ECLI:NL:GHAMS:2026:1797

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/3574
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 DWUArt. 5 DWUArt. 243 CDWArt. 3:84 BWArt. 3:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechtstreeks en individueel belang bij cessie antidumpingrechten

Appellante, een onderneming, vorderde terugbetaling van antidumpingrechten die door een failliet verklaard bedrijf waren betaald voor de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan. Na faillissement van dat bedrijf werd de potentiële vordering op de Belastingdienst via cessie overgedragen aan appellante.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij geen rechtstreeks en individueel belang had bij de beschikking van de inspecteur, aangezien het recht op beroep niet overgaat door cessie. Appellante stelde in hoger beroep dat zij door de cessie wel in de rechten van het failliete bedrijf was getreden, inclusief het recht op beroep.

Het hof oordeelde dat appellante niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de beschikking op het verzoek om terugbetaling, maar slechts indirect door de cessie. Bovendien had appellante niet eerst bezwaar gemaakt, wat een vereiste is volgens de Awb. De inspecteur wijzigde zijn standpunt in hoger beroep en erkende dat appellante niet rechtstreeks belanghebbende is.

Het hof bevestigde daarom de niet-ontvankelijkheid van het beroep en wees de vordering van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam op 16 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van rechtstreeks en individueel belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3574
16 juni 2026
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
[X], gevestigd te [Z] , appellante,
(gemachtigden: mr. J.M. Wolfs)
tegen de uitspraak van 19 augustus 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/3541 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
appellante
en
de inspecteur van de Douane, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante, betreffende de afwijzing van een verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten (betaald voor in het vrije verkeer brengen van beddenlinnen uit Pakistan), niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Na het instellen van het hoger beroep door appellante zijn de volgende stukken ingediend:
  • een nadere motivering van het hoger beroep door appellante;
  • een verweerschrift door de inspecteur.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (waarbij appellante wordt aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1.1. Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 397/2004) is op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan een definitief antidumpingrecht vastgesteld van 13,1%. Deze verordening is gewijzigd met de Verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 397/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 695/2006), waarbij op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan – afhankelijk van de fabrikant – een definitief antidumpingrecht is ingesteld van 0% tot 8,5%.
1.2.
In de jaren 2005 tot en met 2009 heeft [bedrijf 1] als direct vertegenwoordiger van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan van katoenhoudend beddenlinnen van oorsprong uit Pakistan. Op 10 oktober 2008 heeft de gemachtigde namens [bedrijf 2] een verzoek om terugbetaling ingediend voor de antidumping-rechten die zij naar aanleiding van (een deel van) deze aangiften verschuldigd was. Op 3 juni 2009 heeft eiseres een aanvullend verzoek om terugbetaling gedaan.
1.3.
Op 19 december 2012 is [bedrijf 2] bij vonnis van de rechtbank Almelo in staat van faillissement verklaard. Vervolgens heeft de curator van [bedrijf 2] , bij akte van cessie van 12 oktober 2015, de potentiële vordering van [bedrijf 2] op de Belastingdienst uit hoofde van de terugvorderingen van antidumpingrechten verkocht en overgedragen aan eiseres. In die akte is in onderdeel 2 “cessie en de vordering”, onder a) bepaald:
“De curator draagt middels deze overeenkomst de latente Vordering van [bedrijf 2]
(aanvulling rechtbank: [bedrijf 2] )op de belastingdienst die zij mogelijk heeft uit hoofde van de door haar ingediende bezwaren die zien op de door haar betaalde antidumpingheffingen in de periode 2005 tot en met 2009, over aan [naam 1] , hierbij over aan [naam 1] zoals voorzien in artikel 3:84 lid 1 jo Pro. 3:94 lid 1 BW.”
1.4.
Op 12 maart 2021 heeft verweerder het verzoek en het aanvullend verzoek afgewezen voor een totaalbedrag van € 280.321,48. Deze beslissing heeft hij gericht aan [bedrijf 2] . Op 17 april 2021 heeft [naam 2] namens [bedrijf 2] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.
1.5.
Op 23 augustus 2021 heeft de curator van [bedrijf 2] een volmacht verstrekt aan [naam 2] om de failliete [bedrijf 2] te vertegenwoordigen in alle juridische aangelegenheden aangaande de betaalde antidumpingheffing over de invoer van beddenlinnen uit Pakistan in de periode van 2004 tot en met 2009.
1.6.
Eiseres heeft gesteld dat het faillissement van [bedrijf 2] was afgehandeld op het moment dat verweerder uitspraak op bezwaar deed.
1.7.
Op 7 april 2022 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft deze uitspraak gericht aan eiseres en verzonden naar de gemachtigde. Op 22 april 2022 heeft de gemachtigde namens eiseres beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3.Geschil in hoger beroep

Appellante betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Als het Hof tot het oordeel komt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is in geschil is of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, in de bestreden uitspraak het volgende overwogen en geoordeeld:

Ontvankelijkheid
3.2.
Eiseres en verweerder stellen zich eenparig op het standpunt dat door de overdracht van de potentiële vorderingen van [bedrijf 2] op de Belastingdienst (verweerder) aan eiseres, eiseres belanghebbende is geworden bij het verzoek en het aanvullend verzoek om terugbetaling van [bedrijf 2] , dat wil zeggen dat aan haar het recht op beroep toekomt van artikel 44, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU).
3.3.
Het recht op beroep van artikel 44, eerste lid, van het DWU, gelezen in samenhang met artikel 5, aanhef en onder 39, DWU, komt toe aan de persoon of personen die rechtstreeks en individueel wordt geraakt door beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving. Hetzelfde gold tot 1 mei 2016 voor artikel 243 van Pro het Communautair Douanewetboek (CDW).
3.4.
[bedrijf 2] is na haar verzoek en aanvullend verzoek om terugbetaling failliet gegaan. Tijdens de vereffening heeft de curator van [bedrijf 2] de potentiële vordering van [bedrijf 2] uit hoofde van haar verzoeken om terugbetaling gecedeerd aan eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiseres niet rechtstreeks en individueel geraakt door de uitnodigingen tot betaling die aan [bedrijf 2] zijn opgelegd naar aanleiding van de aangiften voor het vrije verkeer die namens [bedrijf 2] zijn ingediend. Ook wordt eiseres niet rechtstreeks en individueel geraakt door de beslissingen op het verzoek en het aanvullend verzoek om terugbetaling van [bedrijf 2] . Dat de curator van [bedrijf 2] de potentiële vordering van [bedrijf 2] op verweerder heeft gecedeerd aan eiseres, geeft eiseres niet een recht op beroep in de zin van artikel 44, eerste lid, van het DWU. Het kopen van de potentiële vordering door eiseres van [bedrijf 2] geeft eiseres hooguit een afgeleid belang dat voortvloeit uit de civiele verhouding tussen eiseres en (de curator van) [bedrijf 2] , maar geen rechtstreeks belang. [1] Dit betekent dat eiseres geen belanghebbende is in de zin van artikel 243 van Pro het CDW of artikel 44 van Pro het DWU, zodat voor haar geen beroep openstaat. Het beroep van eiseres zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
4. Eiseres heeft geen rechtstreeks en individueel belang bij de afwijzing van het verzoek en het aanvullend verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten die niet door haar verschuldigd zijn. Zij is geen belanghebbende en voor haar staat dus geen beroep open. Haar beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.”
4.2.
Appellante betoogt in hoger beroep dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel degelijk “rechtstreeks en individueel” wordt geraakt door de beschikking van de inspecteur op het door [bedrijf 2] ingediende verzoek om terugbetaling, omdat zij als gevolg van de cessie in
allerechten van [bedrijf 2] is getreden. Zij heeft niet enkel de (potentiële) vordering verkregen, maar ook de daaraan verbonden nevenrechten, zoals het recht op beroep, aldus appellante.
4.3.
Het Hof volgt appellante niet in haar standpunt. De beschikking van de inspecteur op het verzoek om terugbetaling van [bedrijf 2] , betreffende aangiften die [bedrijf 2] in eigen naam en voor eigen rekening heeft ingediend, heeft voor appellante niet rechtstreeks rechtsgevolgen. Het is enkel als gevolg van de akte van cessie, dus indirect, dat zij financiële gevolgen ondervindt van de beschikking van de inspecteur. Daar komt bij dat ingevolge het bepaalde in artikel 7:1, lid 1, Awb eerst bezwaar dient te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld, hetgeen appellante heeft nagelaten, zodat ook om die reden het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard (vgl. Hoge Raad van 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2350).
4.4.
In eerste aanleg en in zijn verweerschrift in hoger beroep stelde de inspecteur zich nog op het standpunt dat de cessie wél tot gevolg heeft dat appellante een rechtstreeks en individueel belang heeft bij de beschikking op het verzoek om terugbetaling van [bedrijf 2] . Ter zitting in hoger beroep is de inspecteur hierop teruggekomen en heeft hij betoogd dat appellante door de aan [bedrijf 2] afgegeven beschikking niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt, als bedoeld in artikel 44 DWU Pro. Anders dan appellante betoogt is deze wijziging van standpunt niet in strijd met een goede procesorde. Of appellante een recht van bezwaar en beroep toekomt is een kwestie van openbare orde, die ambtshalve wordt getoetst door de belastingrechter, waarbij hij niet gebonden is aan standpunten van partijen.
Slotsom
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

5.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is aangetekend per post verzonden op:

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AR4027, r.o. 4 en het arrest van de Hoge Raad 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1626, r.o. 4.3.1.