ECLI:NL:GHAMS:2026:1820

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.366.362/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis over gebrekkig bijgebouw stolpboerderij

In deze civiele zaak zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Holland betreffende de koop van een stolpboerderij met bijgebouw. De rechtbank oordeelde dat het bijgebouw gebrekkig was en veroordeelde appellanten tot schadevergoeding en kostenbetaling aan geïntimeerden.

Appellanten stelden incidenteel een vordering in tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het eindvonnis, stellende dat het vonnis berust op kennelijke juridische en feitelijke misslagen, waaronder een onjuiste maatstaf voor het gebruik van het bijgebouw en het niet in aanmerking nemen van schending van waarheids- en inlichtingenplicht door geïntimeerden.

Het hof overwoog dat een veroordeling in beginsel uitvoerbaar moet zijn tijdens hoger beroep, tenzij zwaarwegende belangen van de veroordeelde spreken. Appellanten konden geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoeren die een afwijking rechtvaardigen. Het hof oordeelde dat de gestelde misslagen niet kennelijk waren en dat inhoudelijke beoordeling in dit incident niet aan de orde was.

Daarom wees het hof de incidentele vordering af en hield de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven.

Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.366.362/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/346799 / HA ZA 23-670
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
2.
[appellant 2],
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
3.
[appellant 3],
wonend te [plaats 3] , gemeente [plaats 2] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. K. Dirlik te Alkmaar,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats 3] , gemeente [plaats 2] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 februari 2026 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis), 23 oktober 2024 (hierna: het tweede tussenvonnis) en 26 november 2025 (hierna: het eindvonnis) die onder bovenstaand zaaknummer zijn gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie, en [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Bij de dagvaarding in hoger beroep hebben [appellanten] een incidentele vordering ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. [appellanten] hebben incidenteel gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het eindvonnis zal schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident, inclusief nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.
Op de eerstdienende dag hebben [appellanten] conform voormeld exploot geconcludeerd en producties in het geding gebracht.
[geïntimeerden] hebben daarop bij conclusie, met producties, geantwoord in het incident en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident, inclusief nakosten en met rente.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
Samengevat en voor zover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, gaat het in deze zaak om het volgende.
[geïntimeerden] hebben van [appellanten] een stolpboerderij met bijgebouw gekocht.
Bij het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de boerderij wel voldoet aan wat [geïntimeerden] hiervan op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten, maar het bijgebouw niet: de waterleiding, de bouwkundige constructie en de elektrische installatie zijn gebrekkig. Aan de hand van het deskundigenbericht van de bij het tweede tussenvonnis benoemde deskundige heeft de rechtbank in het eindvonnis de schade begroot die [geïntimeerden] ten gevolge van de vastgestelde gebreken heeft geleden.
Bij het eindvonnis heeft de rechtbank [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van een schadevergoeding van € 151.251,11 en een bedrag van € 2.767,89 aan buitengerechtelijke kosten, telkens met rente. Voor het overige is de vordering van [geïntimeerden] afgewezen. De vordering van [appellanten] in reconventie is afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, in conventie met nakosten en rente. Het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft daartoe in rechtsoverweging 2.31 het volgende overwogen.
[geïntimeerden] vorderen dat de rechtbank de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. [appellanten] maken daar bezwaar tegen. De rechtbank gaat aan het bezwaar van [appellanten] voorbij. Uitgangspunt is dat een veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar moet te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Uit wat [appellanten] hebben aangevoerd blijkt niet van een belang dat zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis.
2.2.
Ter onderbouwing van hun incidentele vordering stellen [appellanten] dat het eerste tussenvonnis en het eindvonnis berusten op (kennelijke) juridische en feitelijke misslagen. Daartoe voeren zij, kort gezegd, het volgende aan. In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het bijgebouw geschikt moest zijn voor normaal gebruik als woning. Dit oordeel is enkel gebaseerd op de aanwezigheid in het bijgebouw van een woonkamer, een keuken, slaapkamers en een toiletruimte. Niet alleen past de rechtbank daarmee een verkeerde maatstaf toe, maar haar oordeel is ook onverenigbaar met enkele andere oordelen in datzelfde vonnis. Bovendien is het oordeel over het gebruik van het bijgebouw als woning gebaseerd op een aantal onjuiste feitelijke constateringen. Verder heeft de rechtbank in het eindvonnis op oneigenlijke gronden geweigerd terug te komen van (deze) bindende eindbeslissing(en) in het eerste tussenvonnis en hun verzoek om de veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afgewezen. In dit verband wijzen [appellanten] erop dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij gemotiveerd hebben gesteld dat [geïntimeerden] hun waarheids- en inlichtingenplicht hebben geschonden en dat zij, [appellanten] , na die ontdekking hebben gevraagd om een extra conclusieronde om aanvullend bewijs daarvan in te brengen.
2.3.
[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.4.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
2.5.
De rechtbank heeft in het eindvonnis een gemotiveerde beslissing gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, zoals onder 2.1 weergegeven. Dat [appellanten] die beslissing onjuist, althans niet goed gemotiveerd vinden, maakt dat niet anders. [appellanten] hebben aan hun vordering geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die hierbij niet reeds in aanmerking zijn of konden worden genomen door de rechtbank.
2.6.
Voor zover [appellanten] hun incidentele vordering baseren op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis, gaat het hof daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen. De onder 2.2 kort weergegeven stellingen van [appellanten] leiden niet tot het oordeel dat de ten uitvoer te leggen beslissing op (een) kennelijke misslag(en) berust. Daarvoor is ten minste vereist dat dit ‘kennelijk’ het geval is, dat wil zeggen dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Dat dit in deze zaak – waarin door partijen uitvoerig over de gestelde misslagen is gediscussieerd – het geval is, is niet gebleken. Voor een verdere beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de rechtbank en bewijslevering door video’s en audiofragmenten in het geding te brengen, zoals [appellanten] lijken aan te bieden, is in dit incident geen plaats.
2.7.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de incidentele vordering van [appellanten] tot schorsing van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
2.8.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.9.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van grieven door [appellanten]

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 18 augustus 2026 voor memorie van grieven door [appellanten] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.C.W. Rang en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.