ECLI:NL:GHAMS:2026:1783

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/794
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10e Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965Art. 4 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: Afwijzing 30%-regeling terecht wegens eerdere werkzaamheden in Nederland

De inspecteur van de Belastingdienst heeft het verzoek van belanghebbende en zijn werkgever om toepassing van de 30%-regeling afgewezen. De rechtbank Noord-Holland had dit verzoek alsnog toegewezen en de inspecteur in de proceskosten veroordeeld. De inspecteur stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam.

Het geschil draait om de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als een werknemer die vanuit het buitenland is aangeworven, zoals bedoeld in artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Belanghebbende had op 20 april 2022 een arbeidsovereenkomst gesloten met een Nederlands bedrijf, maar was al sinds 22 februari 2022 in Nederland en werkte toen nog voor een buitenlandse onderneming.

Het hof oordeelt dat het feit dat belanghebbende al in Nederland werkzaam was vóór het aangaan van de arbeidsovereenkomst met het Nederlandse bedrijf, toepassing van de 30%-regeling uitsluit. Het motief van belanghebbende om naar Nederland te komen is niet relevant. Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de 30%-regeling wordt niet toegewezen.

Er worden geen proceskosten aan de inspecteur opgelegd. De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 21 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard en de 30%-regeling wordt niet toegewezen omdat belanghebbende al in Nederland werkzaam was.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/794
21 april 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
tegen de uitspraak van 20 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/2178 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M.J. Meijer)
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende en zijn werkgever om toepassing van de bewijsregel van artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: de 30%-regeling) afgewezen.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. De inspecteur heeft zijn beslissing om het verzoek af te wijzen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de afwijzende beschikking van 17 februari 2023;
- wijst het verzoek om toepassing van de 30%-regeling met ingang van 15 juni 2022 toe;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.964; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”
1.3.
De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:
  • een aanvulling van het hoger beroep door de inspecteur;
  • een verweerschrift door belanghebbende;
  • het proces-verbaal van de rechtbank door belanghebbende, en
  • een pleitnota van belanghebbende.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser heeft de [land 1] nationaliteit. Op 21 februari 2022 is hij samen met zijn echtgenote per vliegtuig van [stad 1] naar [stad 2] gereisd. Uit een tot de gedingstukken behorende e-mailbevestiging van de boeking van die vlucht blijkt dat eiser en zijn echtgenote ieder 10 kilo bagage mochten inchecken. Op 22 februari 2022 is eiser met zijn echtgenote per auto naar Nederland gereisd. Zij verbleven daarna bij een vriend in [Z] .
2. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbevestiging van een afzonderlijk op 21 februari 2022 geboekte terugvlucht van [stad 3] naar [stad 1] op 11 maart 2022 ten name van eiser en zijn echtgenote.
3. In 2020 heeft eiser als [beroep] gesolliciteerd bij het in Nederland gevestigde bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Deze sollicitatie heeft toen niet uitgemond in een dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijf 1] .
4. Op 14 oktober 2021 stuurt de recruiter van [bedrijf 1] aan eiser het volgende e-mailbericht:
‘’(…)
Back in 2020 (blast from the past!) you started the interview process with us for [beroep] position.
(…)
We are looking for a new member to join one of our teams, as [beroep] and I was wondering if you would be interested to re-attempt our interview process?
(…)’’
5. Eiser heeft per e-mail van 20 oktober 2021 als volgt op dat bericht gereageerd:
‘’(…)
I would like to reattempt, but not right now, maybe in a month or two :)
(…)’’
6. Bij e-mailbericht van 17 december 2021 heeft [bedrijf 1] eiser de volgende herinnering gestuurd:
‘’(…)
Did anything change in your situation? Would you like to give it another try at our interviewing process? :)
(…)’’
7. Op 8 maart 2022 heeft eiser aan [bedrijf 1] het volgende te kennen gegeven:
‘’(…)
My situation has changed and I would like to give it another try at [bedrijf 1] . Do you think it would be possible to resume our conversation?
(…)’’
8. Vervolgens is de sollicitatieprocedure hervat. Eiser hoefde niet de volledige sollicitatieprocedure opnieuw te doorlopen, maar kon de sollicitatie in gevorderde fase vervolgen.
9. Op 20 april 2022 heeft eiser een arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] gesloten, op basis waarvan hij op 15 juni 2022 in dienst van [bedrijf 1] is getreden.
10. Eiser heeft zich op 20 mei 2022 ingeschreven in de basisregistratie personen (BPR) op een adres in [stad 4] .
11. Op 22 juli 2022 ontving verweerder een verzoek van eiser en [bedrijf 1] om toepassing van de 30%-regeling. Dit verzoek was verzonden door de voormalige gemachtigde van eiser en daarin stond onder meer vermeld:
‘’(…)
Dit verzoek gaat om de volgende situatie. De heer [X] is een [land 1] vluchteling uit [stad 1] , die vanwege de [land 2] inval de [land 1] tijdelijk heeft verlaten. In [land 1] werkte de heer [X] als zelfstandige (…). Op 21-02-2022 is hij vanwege de spanningen in [land 1] het land uit gegaan richting [land 3] , vanuit daar naar Nederland . In zijn tijd in Nederland is hij voor dezelfde opdrachtgever blijven werken (…). (…)’’
12. In het beroepschrift is de volgende verklaring opgenomen:
‘’(…)
Op 21 februari 2022 kwam belanghebbende voor vakantie naar Nederland . Hij werd
vergezeld door een familielid en was van plan om op 11 maart 2022 terug te keren naar [stad 1] , [land 1] (…). Tijdens zijn vakantie verbleef hij in het appartement van een vriend in [stad 4] . Dit was niet meer dan een kort verblijf voor privédoeleinden.
Door de [land 2] Federatie-invasie in [land 1] op 24 februari 2022 was belanghebbende
echter genoodzaakt zijn verblijf in Nederland te verlengen. Gedurende deze tijd hoopte hij op een spoedige verzoening en beëindiging van de oorlog in zijn land, zodat hij naar huis kon terugkeren. Helaas bleek zijn hoop tevergeefs en besloot hij als kennismigrant naar Nederland te verhuizen.
(….)’’”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daar nog aan toe hetgeen hierna onder 2.3 tot en met 2.7 is weergegeven.
2.3.
Tot de stukken behoort de schriftelijke vastlegging van een met ingang van 9 maart 2021 tussen belanghebbende en de in de [land 4] gevestigde onderneming [bedrijf 2] . (hierna: [bedrijf 2] ) aangegane overeenkomst (‘services agreement’). In die overeenkomst wordt [bedrijf 2] aangeduid als Company en belanghebbende als Consultant. De overeenkomst bevat o.a. de volgende overwegingen en bepalingen:
“WHEREAS, Company desires to retain Consultant as an independent contractor to perform services set out in Section 1 of the Agreement for the Company as described below, and Consultant is willing to perform such services, on the terms of this Agreement.
NOW, THEREFORE, in consideration of the mutual promises contained herein, the parties agree as follows:
1. Services, Compensation and other issues.”
(…)
B. Compensation Consultant agrees to perform for the Company services described Section 1 of the Agreement, and the Company agrees to pay Consultant the compensation for Consultant’s performance of the Services at the volume and the amount agreed by the Parties and indicated in Invoices. Consultant shall invoice Company on monthly basis, indicating in invoice agreed volume of Services and payable amount.
(…)
D. Fees And Payment Upon completion of Services for any period ( (if month than at the beginning of the month following month of Services provisions) Consultant shall
send to Company Invoice, defining the volume Services and payable amount due to Consultant.
(…)
6. Term and Termination
A. The term of this Agreement (“Term") will begin on the Effective Date and will continue for one year, which shall automatically renew for successive one month periods.
B. Termination. During the first three (3) months of the Term, cither Party may terminate the Agreement by 2 calendar days’ notice. After the first three (3) months of the Term, either Party is entitled to terminate the Agreement by 15 calendar days’ notice. Termination
notice must be made in writing, and the notice period starts to run from the date after the termination notice reaches the recipient.”
2.4.
Tot de stukken behoort een “Amendment agreement on termination of the Services Agreement .N» 09-1/03/2021 dated March 09, 2021”, met o.a. de volgende overwegingen en bepalingen:
“This Amendment agreement (“Amendment agreement”) on termination of the Services Agreement Ns 09-1/03/2021 dated March 09, 2021 (“Agreement”) is effective as of May 31, 2022 (“Effective Date”), by and between [bedrijf 2] ., (…) and
Private Entrepreneur [X] (…)
(…)
By concluding this Amendment agreement, the Parties have mutually agreed to terminate the Agreement effective from May 31,”2022.”
2.5.
Tot de stukken behoort een aantal facturen die belanghebbende aan [bedrijf 2] heeft gezonden waaronder een factuur van 1 april 2022 tot een bedrag van $ 6.300, en een factuur van 6 mei 2022, eveneens voor een bedrag van $ 6.300.
2.6.
Tot de stukken behoort een “Profile” van belanghebbende met zijn “Employment History”, met daarin “May 2021 – Present [beroep] at [bedrijf 2] .”.
2.7.
Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank heeft belanghebbende verklaard: “In april werkte ik nog voor het [land 4] bedrijf. En ook in mei en juni nog.”

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling terecht is afgewezen. Beslissend daarbij is of belanghebbende is aan te merken als een door [bedrijf 1] uit een ander land aangeworven werknemer in de zin van art. 10e, tweede lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Daarbij is niet (meer) in geschil dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst naar de maatstaf van art. 4 lid 1 AWR Pro niet in Nederland woonde.

4.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW4064) en 24 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD3167) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een werknemer uit een ander land is aangeworven, moet worden beoordeeld of de werkgever met de werknemer een arbeidsovereenkomst is aangegaan op een moment waarop de werknemer zijn woonplaats buiten Nederland had en niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was.
4.2.
Het Hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat niet aanvullend getoetst moet worden wat het motief van de werknemer was om naar Nederland te komen. Anders dan de inspecteur verdedigt staat aan toepassing van de bewijsregel niet in de weg dat een werknemer niet vanuit een zakelijk motief maar om louter of overwegend privéredenen naar Nederland is gekomen.
4.3.
De feiten zoals weergegeven onder 2.3 tot en met 2.7 laten echter geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] op 20 april 2022 zijn contract met [bedrijf 2] nog niet had beëindigd en voor die onderneming werkzaam was, waarbij hij blijkens de onder 2.5 gemelde facturen substantiële bedragen in rekening heeft gebracht voor in de maanden maart en april verrichte werkzaamheden. Belanghebbende verbleef vanaf 22 februari 2022 in Nederland, zodat hij deze werkzaamheden in Nederland heeft verricht.
4.4.
De omstandigheid dat belanghebbende in Nederland werkzaam was staat aan toepassing van de bewijsregel in de weg. Het Hof merkt hierbij op dat – anders dan de rechtbank kennelijk meent – slechts van belang is of hij in Nederland werkzaam was. Niet vereist is dat hij zich met die werkzaamheden op de Nederlandse arbeidsmarkt had begeven.
Slotsom
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

5.Kosten

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, M.J. Leijdekker en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: