboden te zijn en de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten (zie artikel 5:46, van de Algemene Wet Bestuursrecht).
20. Op grond van artikel 67a van de AWR kan de inspecteur ingeval van een aangifteverzuim in de inkomstenbelasting een verzuimboete opleggen tot ten hoogste € 5.514 (voor 2024). Paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingrecht schrijft voor dat de inspecteur ingeval van aangifteverzuim een verzuimboete oplegt van zeven procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR. Voor 2024 is zeven procent van het wettelijk maximum € 385.
21. Eiser heeft geen gronden aangevoerd op grond waarvan de verzuimboete zou moeten worden gematigd. Verweerder heeft een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat eiser voor de jaren 2010-2022 stelselmatig te laat was met het indienen van zijn aangifte. Verweerder stelt dat gelet op dit stelselmatige verzuim een verzuimboete tot het maximale bedrag van € 5.514 had kunnen worden opgelegd. Verweerder ziet daarom geen reden om de opgelegde verzuimboete van € 385 te verminderen. De rechtbank is van oordeel dat, met name gelet op het stelselmatige verzuim, een verzuimboete van € 385 in dit geval passend en geboden is.
Overschrijding redelijke termijn
22. De rechtbank dient ambtshalve te toetsen of de verzuimboete dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:A09006). In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De redelijke termijn vangt aan vanaf het eerste moment dat de belanghebbende in redelijkheid de verwachting mocht ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd. In dit geval vangt de redelijke termijn van twee jaar aan op 25 januari 2023, de datum waarop de aanslag IB/PVV 2020 inclusief de beschikking verzuimboete werd opgelegd.
23. De rechtbank doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Echter, omdat de boete minder bedraagt dan € 1.000 wordt de boete niet verminderd. In geval de boete lager is dan € 1.000 kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297).
Slotsom
24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Tiendagentermijn
5.1.
Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen (artikel 8:58 Algemene Pro wet bestuursrecht). De nadere stukken van belanghebbende van 27 april 2026 en 29 april 2026 (beide met bijlagen) zijn echter, ondanks dat belanghebbende daarop is gewezen, binnen die termijn ingediend. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij niet in staat is om inhoudelijk op deze stukken te reageren en heeft aan het Hof verzocht om - vanwege het late tijdstip van de indiening, de omvang van het stukken en de omstandigheid dat sprake is van nieuwe informatie die een onderzoek van feitelijke aard vergt - deze stukken als tardief buiten beschouwing te laten.
5.2.
Het Hof laat de stukken en de daarbij behorende bijlagen als tardief (te laat) buiten beschouwing en overweegt daartoe als volgt.
Het Hof dient de goede procesorde te bewaken en erop toe te zien dat de wederpartij niet in zijn procesvoering wordt geschaad. Het Hof heeft daarom het belang dat belanghebbende heeft bij een beoordeling van zijn grieven en bewijsstukken, afgewogen tegen de belangen van de goede procesorde en van een doelmatige procesgang.
Reeds op het eerste gezicht valt op dat de bijlagen bij de stukken die belanghebbende binnen de tiendagentermijn heeft ingebracht, alle dateren van ver voor het ontstaan van dit geding, waarbij het in elk geval deels gaat om informatie waar de inspecteur reeds vanaf de bezwaarfase tevergeefs om had verzocht, en dat de stukken zelf vele nieuwe stellingen (welke een onderzoek van feitelijke aard vergen) van belanghebbende bevatten. Belanghebbende heeft desgevraagd verklaard geen goede reden te hebben voor de late inbreng van de stukken. Het belang van belanghebbende om de stukken in een dergelijk laat stadium in te dienen en daarbij de nieuwe stellingen (aan de hand van de bijlagen) in te nemen weegt onder deze omstandigheden niet op tegen het algemene belang van een doelmatige procesgang.
Aftrekposten
5.3.
Ook in hoger beroep betoogt belanghebbende dat ten onrechte niet met de door hem gestelde aftrekposten rekening is gehouden. Hij brengt daartoe, samengevat, naar voren dat zijn moeder thuis kon blijven wonen omdat hij kosten voor haar vergoedde, door bijvoorbeeld de energierekening, boodschappen en zorgkosten te betalen. Als hij deze kosten niet gemaakt had, aldus belanghebbende, had zijn moeder niet thuis kunnen blijven wonen en had hij derhalve ook niet de inkomsten uit het PGB van zijn moeder genoten. Vanwege dit causale verband bestaat recht op kostenaftrek. Ook wijst hij erop dat hij niet met het openbaar vervoer naar zijn moeder reisde, maar de lease-auto van zijn partner, hetgeen tot een hoger bedrag aan te honoreren reiskosten leidt.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en heeft de aanwezigheid van voor aftrek in aanmerking komende kosten die nog niet in aftrek zijn toegelaten gemotiveerd betwist.
5.4.
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in r.o. 10 tot en met 14 op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen en neemt dit oordeel alsmede de gronden waarop dit is gebaseerd over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht, werpt geen ander of nieuw licht op de zaak.
Ten aanzien van de in aftrek gebrachte reiskosten, merkt het Hof nog op dat, zo al aangenomen moet worden dat belanghebbende gebruik kon maken van de lease-auto van zijn partner, daarmee niet aannemelijk is geworden of, en zo ja in hoeverre, daarmee aftrekbare reiskosten voor belanghebbende zijn gemoeid. Ook zou in die situatie overigens geen ruimte meer zijn voor het in aftrek toelaten van reiskosten voor reizen met het openbaar vervoer.
Verzuimboete
5.5.
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in r.o. 16 tot en met 21 op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen omtrent de verzuimboete en neemt dit oordeel alsmede de gronden waarop dit is gebaseerd over en maakt deze tot de zijne. In de door belanghebbende ter zitting van het Hof bijgebrachte grond – kortgezegd dat hij in de periode waarin hij de aangifte had moeten doen druk was met de verzorging van zijn moeder – ziet het Hof, gelet op het door de rechtbank overwogene, geen aanleiding tot vernietiging of matiging van de boete. Ook het Hof acht een verzuimboete van € 385 in dit geval passend en geboden.
Hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens nog naar voren heeft gebracht werpt geen ander of nieuw licht op de zaak.
Overige oordelen
5.6.
Voorts merkt het Hof op dat dat belanghebbende tegen de overige oordelen van de rechtbank (belastingrente, overschrijding redelijke termijn) in hoger beroep geen grieven heeft gericht.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

6.Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, B.A. van Brummelen en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: