Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1611

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.345.033/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:19 WvggzArt. 10:12 WvggzArt. 1:7 WvggzArt. 6:106 BWArt. 1:6 lid 4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep schadevergoeding wegens termijnoverschrijding bij beëindiging zorgmachtiging Wvggz

Betrokkene had een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en verzocht om beëindiging van de verplichte zorg. De officier van justitie diende het verzoek tot beëindiging echter niet onverwijld in bij de rechtbank, waardoor sprake was van een termijnoverschrijding.

De rechtbank wees het verzoek tot schadevergoeding af omdat betrokkene geen concrete schade had onderbouwd. Het hof oordeelde dat volgens de Hoge Raad bij overschrijding van een beslistermijn in de Wvggz de betrokkene zonder nadere onderbouwing recht heeft op een schadevergoeding wegens immateriële schade zoals spanning en frustratie.

Het hof stelde vast dat de officier van justitie de medische verklaring te laat ontving en het verzoek pas na 23 dagen indiende, wat onnodige vertraging opleverde. De schadevergoeding werd vastgesteld op €230,-, hoger dan het door betrokkene gevorderde bedrag. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof kent betrokkene een schadevergoeding van €230 toe wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.345.033/01
zaaknummer rechtbank: C/15/352304 / FA RK 24-2356
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[betrokkene],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. R.J. Wortelboer te Heerhugowaard.
en
de Staat der Nederlanden
waarvan de zetel is gevestigd in Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de Staat.
Daarnaast heeft het hof als belanghebbende aangemerkt:
- het Openbaar Ministerie (hierna: het OM).

1.De zaak in het kort

1.1
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar heeft een verzoek tot schadevergoeding van betrokkene op grond van artikel 10:12 lid 3 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg afgewezen.
Betrokkene is het daar niet mee eens en wil dat het hof alsnog aan hem schadevergoeding toekent.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Betrokkene is op 21 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 6 juni 2024 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van betrokkene van 8 november 2024, met bijlagen.
2.3
Het Openbaar Ministerie heeft geen verweerschrift ingediend.
2.4
De mondelinge behandeling van de zaak stond aanvankelijk gepland op de zitting van 13 mei 2025. Deze heeft geen doorgang gevonden, omdat abusievelijk de Staat niet als belanghebbende was opgeroepen. Op 12 juni 2025 is het beroepschrift alsnog aan de Staat gezonden en is de Staat een verweertermijn gegeven tot en met 8 juli 2025.
2.5
De Staat heeft geen verweerschrift ingediend.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- betrokkene en zijn advocaat;
- het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door advocaat-generaal mr. R.C. Tdlohreg.
2.7
Na afloop van de mondelinge behandeling is, met instemming van het hof, namens betrokkene bij e-mail van 9 december 2025 nog de hierna te noemen medische verklaring van 2 mei 2024 ingediend.

3.De feiten

3.1
Bij beschikking van de rechtbank van 11 oktober 2023 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 11 oktober 2024. Op grond van die zorgmachtiging werd aan betrokkene verplichte zorg verleend in de vorm van het toedienen van medicatie in depotvorm.
3.2
Betrokkene heeft op 21 maart 2024 een aanvraag ingediend bij de geneesheer-directeur en hem verzocht om de verplichte zorg die op grond van de zorgmachtiging werd gegeven te beëindigen.
3.3
De geneesheer-directeur heeft bij beslissing van 28 maart 2024 aan betrokkene meegedeeld dat hij de verplichte zorg niet zal beëindigen. Als motivering heeft de geneesheer-directeur naar voren gebracht dat betrokkene ontkent aan een psychose te lijden en meent geen medicatie nodig te hebben. Zonder medicatie zal betrokkene volgens de geneesheer-directeur opnieuw toenemend psychotisch worden en opnieuw overlast in zijn buurt veroorzaken waardoor hij mogelijk zijn woning zal verliezen en terug kan vallen in zijn verslaving.
3.4
De advocaat van betrokkene heeft op 12 april 2024 bij de officier van justitie een aanvraag ingediend om een verzoek tot beëindiging van de verplichte zorg bij de rechtbank in te dienen.
3.5
Op 13 mei 2024 heeft de officier van justitie dit verzoek bij de rechtbank ingediend. De officier van justitie heeft daarbij verklaard geen aanleiding te zien om de zorgmachtiging te beëindigen.
3.6
Bij de - in zoverre niet - bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging afgewezen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een op artikel 10:12 lid 3 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) gebaseerd verzoek tot schadevergoeding van betrokkene afgewezen.
4.2
Betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, zijn verzoek alsnog toe te wijzen en aan hem een schadevergoeding ter hoogte van € 220,- toe te kennen, althans een zodanig bedrag al het hof in goede justitie rechtvaardig acht.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Artikel 8:19 Wvggz Pro bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, als volgt:
1. Indien de geneesheer-directeur afwijzend of niet tijdig beslist op de aanvraag tot beëindiging van de verplichte zorg op grond van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging, kan degene die de aanvraag heeft ingediend bij de officier van justitie een aanvraag indienen om een verzoekschrift voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging bij de rechter in te dienen. Ter voorbereiding van een verzoekschrift voor de beëindiging van de verplichte zorg aan de rechter draagt de geneesheer-directeur zorg voor een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en overlegt deze aan de officier van justitie.
2. (…)
3. De officier van justitie dient het verzoekschrift voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging onverwijld bij de rechter in en voegt bij het verzoekschrift:
(…)
d. de medische verklaring (…).
Ingevolge artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro kan de betrokkene de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat, indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
5.2
Ter zitting van de rechtbank heeft de advocaat van betrokkene verzocht om betrokkene een schadevergoeding toe te kennen, omdat de officier van justitie heeft nagelaten het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging 'onverwijld' bij de rechtbank in te dienen, als bedoeld in artikel 8:19, derde lid, Wvggz. Onder verwijzing naar een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:6524) stelt de advocaat dat 'onverwijld' neerkomt op ten hoogste zeven dagen. In dit geval heeft betrokkene op 12 april 2024 aan de officier van justitie verzocht om bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging in te dienen. Gelet op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam had de officier van justitie dit verzoek uiterlijk op 19 april 2024 bij de rechtbank moeten indienen. De officier van justitie heeft pas op 13 mei 2024 het verzoek bij de rechtbank ingediend. De officier van justitie was daarom van 20 april 2024 tot 13 mei 2024 daarmee in verzuim, te weten 22 dagen. In de zaak bij rechtbank Rotterdam is een schadevergoeding van € 10,00 per dag toegekend, aldus de advocaat.
5.3
In eerste aanleg heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat geen sprake was van onnodige vertraging en dat het verzoekschrift onverwijld is ingediend. De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep evenwel een ander standpunt betrokken. Hij wijst erop dat indien niet bevredigend kan worden uitgelegd dat het opstellen van een nadere medische verklaring twintig dagen vergt, daaraan consequenties mogen worden verbonden. Er is in deze zaak volgens hem geen bevredigende tekst en uitleg gegeven. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat een termijn van een week ruim genoeg was om de indiening van het verzoek ter hand te nemen.
5.4
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de officier van justitie het verzoekschrift niet onverwijld bij de rechtbank heeft ingediend en dat dus sprake is van een termijnoverschrijding. Zij overwoog voorts dat, gelet op de termijnoverschrijding, er krachtens artikel 10:12, derde lid, Wvggz grond voor toekenning van schadevergoeding is. Niettemin heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, omdat betrokkene niet had onderbouwd dat hij schade heeft geleden en welke schade hij heeft geleden door de termijnoverschrijding, terwijl dit volgens de rechtbank wel op zijn weg lag.
5.5
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat betrokkene op vrijdag 12 april 2024 een aanvraag heeft ingediend om een verzoekschrift voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging bij de rechtbank in te dienen. Behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen moet de officier van justitie op grond van artikel 8:19 lid 3 Wvggz Pro dat verzoekschrift vervolgens onverwijld bij de rechter indienen. Ter voorbereiding van dit verzoekschrift draagt de geneesheer-directeur zorg voor een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. De officier van justitie dient deze medische verklaring bij het verzoekschrift te voegen.
De officier van justitie heeft op dinsdag 16 april 2024 ter voorbereiding van het in te dienen verzoek aan de geneesheer-directeur verzocht om een actuele medische verklaring. Hij heeft die medische verklaring (gedateerd 2 mei 2024) op dinsdag 7 mei 2024 van de geneesheer-directeur ontvangen en heeft vervolgens op maandag 13 mei 2024 het verzoekschrift voor de beëindiging van de verplichte zorg bij de rechtbank ingediend.
5.6
Voor de beoordeling of deze gang van zaken een termijnoverschrijding oplevert, komt het in de eerste plaats aan op de vraag wat moet worden verstaan onder onverwijlde indiening van het verzoek als bedoeld in artikel 8:19 lid 3 Wvggz Pro. Naar het oordeel van het hof moeten bij de beoordeling van die termijn in een concrete zaak alle omstandigheden van het geval in acht genomen worden. Anders dan de advocaat lijkt te betogen, betekent dat niet dat steeds uitgegaan moet worden van een termijn van maximaal zeven dagen. Ook de rechtbank Rotterdam ging daarvan in de door de advocaat aangehaalde uitspraak niet uit, nu zij blijkens haar beschikking tot die termijn kwam ‘in de gegeven omstandigheden’.
5.7
De term ‘onverwijld’ duidt in het algemeen erop dat de voorgeschreven handeling zonder uitstel wordt uitgevoerd. Zij wordt op verschillende plaatsen in de Wvggz gebezigd, steeds in een context waarin (mogelijke) gedwongen zorg en/of vrijheidsbeneming van de betrokkene of de voortzetting daarvan aan de orde is. Dat betekent dat naar zijn aard sprake is van een korte termijn. In het geval van artikel 8:19 lid 3 Wvggz Pro moet echter wel rekening worden gehouden met het feit dat aan de indiening van het verzoek enige voorbereidingstijd voorafgaat omdat de officier van justitie een actuele medische verklaring dient bij te voegen, die hij bij de geneesheer-directeur zal moeten opvragen. De term onverwijld duidt er echter op dat ook in dat voorbereidingsproces geen onnodige vertraging mag ontstaan.
In dit geval is sprake van een periode van drie weken tussen het verzoek van de officier van justitie aan de geneesheer-directeur om een medische verklaring en de ontvangst daarvan. Vervolgens heeft het nog bijna een week geduurd voordat de officier van justitie overging tot indiening van het verzoek bij de rechtbank. Een verklaring voor deze vertraging is uitgebleven, behoudens dat de officier van justitie in eerste aanleg schriftelijk heeft verklaard dat na ontvangst van de medische verklaring de zaak intern is besproken en op vrijdag 10 mei 2024 is geregistreerd. Een verklaring waarom met het opstellen van een nieuwe medische verklaring drie weken gemoeid was, is uitgebleven. Niet is gebleken van enig rappel van de kant van de officier van justitie aan de geneesheer-directeur, terwijl het de wettelijke verantwoordelijkheid van de officier van justitie is om ervoor te zorgen dat het verzoekschrift onverwijld bij de rechtbank wordt ingediend. Gelet op dit alles behoort de vertraging in het afgeven van die verklaring voor rekening van de officier van justitie komen. Ook na de ontvangst van de medische verklaring heeft het nog bijna een week geduurd voordat het verzoekschrift bij de rechtbank werd ingediend. Dat de aanvraag nog intern besproken moest worden en geregistreerd is daarvoor geen afdoende verklaring, zeker niet in het licht van de al eerder ontstane vertraging in het afgeven van de medische verklaring.
5.8
Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat de indieningstermijn van artikel 18 lid 3 Wvggz Pro is overschreden. Er is dus grond om aan betrokkene op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro een schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen.
5.9
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat betrokkene zijn schade onvoldoende had onderbouwd. Betrokkene voert met zijn tweede grief terecht aan dat die eis van onderbouwing in strijd komt met wat de Hoge Raad heeft overwogen in zijn beschikking van 31 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:504, r.o. 3.4.). Daarin overwoog de Hoge Raad dat indien de rechter of de officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn heeft overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, uitgangspunt is, behoudens bijzondere omstandigheden, dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. De betrokkene heeft in een zodanig geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW Pro, aldus de Hoge Raad. Dit betekent dat betrokkene in zo’n geval niet gehouden is zijn schade nader met concrete gegevens te onderbouwen. Dat is dus anders dan indien iemand vergoeding van immateriële schade vordert wegens een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b. van het Burgerlijk Wetboek.
5.1
Voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding zal het hof aansluiting zoeken bij de op www.rechtspraak.nl gepubliceerde oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken. Nu de geleden schade het gevolg is van de overschrijding van een beslistermijn, bedraagt de schadevergoeding dan als uitgangspunt € 10,- per dag. Het hof acht dat in de zaak van betrokkene al met al een billijke vergoeding. Omstandigheden die ertoe leiden dat van dat bedrag zou moeten worden afgeweken zijn gesteld noch gebleken.
5.11
Het gaat dan vervolgens nog om de vraag hoe groot de termijnoverschrijding is geweest. De rechtbank heeft dat in het midden gelaten; daarover klaagt betrokkene met zijn eerste grief. Hij vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten daaraan een concrete invulling te geven, waardoor geen duidelijkheid is geschapen richting het Openbaar Ministerie.
Zoals het hof hierboven reeds heeft overwogen zal de invulling die aan het begrip onverwijld moet worden gegeven van geval tot geval verschillen, afhankelijk van de omstandigheden. In eerste aanleg heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat dit een termijn van ten hoogste zeven dagen zou moeten zijn. Bij gebreke van andersluidende informatie acht het hof, net als de advocaat-generaal, die termijn niet onredelijk. Dit betekent dat de officier van justitie het verzoek uiterlijk op 19 april 2024 bij de rechtbank had moeten indienen. Nu het verzoek pas op 13 mei 2024 is ingediend, bedraagt de termijnoverschrijding in totaal drieëntwintig dagen, zodat betrokkene recht heeft op een vergoeding van € 230,-. Dat is een hoger bedrag dan het door betrokkene verzochte bedrag van € 220,-, omdat deze abusievelijk is uitgegaan van een termijnoverschrijding van tweeëntwintig dagen. Daar komt bij dat bij de bepaling van een toe te kennen immateriële schadevergoeding de rechter niet is gebonden aan een door betrokkene verzocht bedrag, nu het immers gaat om een toekenning naar billijkheid (vgl. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73, r.o. 5.3). Het hof zal dus een schadevergoeding van € 230,- toekennen. De bestreden beschikking kan in zoverre dus niet in stand blijven.
5.12
De Staat zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten van de betrokkene in hoger beroep, tot op heden begroot op nihil wegens griffierecht en € 2.736,- wegens salaris van de advocaat (tarief 1, drie punten). Voor een proceskostenveroordeling voor de procedure in eerste aanleg ziet het hof geen aanleiding, omdat partijen daar achteraf gezien als over en weer deels in het ongelijk gesteld moeten worden beschouwd.
5.13
Het hof overweegt ten overvloede dat het deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, nu de wet al bepaalt dat zij uitvoerbaar bij voorraad is (art. 1:6 lid 4 Wvggz Pro).
5.14
De advocaat van betrokkene heeft ten slotte verzocht om een door het hof af te geven last tot toevoeging. Dat verzoek wijst het hof af. Artikel 1:7 Wvggz Pro biedt geen grondslag voor een last tot toevoeging in geval van een schadevergoedingsverzoek als bedoeld in artikel 10:12 Wvggz Pro. Dat een last tot toevoeging op grond van artikel 1:7 lid 1 aanhef Pro en onder c. Wvggz wel wordt afgegeven in geval van een beroep tegen een beslissing van de geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 8:19 Wvggz Pro maakt dat niet anders, omdat laatstgenoemde procedure een andere is dan het op artikel 10:12 Wvggz Pro gebaseerde schadevergoedingsverzoek, ook indien beide zaken door de rechtbank gelijktijdig worden behandeld, zoals in deze zaak is gebeurd. De advocaat van betrokkene heeft er op gewezen dat de Raad voor de Rechtspraak in een advies van 28 mei 2025, naar aanleiding van de internetconsultatie van het wetsvoorstel voor de Evaluatiewet Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang, adviseert om de procedure ex art. 10:12 Wvggz Pro alsnog toe te voegen aan art. 1:7 Wvggz Pro. Het hof stelt echter vast dat het consultatiewetsvoorstel daar niet in voorziet en dat momenteel geen nader standpunt van de regering hierover is gepubliceerd. Het hof ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op een onzekere wetswijziging.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 6 juni 2024, voor zover daarbij het verzoek tot schadevergoeding van betrokkene is afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de Staat tot betaling van een bedrag van € 230,- aan betrokkene;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, tot op heden begroot op € 2.736,-;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.