ECLI:NL:GHAMS:2026:1670

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.349.867
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:248 lid 1 BWZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijheid zorgverzekeraar om vergoeding steunzolen te beperken tot podotherapeuten

De zaak betreft een geschil tussen zorgaanbieders aangesloten bij Stichting LOOP en zorgverzekeraars VGZ e.a. over de vergoeding van steunzolen via aanvullende zorgverzekeringen. Stichting LOOP vertegenwoordigt registerpodologen en podoposturaal therapeuten die voetzorg verlenen, maar niet podotherapeuten. VGZ e.a. besloten de vergoeding voor steunzolen afgeleverd door registerpodologen en podoposturaal therapeuten te beëindigen, wat door Stichting LOOP werd bestreden.

De rechtbank oordeelde dat VGZ e.a. vrij zijn om in hun polisvoorwaarden de vergoeding te beperken tot steunzolen geleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van Stichting LOOP af. Het hof overweegt dat aanvullende zorgverzekeringen schadeverzekeringen zijn waarbij verzekeraars vrijheid hebben om voorwaarden te bepalen, waaronder welke zorgaanbieders in aanmerking komen voor vergoeding.

Verder oordeelt het hof dat er geen overeenkomst bestaat die VGZ e.a. verplicht tot vergoeding van steunzolen geleverd door de aangesloten zorgaanbieders van Stichting LOOP. Ook het beroep op onrechtmatig handelen op grond van schakeljurisprudentie faalt, omdat de belangen van derden niet zodanig zijn betrokken dat VGZ e.a. hun voorwaarden niet mogen aanpassen. Het hof veroordeelt Stichting LOOP in de proceskosten en verklaart voor recht dat VGZ e.a. vrij zijn om de vergoeding te beëindigen.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat VGZ e.a. vrij zijn om de vergoeding van steunzolen te beperken tot podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen en niet onrechtmatig handelen door de vergoeding aan andere zorgaanbieders te beëindigen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.349.867/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/15/333568 / HA ZA 22-668
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
in de zaak van

1.PODOCENTRUM ALKMAAR B.V.,

gevestigd te Alkmaar,
2.
[appellant 1],
handelend onder de naam PODOLOGIC,
gevestigd te Ommen,
3.
[appellant 2]en
[appellant 3],
vennoten van SHOE-FIT V.O.F.,
gevestigd te Tegelen,
4.
[appellant 4],
handelend onder de naam PODOZORG NIEUWPOORT,
gevestigd te Nieuwpoort,
5.
STICHTING VOOR VOET- EN HOUDING BEROEPEN,
handelend onder de naam STICHTING LANDELIJK OVERKOEPELEND ORGAAN
VOOR PODOLOGIE,
gevestigd te Utrecht,
appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. T.A.M. van den Ende te Utrecht,
tegen

1.VGZ U.A.,

2.
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
3.
IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,
4.
N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,
5.
N.V. UNIVÉ ZORG,
allen gevestigd te Arnhem,
geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.E. Jannink te Amsterdam.
Partijen worden hierna LOOP e.a. en VGZ e.a. genoemd.
Appellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep worden gezamenlijk ook aangeduid als de aangesloten zorgaanbieders.
Appellante 5 in principaal hoger beroep wordt afzonderlijk aangeduid als Stichting LOOP.

1.De zaak in het kort

De bij Stichting LOOP aangesloten zorgaanbieders verlenen voetzorg. Zij verstrekken onder meer steunzolen aan hun cliënten. Deze verstrekkingen vallen niet onder de verplichte basiszorgverzekering. VGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. De procedure gaat om de vraag of VGZ e.a. verplicht zijn de kosten van de steunzolen aan hun verzekerden te vergoeden als deze een aanvullende zorgverzekering hebben en de steunzolen worden verstrekt door registerpodologen of podoposturaal therapeuten, die geen podotherapeut zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is, en het hof is het daarmee eens.

2.Het geding in hoger beroep

LOOP e.a. zijn bij dagvaarding van 3 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen VGZ e.a. als eisers in conventie, verweerders in reconventie en LOOP e.a. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord in principaal hoger beroep/memorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens akte wijziging eis, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte bezwaar wijziging eis.
Op 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. VGZ e.a. hebben nog een productie in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
VGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. Stichting Loop is een brancheorganisatie. Zij behartigt de belangen van zorgaanbieders op het gebied van podologie. Zorgaanbieders die bij Stichting Loop zijn aangesloten zijn onder andere registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Een registerpodoloog is gespecialiseerd in het onderzoeken en behandelen van klachten die ontstaan in de stand van de voeten. Een podoposturaal therapeut maakt gebruik van reflexwerking onder de voeten om stands- en houdingsverandering hoger in het lichaam teweeg te brengen. Naast registerpodologen en podoposturaal therapeuten verlenen ook podotherapeuten voetzorg. Podotherapeuten zijn niet bij Stichting LOOP aangesloten.
De appellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep zijn zorgaanbieders die zijn aangesloten bij Stichting LOOP.
3.2.
Zowel podotherapeuten als registerpodologen en podoposturaal therapeuten kunnen steunzolen leveren. Tot 2015 bestond tussen Stichting LOOP en VGZ e.a. een overeenkomst op grond waarvan Stichting LOOP de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen bij VGZ e.a. declareerde. VGZ e.a. vergoedden deze kosten als de desbetreffende aanvullende zorgverzekering in een vergoeding voor de kosten van steunzolen voorzag. Vanaf 2015 moesten de aangesloten zorgaanbieders zelf de kosten bij VGZ e.a. declareren. Sindsdien is er tussen Stichting LOOP e.a. en VGZ e.a. gecorrespondeerd over het wel of niet blijven vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen.
3.3.
VGZ e.a. hebben in 2020 besloten het vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te beëindigen met ingang van 2021.
Bij vonnis van 10 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding onder meer VGZ e.a. geboden ‘het op 18 juni 2020 genomen besluit om de door
registerpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en/of therapiezolen vanaf
1 januari 2021 niet langer vanuit de aanvullende verzekering te vergoeden, zoals zij dat op
dit moment nog wel doen, met onmiddellijke ingang ongedaan te maken’ en VGZ e.a. veroordeeld ‘om het afleveren van steun- en therapiezolen door registerpodologen en
podoposturaal therapeuten aan haar verzekerden met een aanvullende verzekering
gedurende het jaar 2021 te blijven vergoeden overeenkomstig de wijze van vergoeding in
2020’ en ‘op hun website(s) binnen vijf werkdagen na heden bekend te maken dat de vergoeding van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en therapiezolen in 2021 gehandhaafd blijft’.
3.4.
VGZ e.a. hebben Stichting LOOP op 16 augustus 2021 bericht dat zij met ingang van 1 januari 2022 de kosten van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen niet langer vanuit de aanvullende zorgverzekering zouden vergoeden. Bij vonnis van 27 september 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding VGZ e.a. verboden om aan dit besluit uitvoering te geven.
3.5.
Bij arrest van 15 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kortgedingvonnis van 10 november 2020 bekrachtigd wat betreft de in 3.3 vermelde beslissingen.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
VGZ e.a. hebben bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het VGZ e.a. jegens gedaagden vrijstaat om in haar polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten, met veroordeling van LOOP e.a. in de proceskosten.
4.2.
LOOP e.a. hebben in reconventie gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat VGZ e.a. jegens LOOP e.a. onrechtmatig handelen:
- door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en
- door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden,
met veroordeling van VGZ e.a. in de proceskosten.
4.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat het VGZ e.a. vrijstaat om in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen uit te sluiten. De vorderingen van LOOP e.a. in reconventie zijn afgewezen. LOOP e.a. zijn in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1.
LOOP e.a. vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van VGZ e.a. alsnog zal afwijzen en, met wijziging van hun oorspronkelijke (reconventionele) eis, te verklaren voor recht:
- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en
- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door deze voetzorg niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden; en
- dat VGZ e.a. gehouden zijn de vergoeding van de steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten onverminderd voort te zetten conform de door haar gemaakte afspraak,
met veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van VGZ e.a. in de proceskosten.
5.2.
Volgens VGZ e.a. moet het hof de vorderingen van LOOP e.a. afwijzen en het vonnis bekrachtigen.
5.3.
VGZ e.a. vorderen daarnaast in incidenteel hoger beroep, met wijziging van hun oorspronkelijke eis, dat het hof voor recht zal verklaren dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrijstaat om:
- in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;
- de coulancevergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen dan wel podoposturaal therapeuten te beëindigen,
met veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van LOOP e.a. in de proceskosten.

6.Beoordeling

6.1.
Deze procedure gaat over het vergoeden van de kosten voor voetzorg, in het bijzonder de kosten voor steunzolen, aan verzekerden van VGZ e.a. Het afleveren van steunzolen is geen verzekerde prestatie onder de verplichte zorgverzekering (de basisverzekering). De aanvullende zorgverzekeringen die VGZ e.a. aanbieden, voorzien in veel gevallen wel in een vergoeding. Aan een dergelijke vergoeding zijn voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in de polisvoorwaarden van deze aanvullende verzekeringen.
6.2.
In de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is als voorwaarde voor het vergoeden van de kosten van steunzolen opgenomen dat de steunzolen moeten zijn afgeleverd door een podotherapeut of een orthopedische schoenmakerij (SEMH-OSB) of werkplaats (SEMH-OIM). De polisvoorwaarden van sommige aanvullende zorgverzekeringen stonden daarnaast vergoeding toe van steunzolen die werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten.
6.3.
Tussen VGZ e.a. en Stichting LOOP heeft gedurende een aantal jaren tot 2015 een overeenkomst bestaan op grond waarvan podoposturaal therapeuten en registerpodologen die bij Stichting LOOP waren aangesloten, voetzorg onder de basisverzekering mochten leveren en tevens onder de aanvullende zorgverzekeringen steunzolen mochten afleveren, voor zover die verzekeringen toelieten dat steunzolen ook werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten. Vanaf 2015 vergoeden VGZ e.a. onder de basisverzekering geen voetzorg meer die wordt verleend door podoposturaal therapeuten en registerpodologen. In overleg met Stichting LOOP zijn VGZ e.a. vanaf 2015 nog wel – buiten de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen om – de kosten blijven vergoeden van steunzolen die werden afgeleverd door bij Stichting LOOP aangesloten registerpodologen, voor zover het ging om aanvullende zorgverzekeringen die wél voorzagen in een vergoeding van door podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen.
6.4.
VGZ e.a. hebben de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen met ingang van 2020 aangepast, waardoor de aanspraak op vergoeding verviel voor de kosten van steunzolen die podoposturaal therapeuten afleverden. Na overleg met Stichting LOOP hebben VGZ e.a. besloten de praktijk van het vergoeden van kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen in 2020 nog voort te zetten. Vervolgens is deze vergoeding blijven bestaan op grond van de in kort geding gegeven uitspraken.
Uitgangspunt
6.5.
Een aanvullende zorgverzekering is een schadeverzekering. Het hof stelt voorop dat aan VGZ e.a. als zorgverzekeraars de vrijheid toekomt om de aanvullende zorgverzekeringen naar eigen inzichten vorm te geven. Dit is een wezenlijk verschil met de basisverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet, die moet voldoen aan hetgeen daarover bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven mogen gaan. Het uitgangspunt is dan ook dat VGZ e.a. in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor kosten van steunzolen mogen beperken tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen of werkplaatsen.
Schakeljurisprudentie (onrechtmatig handelen)
6.6.
LOOP e.a. bepleiten een beperking van de vrijheid die VGZ e.a. op dit punt toekomt.
Zij doen daarvoor onder meer een beroep op de zogenoemde schakeljurisprudentie.
De grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep hebben hierop betrekking.
De schakeljurisprudentie houdt het volgende in:
‘Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.’ In dit ‘beoordelingskader is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn’ (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, rov. 3.3.2 en 3.3.3, HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, rov: 3.4).
6.7.
In de kern komt het betoog van LOOP e.a. erop neer dat zij er een belang bij hebben dat VGZ e.a. de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen aan hun aanvullend verzekerden blijven vergoeden en dat VGZ e.a. hun keuzes bij het vaststellen van de voorwaarden voor het vergoeden van deze kosten mede moeten laten bepalen door dit belang. Volgens LOOP e.a. maakt het daarbij niet uit of VGZ e.a. al dan niet jegens hun verzekerden tekortschieten in het nakomen van verplichtingen op grond van de aanvullende zorgverzekering als de vergoedingen voor door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen van dekking worden uitgesloten. LOOP e.a. zien het overigens ook als een belang van de aanvullend verzekerden om vergoeding te blijven ontvangen voor dergelijke steunzolen.
6.8.
Het hof is van oordeel dat het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten tussen VGZ e.a. en hun aanvullend verzekerden niet in het gedrang komt als VGZ e.a. de kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet meer vergoeden. Het staat namelijk niet ter discussie dat VGZ e.a. de polisvoorwaarden in de relatie met hun verzekerden (jaarlijks) hebben mogen aanpassen en dat dit plaatsvindt met instemming van de verzekerden. Deze verzekerden kunnen hun aanvullende verzekering opzeggen en overstappen naar een andere verzekeraar die andere voorwaarden hanteert, indien de aanpassing hun instemming niet heeft. Er is bovendien geen of onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aanvullend verzekerden in de praktijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen in het geval de vergoeding daarvan volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is beperkt tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten.
6.9.
De vraag is dus of VGZ e.a., ondanks het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten met betrekking tot de aanvullende zorgverzekeringen, verplicht zijn om in het belang van LOOP e.a. de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te vergoeden. De aard en strekking van de aanvullende zorgverzekering dwingen daar niet toe. Het gaat als gezegd immers om een schadeverzekering die VGZ e.a. als verzekeraars juist de vrijheid geeft om zelf de voorwaarden te bepalen voor het verstrekken van vergoedingen. Deze vrijheid brengt mee dat VGZ e.a. mogen bepalen welke zorgaanbieders de zorg mogen verlenen die voor vergoeding in aanmerking komt. VGZ e.a. mogen daarbij hun eigen afwegingen maken, zoals in dit geval over de kosten van de zorg (wat betreft de steunzolen) zoals die blijken uit hun administratie, de kwalificaties die de zorgverleners hebben (opleiding, BIG-registratie) en de verbinding tussen basiszorg en aanvullende zorg voor hun verzekerden (stepped care-beginsel). Het gaat er niet om of LOOP e.a. het eens zijn met deze afwegingen en evenmin of er andere of betere afwegingen mogelijk zijn. Het gaat erom dat VGZ e.a. deze afwegingen mogen maken en dat de gemaakte afwegingen niet kennelijk onredelijk zijn of op andere wijze de vrijheid te buiten gaan die VGZ e.a. in dit verband hebben. Het onderscheid dat VGZ e.a. maken tussen de zorg die podotherapeuten verlenen en die podoposturaal therapeuten en registerpodologen verlenen, is dan ook geen verboden onderscheid.
6.10.
Voor de aangesloten zorgaanbieders kan dit meebrengen dat zij cliënten verliezen of minder cliënten aantrekken, en dat is VGZ e.a. bekend, maar dit is eigen aan het systeem van schadeverzekeringen en de daarin besloten contractsvrijheid, die dus ook geldt voor de aanvullende zorgverzekering. Dit mogelijk financieel nadeel verschaft geen aanspraak jegens VGZ e.a. op vergoeding. Het zou ook bezwaarlijk voor VGZ e.a. zijn om het maken van keuzes ten aanzien van de voorwaarden voor vergoeding mede te moeten laten bepalen door financiële aanspraken van zorgaanbieders, omdat het honoreren van de aanspraak van de één kan leiden tot nadeel van de aanspraak van de ander en/of ten koste kan gaan van het beperken van zorgkosten in het algemeen. De aangesloten zorgaanbieders hebben geen andere positie dan de positie van andere aanbieders van diensten waarvan de kosten niet vallen onder een schadeverzekering die een verzekerde heeft afgesloten.
6.11.
VGZ e.a. hebben vanaf 2015 bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Aan de omstandigheid dat in overleg de vergoeding enkele jaren is blijven bestaan, hebben LOOP e.a. niet het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat VGZ e.a. de vergoeding niet meer zouden beëindigen. Daarbij komt dat de aangesloten zorgaanbieders inmiddels enkele jaren de tijd hebben gekregen, ook door de uitspraken in kort geding, om hun bedrijfsvoering aan te passen en zich in te dekken tegen het verlies van de vergoeding. Het is gebleken dat zij dit ook hebben gedaan, met name door zich bij te scholen tot podotherapeut of door een of meer podotherapeuten bij hun praktijk te betrekken.
6.12.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de conclusie dat VGZ e.a. niet onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen niet meer te vergoeden. Het hof tekent hierbij aan dat VGZ e.a. hebben verklaard dat dit zal gelden vanaf
1 januari 2027, zoals VGZ e.a. hebben aangekondigd in een brief van 8 april 2026 (productie 30 in hoger beroep), en dat verstrekte vergoedingen niet zullen worden teruggevorderd.
6.13.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slagen.
Overeenkomst
6.14.
LOOP e.a. hebben niet alleen aangevoerd dat VGZ e.a. onrechtmatig handelen als zij de vergoeding beëindigen, maar ook dat er een overeenkomst met LOOP e.a. is die VGZ e.a. verplicht om de kosten van de door LOOP e.a. af te leveren steunzolen te blijven vergoeden. Het wel of niet bestaan van deze overeenkomst is onderwerp van de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep.
6.15.
LOOP e.a. stellen in hun memorie van grieven (nr. 5.4) dat VGZ e.a. bij e-mail van
22 november 2015 de afspraak (kennelijk: met LOOP e.a.) hebben gemaakt om de kosten te blijven vergoeden van de steunzolen die door podoposturaal therapeuten en registerpodologen zijn afgeleverd. Volgens LOOP e.a. is deze afspraak bij e-mail van 11 maart 2019 bevestigd. LOOP e.a. voeren aan dat hiermee een nieuwe overeenkomst is gesloten (memorie van grieven nr. 5.5) en dat VGZ e.a. op grond daarvan de kosten zijn blijven vergoeden, en niet op grond van de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen.
6.16.
De e-mails waar LOOP e.a. naar verwijzen, moeten worden gelezen in de context waarin deze zijn verzonden. Vanaf 2015 is het vergoeden van voetzorg onder de basisverzekering door podoposturaal therapeuten en registerpodologen vervallen, terwijl de kosten van door dezen afgeleverde steunzolen onder verschillende aanvullende zorgverzekeringen nog wel werden vergoed. Uit de e-mail van 22 november 2015 van een zorginkoper van Coöperatie VGZ U.A. valt niet méér op te maken dan dat de tekst op bepaalde websites zou worden aangepast. Een overeenkomst over het vergoeden van steunzolen of het bevestigen van een dergelijke overeenkomst, valt in de e-mail niet te lezen. LOOP e.a. hebben ook geen bijkomende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij de e-mail wel op die wijze hebben begrepen en mochten begrijpen.
6.17.
De e-mail van 11 maart 2019 is van een medewerker van de afdeling Controles en Correcties Klantdeclaraties. In de e-mail wordt meegedeeld dat de afspraak uit 2015 blijft gehandhaafd en dat dit wil zeggen – in het kort – dat als een verzekerde op grond van een aanvullende zorgverzekering recht heeft op het vergoeden van de kosten van steunzolen, deze steunzolen ook mogen zijn afgeleverd door registerpodologen.
LOOP e.a. hebben hieruit mogen opmaken dat deze handelwijze in 2019 zou blijven bestaan. Er zijn echter geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zij redelijkerwijs erop hebben mogen vertrouwen dat aan deze e-mail of handelwijze een overeenkomst ten grondslag lag die inhield dat ook na 2019 aanspraak op de vergoeding kon worden gemaakt. Een dergelijke overeenkomst is ook in kort geding niet voorshands aangenomen (zie rov. 4.3 van het vonnis van 10 november 2020 van de voorzieningenrechter en rov. 3.3 van het arrest van 15 februari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).
6.18.
De gang van zaken vanaf 2015 maakt verder duidelijk dat het vergoeden van de kosten van door LOOP e.a. afgeleverde steunzolen niet berust op een gewoonte. Het vergoeden is voortdurend onderwerp geweest van gemaakte keuzes en rechterlijke uitspraken. Er is te weinig gesteld of gebleken om aan te nemen dat in de kring van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, of tussen partijen, met betrekking tot deze vergoeding een gedragslijn is aan te wijzen die zo algemeen en voortdurend wordt gevolgd, dat men binnen die kring wordt geacht haar na te leven. Het hof wijst er verder nog op dat volgens art. 6:248 lid 1 BW Pro een gewoonte mede de rechtsgevolgen van een gesloten overeenkomst kan bepalen, maar niet een overeenkomst doet ontstaan.
6.19.
Het hof merkt ten slotte op dat zelfs als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te vergoeden, en deze overeenkomst van onbepaalde duur zou zijn, er te weinig is gesteld om te oordelen dat VGZ e.a. een dergelijke overeenkomst niet op enig moment mochten of mogen beëindigen. Evenzeer is te weinig gesteld voor het oordeel dat het beëindigen van de vergoeding – en dus van een dergelijke overeenkomst als die bestaat – per
1 januari 2027, zoals VGZ e.a. nu beogen en de wijze waarop dat is gedaan, in strijd is met enige verplichting van VGZ e.a., of naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is.
6.20.
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben LOOP e.a. hun stellingen in die zin nog aangepast of uitgewerkt dat zij stellen dat de overeenkomst tussen de aangeslotenen en VGZ e.a. een betaalovereenkomst is en dat de enige wijziging in 2015 was dat de kosten niet meer via Stichting LOOP werden gedeclareerd, maar rechtstreeks door de aangesloten zorgaanbieders. Het hof kan in het midden laten of deze aanpassing toelaatbaar is in het licht van de twee-conclusieregel. Ook als het juist is wat LOOP e.a. hier stellen, kan dit niet eraan afdoen dat VGZ e.a. het vergoeden en de gestelde overeenkomst mogen beëindigen.
6.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep geen doel treffen.
Het verstrekken van informatie aan verzekerden
6.22.
Met grief 3 in principaal hoger beroep betogen LOOP e.a. dat VGZ e.a. een schimmig beleid voeren ten aanzien van het vergoeden van de kosten van steunzolen en daarover hun verzekerden onjuiste, onvolledige en/of misleidende informatie verschaffen. Volgens LOOP e.a. levert dit een wanprestatie op van VGZ e.a. jegens hun aanvullend verzekerden en lopen de aangesloten zorgaanbieders hierdoor omzet mis.
6.23.
VGZ e.a. hebben al jaren geleden een einde willen maken aan de praktijk dat de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen werden vergoed, hoewel de vergoeding niet was voorzien in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen. Het blijven vergoeden van deze kosten heeft aanvankelijk plaatsgevonden in overleg met LOOP e.a. en is sinds 2021 het gevolg van uitspraken in kort geding. Er is dus in elk geval al jarenlang geen sprake van een beleid van VGZ e.a. met betrekking tot deze vergoeding, maar van een door de rechter opgelegde verplichting. Met de onderhavige bodemprocedure willen VGZ e.a. hieraan juist een einde maken. Het verwijt dat LOOP e.a. hierover aan VGZ e.a. maken, is onterecht.
6.24.
Dat VGZ e.a. aan hun aanvullend verzekerden onjuiste of misleidende informatie verschaffen over de nu nog bestaande vergoeding voor de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen, valt uit de stellingen van LOOP e.a. niet op te maken. De vermelding op de website(s) van VGZ e.a. waarnaar LOOP e.a. verwijzen (memorie van grieven nr. 5.21) is niet kennelijk onjuist of misleidend. Of de informatie onvolledig is in die zin dat VGZ e.a. podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet op dezelfde wijze vindbaar maken als podotherapeuten, en of dit een tekortkoming jegens de aanvullend verzekerden is, hoeft het hof in deze procedure niet te beoordelen. Er is geen vordering ingesteld die daarop betrekking heeft.
6.25.
De conclusie is dat ook grief 3 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden vonnis.
Tegenvorderingen LOOP e.a.
6.26.
LOOP e.a. hebben in eerste aanleg tegenvorderingen ingesteld en die in hoger beroep gewijzigd en aangevuld. Grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep heeft hierop betrekking.
6.27.
De tegenvorderingen van LOOP e.a. hebben tot grondslag dat VGZ e.a. verplicht zijn om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te blijven vergoeden, door deze vergoeding op te nemen in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen of door het handhaven van de bestaande praktijk. Het hof heeft vastgesteld dat VGZ e.a. deze verplichting niet hebben.
De tegenvorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat ook grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slaagt.
Het incidenteel hoger beroep
6.28.
De rechtbank heeft de vorderingen van VGZ e.a. alleen toegewezen voor zover deze betrekking hebben op registerpodologen. De rechtbank heeft hiervoor als reden gegeven dat de aangesloten zorgaanbieders registerpodologen zijn en niet ook podoposturaal therapeuten. VGZ e.a. komen hiertegen op in hun grief in incidenteel hoger beroep. Zij wijzen op appellanten in principaal hoger beroep die (ook) podoposturaal therapeuten zijn of podoposturaal therapeut(en) in dienst hebben. LOOP e.a. hebben dit niet tegengesproken, zodat het hof hiervan uitgaat. De vorderingen van VGZ e.a. zijn dus ook toewijsbaar voor zover deze betrekking hebben op podoposturaal therapeuten.
6.29.
De conclusie is dat de grief van VGZ e.a. in incidenteel hoger beroep slaagt.
Het wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a.
6.30.
VGZ e.a. hebben in hoger beroep hun oorspronkelijke eis aangevuld door het vorderen van een tweede verklaring voor recht. Zij beogen hiermee zekerheid te verkrijgen dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen mogen beëindigen, kort gezegd, ongeacht op welke grondslag deze vergoeding tot nog toe werd verstrekt.
6.31.
LOOP e.a. maken bezwaar tegen het aanvullen van de eis. Zij stellen dat de aanvulling de omvang van het geschil volledig wijzigt en dat dit hun verdediging hindert, terwijl de aangevulde eis al in eerste aanleg had kunnen worden ingesteld. Zij menen dat de aanvulling in strijd is met de goede procesorde.
6.32.
Voorop staat dat partijen, ook VGZ e.a., vrij zijn om in hoger beroep hun eis te wijzigen en aan te vullen. Inherent aan deze vrijheid is dat het niet uitmaakt dat in eerste aanleg geen oordeel is gegeven over de gewijzigde en aangevulde eis. Dat is dan ook op zichzelf geen reden om de gewijzigde of aangevulde eis buiten beschouwing te laten.
6.33.
Het hof ziet verder niet in dat de aangevulde eis de omvang van het geschil wijzigt. Het geschil gaat erover, en LOOP e.a. hebben dit redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten, dat VGZ e.a. het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Het zijn LOOP e.a. zelf geweest die hun verweer mede erop hebben gebaseerd dat tussen partijen een overeenkomst zou bestaan die daaraan in de weg staat. In hoger beroep hebben zij dat uitdrukkelijk tot onderwerp van hun grieven 1 en 2 gemaakt, en daaraan vorderingen verbonden waarmee zij hun oorspronkelijke eis in reconventie hebben uitgebreid. Het staat VGZ e.a. vrij om mede met het oog daarop hun oorspronkelijke eis aan te vullen en te verduidelijken.
6.34.
Het valt verder evenmin in te zien op welke wijze LOOP e.a. door het aanvullen van de eis in hun verdediging zijn benadeeld. Zij hebben niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn geweest om over het vergoeden en de grondslagen daarvan aan te voeren wat zij nodig achtten. Ook voor het overige is niets of te weinig aangedragen om te oordelen dat het aanvullen van de eis in strijd is met de goede procesorde.
6.35.
De conclusie is dat het bezwaar van LOOP e.a. tegen het wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a. ongegrond is.
6.36.
Uit hetgeen het hof heeft overwogen bij het bespreken van de grieven van LOOP e.a. in principaal hoger beroep, volgt dat ook de verklaring voor recht die VGZ e.a. voor het eerst in hoger beroep vorderen, moet worden gegeven. Het hof zal daarbij in het midden laten of het gaat om een vergoeding die uit coulance is gegeven, omdat dit niet relevant is voor de uitspraak in deze zaak.
Slot
6.37.
Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. Er zijn dus ook geen feiten gesteld die moeten worden bewezen.
Dit brengt mee dat het bewijsaanbod van LOOP e.a. wordt gepasseerd.
6.38.
Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen. Voor de duidelijkheid zal het hof deze verklaring voor recht in haar geheel opnemen in het dictum van dit arrest. Verder zal het hof de tweede verklaring voor recht geven die VGZ e.a. in hoger beroep hebben gevorderd. De gewijzigde eis van LOOP e.a. zal het hof afwijzen.
Proceskosten
6.39.
LOOP e.a. zijn in hoger beroep in het ongelijk gesteld en moeten om die reden de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep dragen. De proceskosten in principaal hoger beroep van VGZ e.a. stelt het hof als volgt vast:
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.378,00
6.40.
De proceskosten in incidenteel hoger beroep stelt het hof vast op € 645,00 (tarief II, 0,5 punt), omdat geen werkzaamheden in incidenteel hoger beroep zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen.
6.41.
De rechtbank heeft in eerste aanleg LOOP e.a. niet hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat VGZ e.a. niet duidelijk hadden gemaakt waarop zij de hoofdelijkheid baseren (rov. 4.20). Ook in hoger beroep hebben VGZ e.a. dit niet gedaan. Het hof zal om die reden geen hoofdelijke proceskostenveroordeling uitspreken.
6.42.
Over de proceskosten is de wettelijke rente verschuldigd als bedoeld in art. 6:119 BW Pro, en niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW, zoals VGZ e.a. vorderen.
Er is immers geen sprake van een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst.

7.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 van dat vonnis geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen;
7.2.
vernietigt in zoverre het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
7.3.
verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om in de polisvoorwaarden van hun aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;
7.4.
verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten te beëindigen;
7.5.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, LOOP e.a. in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.023,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W. Hoekzema en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.