Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake afpersing gepleegd door meerdere personen. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken voor een van de zaken, maar het hof verklaarde het hoger beroep tegen die vrijspraak niet-ontvankelijk vanwege wettelijke beperkingen.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank voor zover het oordeel aan het hof was voorgelegd, maar vernietigde het vonnis met betrekking tot de duur van de proeftijd die verbonden was aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf. De proeftijd werd vastgesteld op één jaar.
Het openbaar ministerie had de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand gevorderd, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt. Het hof besloot in plaats van gevangenisstraf een taakstraf van 120 uur op te leggen.
De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 juni 2026.