ECLI:NL:GHAMS:2026:1846
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging en opheffing van onderbewindstelling wegens herstel rechthebbende
De kantonrechter stelde de goederen van de rechthebbende onder bewind vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand en problematische schulden. De rechthebbende ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om afwijzing van het verzoek tot onderbewindstelling of benoeming van haar zus als bewindvoerder.
Tijdens de procedure voerde de rechthebbende aan dat zij geen geestelijke problematiek heeft, haar schulden had afgelost en dat de bewindvoerder onjuiste informatie had verstrekt. De bewindvoerder stelde dat hulp nodig was vanwege oude schulden en dat een medische verklaring niet noodzakelijk is voor bewindvoering. Familieleden van de rechthebbende ondersteunden het standpunt dat onderbewindstelling niet nodig was.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten tijde van de beschikking op goede gronden het verzoek tot onderbewindstelling had toegewezen vanwege ernstige zorgen over de geestelijke gesteldheid en financiële situatie van de rechthebbende. Inmiddels is de situatie verbeterd: de rechthebbende woont bij haar zus, heeft een eigen inkomen en heeft schulden afgelost of een betalingsregeling getroffen. Daarom heft het hof het bewind op met ingang van 14 dagen na de beschikking.
De proceskosten worden gecompenseerd en de bewindvoerder hoeft niet in de kosten te worden veroordeeld. De bewindvoerder moet binnen twee maanden na uitspraak de eindrekening en verantwoording afleggen aan de rechthebbende en het Bewindsbureau.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling tot heden en heft deze op vanwege herstel van de rechthebbende.