Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
kennelijkonjuist.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter dat het einde van de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte in Amsterdam vaststelde en appellant veroordeelde tot ontruiming. Appellant verzocht in een incident om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat haar belang bij schorsing groot is vanwege lopende herontwikkelingsplannen en een nieuw bestemmingsplan.
Het hof overweegt dat het nieuwe bestemmingsplan, hoewel een nieuw feit, geen reden geeft om af te wijken van het eerdere vonnis. De kantonrechter had reeds geoordeeld dat de gemeente de bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor haar plannen. Er is geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen.
De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord van de gemeente. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en verwijst de hoofdzaak voor verdere behandeling.