ECLI:NL:GHAMS:2026:1738

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.352.759
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 7:295 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging huurovereenkomst bedrijfsruimte Amsterdam

In deze civiele zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter dat het einde van de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte in Amsterdam vaststelde en appellant veroordeelde tot ontruiming. Appellant verzocht in een incident om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat haar belang bij schorsing groot is vanwege lopende herontwikkelingsplannen en een nieuw bestemmingsplan.

Het hof overweegt dat het nieuwe bestemmingsplan, hoewel een nieuw feit, geen reden geeft om af te wijken van het eerdere vonnis. De kantonrechter had reeds geoordeeld dat de gemeente de bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor haar plannen. Er is geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen.

De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord van de gemeente. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en verwijst de hoofdzaak voor verdere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.352.759/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 11015165 CV EXPL 24-3195
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
inzake
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. B.S. Friedberg te Amstelveen,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de Gemeente genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 12 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 (hierna ook te noemen: het bestreden vonnis), onder bovenstaand zaaknummer gewezen tussen de Gemeente als eiseres en [appellant] als gedaagde.
De zaak is aangebracht op de rol van 29 april 2025.
Bij arrest van 20 mei 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald, die op 3 november 2025 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.
Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven, met producties, ingediend. Hierbij heeft zij tevens een incidentele vordering tot schorsing ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. [appellant] heeft in het incident gevorderd dat het hof, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, met toepassing van artikel 351 Rv Pro de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis schorst, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het incident.
De Gemeente heeft daarop bij conclusie geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2.Beoordeling

2.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter – samengevat – het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen ten aanzien van de bedrijfsruimte aan het adres [straat] [nummer] te Amsterdam (hierna: de bedrijfsruimte) zal eindigen vastgesteld op 1 april 2025 en [appellant] veroordeeld om de bedrijfsruimte aan de Gemeente ter beschikking te stellen en ontruimd te houden, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2.
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging stelt [appellant] , samengevat, dat haar belang bij schorsing zeer groot is. Een appelprocedure zou anders illusoir zijn en terugkeer van [appellant] op de locatie onmogelijk. [appellant] is vanaf 2012 met de Gemeente doende om betrokken te zijn bij de herontwikkeling van het gebied, zodat [appellant] haar onderneming vanuit Amsterdam kan blijven exploiteren. Hoewel [appellant] door de Gemeente is uitgenodigd om deel te nemen aan een tenderprocedure en de Gemeente bij [appellant] het vertrouwen heeft gewekt dat zij op enigerlei wijze betrokken zou kunnen zijn bij de herontwikkeling van de [plaats 2] , heeft de Gemeente geen enkel initiatief ontplooid om de tenderprocedure op te starten. Uit mededelingen van de Gemeente volgt dat deze procedure nooit zal worden opgestart. De gemeenteraad heeft met betrekking tot deze kavel op 9 juli 2025 een nieuw bestemmingsplan aangenomen. Dit is een nieuw feit waarmee bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid bij voorraad rekening dient te worden gehouden. [appellant] gaat ervan uit dat de Gemeente geen tenderprocedure zal uitschrijven, omdat zij sterke aanwijzingen heeft dat de Gemeente met een andere partij bezig is om de [plaats 2] te ontwikkelen.
2.3.
De Gemeente heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.
2.4.
De kantonrechter heeft de uitvoerbaar bij voorraad verklaring gemotiveerd door – kort gezegd – te overwegen dat in de gegeven, door hem beschreven omstandigheden grond bestaat om af te wijken van de in artikel 7:295 lid 1 BW Pro neergelegde hoofdregel. Wat er ook moge zijn van het standpunt van [appellant] dat de motivering zeer beperkt is, deze motivering van de uitvoerbaarheid bij voorraad leidt ertoe dat de toepasselijke maatstaf is dat de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moet leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
2.5.
[appellant] wijst op het nieuwe bestemmingsplan dat de gemeenteraad op 9 juli 2025 heeft aangenomen. Deze omstandigheid heeft de kantonrechter niet reeds in aanmerking kunnen nemen omdat zij zich eerst na zijn uitspraak heeft voorgedaan. Desalniettemin kan die omstandigheid niet rechtvaardigen dat van de beslissing van de kantonrechter wordt afgeweken. Het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan is immers te beschouwen als een begin van uitvoering van de herontwikkelingsplannen van de Gemeente. Niet valt in te zien waarom het feit dat de Gemeente met die uitvoering bezig is, reden zou moeten zijn om tot een ander oordeel te komen dan de kantonrechter. De kantonrechter heeft immers juist tot uitgangspunt genomen dat de Gemeente het gehuurde dringend nodig heeft om die plannen te gaan uitvoeren.
2.6.
Tot slot blijkt niet dat het bestreden vonnis op een kennelijke – feitelijke of juridische – misslag berust. De overweging dat [appellant] door het rekken van de procedure in feite misbruik van bevoegdheid maakt, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Als over het belang van [appellant] bij de procedure al anders zou kunnen worden geoordeeld is het oordeel van de kantonrechter daarover in ieder geval niet
kennelijkonjuist.
2.7.
De incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.
2.8.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
2.9.
De hoofdzaak zal naar de hierna te noemen roldatum worden verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van de Gemeente.
2.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 4 augustus 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van de Gemeente;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.C.W. Rang en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.