ECLI:NL:GHAMS:2026:1927

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
200.347.158/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande termijnen en afwijzing tegenvorderingen hoofdaannemer in bouwgeschil

In deze civiele procedure vordert de onderaannemer betaling van openstaande termijnen van de hoofdaannemer, die op haar beurt tegenvorderingen instelt wegens onverschuldigde betalingen voor vermeend minderwerk, niet-geaccordeerd meerwerk en schade door een bouwstop.

De rechtbank had de vorderingen van de onderaannemer grotendeels toegewezen en de tegenvorderingen van de hoofdaannemer afgewezen. Het hof bevestigt dit oordeel, maar wijzigt de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom naar de afzonderlijke vervaldata van de facturen.

De hoofdaannemer slaagt er niet in voldoende feiten en bewijs te leveren dat sprake is van minderwerk of onrechtmatig meerwerk. Ook de schadevordering wegens de bouwstop strandt op het ontbreken van een causaal verband en onvoldoende onderbouwing. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf de vervaldatum van de facturen, conform de tussen partijen gehanteerde betalingstermijn van dertig dagen.

De hoofdaannemer wordt veroordeeld in de proceskosten van beide hoger beroepen. Het hof vernietigt het bestreden vonnis alleen voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente en bekrachtigt het verder.

Uitkomst: Vorderingen van de onderaannemer worden toegewezen, tegenvorderingen van de hoofdaannemer afgewezen, met aanpassing ingangsdatum wettelijke handelsrente.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer: 200.347.158/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/343430 / HA ZA 23-467
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juni 2026
inzake
[appellant 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. P. Thole te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. F.M. Wagener te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant 1] en [geïntimeerde] genoemd
Tegenwoordig zijn:
mr. M.A. Wabeke - voorzitter
mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten - raadsheer
mr. S. van Gulijk - raadsheer
S.H. Huisman - griffier
Verschenen zijn:
  • aan de zijde van [appellant 1] : [naam 1] , bijgestaan door mr. Thole voornoemd;
  • aan de zijde van [geïntimeerde] : mr. [naam 2] (gevolmachtigde) en mr. Wagener voornoemd.
Bij vonnis van 5 juni 2024, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [appellant 1] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, heeft de rechtbank Noord-Holland de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezenen de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. [appellant 1] is veroordeeld in de proceskosten met rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[appellant 1] is bij appeldagvaarding van 5 september 2024 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. De zaak is op de rolzitting van 22 oktober 2024 aangebracht. Bij arrest van 5 november 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze zitting is op verzoek van partijen niet doorgegaan.
Vervolgens heeft [appellant 1] op 22 april 2025 een memorie van grieven genomen.
[geïntimeerde] heeft op 1 juli 2025 een memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel genomen.
[appellant 1] heeft op 9 september 2025 een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen.
[appellant 1] heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van [appellant 1] alsnog toewijst en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt, met uitzondering van de beslissing van de rechtbank over de wettelijke handelsrente. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd dat het hof de beslissing van de rechtbank over de wettelijke handelsrente vernietigt en bepaalt dat de wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf de datum van de afzonderlijke factuurtermijnen althans vanaf 11 november 2022, met veroordeling van [appellant 1] in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met de nakosten en wettelijke (handels)rente.
[appellant 1] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd dat het hof de door [geïntimeerde] in incidenteel appel opgeworpen grieven verwerpt, met – uitvoerbaar bij voorraad –veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel appel.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 hebben mrs. Thole en Wagener voornoemd het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord.
Van het verhandelde op de zitting zijn zittingsaantekeningen gemaakt, die zo nodig in een apart proces-verbaal schriftelijk worden uitgewerkt.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergegeven.
De zaak in het kort
[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant 1] werkzaamheden verricht in een bouwtraject waarin [appellant 1] hoofdaannemer was. Van de overeengekomen aanneemsom heeft [appellant 1] een aantal termijnen onbetaald gelaten. [geïntimeerde] vordert betaling daarvan. [appellant 1] heeft terugbetaling gevorderd van door haar betaald minderwerk en meerwerk en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en de tegenvorderingen van [appellant 1] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel met dien verstande dat het in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] een eerdere ingangsdatum van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom toewijst.
Beoordeling
Feiten
1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 vastgestelde feiten, die in hoger beroep niet zijn betwist.
De grieven in het principaal hoger beroep
2. De grieven komen in wezen op tegen de afwijzing van de tegenvorderingen van [appellant 1] . Die vorderingen zijn onder te verdelen in:
-
minderwerk (grief 1)
- meerwerk (grief 2)
- schade (grief 3).
Minderwerk
3. Volgens [appellant 1] zijn verschillende werkzaamheden in overleg met [geïntimeerde] uit de opdracht aan [geïntimeerde] gehaald en door [appellant 1] zelf en derden uitgevoerd. Toch heeft [geïntimeerde] die werkzaamheden aan [appellant 1] in rekening gebracht. [appellant 1] stelt dat zij daardoor
€ 32.008,- incl. btw onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald.
4. [geïntimeerde] heeft dit betwist. Volgens haar hebben partijen nooit minderwerk afgesproken.
5. Van de stelling dat [appellant 1] onverschuldigd minderwerk heeft betaald, draagt [appellant 1] de stelplicht en de bewijslast. [appellant 1] heeft een overzicht gegeven van de werkzaamheden die volgens haar minderwerk betreffen en facturen van derden die die werkzaamheden hebben uitgevoerd. [appellant 1] heeft echter niet, althans onvoldoende feitelijk onderbouwd (onder meer met concrete verwijzingen naar de door [geïntimeerde] aangenomen werkzaamheden), dat [geïntimeerde] met het door [appellant 1] gestelde minderwerk akkoord is gegaan.
6. Daarom is deze tegenvordering niet toewijsbaar en komt het hof evenmin aan bewijslevering toe.

7.De eerste grief slaagt niet.

Meerwerk
8. Volgens [appellant 1] is zij gedurende de uitvoering van het werk diverse malen geconfronteerd met door [geïntimeerde] in rekening gebracht meerwerk. Zij heeft daarvoor
€ 29.803,79 betaald, maar ook dat is onverschuldigd betaald. [appellant 1] heeft zich gedwongen gevoeld om te betalen, omdat [geïntimeerde] het werk anders zou neerleggen. [geïntimeerde] heeft niet aangetoond dat [appellant 1] opdracht tot dit meerwerk heeft gegeven, dat daarbij de prijs is besproken en dat het meerwerk daadwerkelijk is uitgevoerd, aldus [appellant 1] .
9. [geïntimeerde] heeft betwist dat zij ten onrechte meerwerk in rekening heeft gebracht. Zij heeft erop gewezen dat in specifiek genoemde weken door haar meerwerk werd verricht, dat dat op werkbonnen werd bijgehouden, dat die aan [appellant 1] zijn verstrekt en dat [appellant 1] de daarop betrekking hebbende facturen heeft betaald. Zij heeft ter onderbouwing van haar verweer de op meerwerk betrekking hebbende werkbonnen en facturen overgelegd, alsmede screenshots van communicatie tussen partijen per Whatsapp, waaronder diverse berichten van de uitvoerder van [geïntimeerde] over meerwerk. Onder meer heeft [geïntimeerde] gewezen op een Whatsappbericht van [appellant 1] van 9 november 2021, waarin [appellant 1] schrijft ‘Betalingen komen deze week hoor, hadden een korte software storing!’ Ook heeft [geïntimeerde] gewezen op een door haar verstuurde creditnota van 10 mei 2022. Op die creditnota is vermeld dat het meerwerk betreft dat in overleg met [appellant 1] is gecrediteerd. Verder heeft [geïntimeerde] gewezen op een e-mail van 1 november 2022 van [geïntimeerde] aan haar accountmanager/kredietverzekeraar Atradius met [appellant 1] in Cc. waarin is vermeld ‘Wij hebben gisteren een betaling ontvangen van Dhr. [appellant 1] A € 10.000,-. Overige betalingen a € 25.000 zal z.s.m. worden betaald door [appellant 1] ’. Uit deze stukken rijst het beeld dat de uitvoerder van [geïntimeerde] regelmatig meerwerk meldde, dat partijen regelmatig overlegden over meerwerk en dat [appellant 1] betalingstoezeggingen deed. [appellant 1] heeft niet toegelicht hoe dit beeld zich verhoudt tot haar stelling dat zij onder druk meerwerk heeft betaald.
10. Het is aan [appellant 1] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat zij onverschuldigd (dus zonder rechtsgrond) een bedrag van € 29.803,79 aan [geïntimeerde] heeft betaald. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] heeft [appellant 1] echter te weinig aangevoerd. Ook deze tegenvordering is daarom niet toewijsbaar en kan aan bewijslevering niet worden toegekomen.

11.Grief 2 slaagt dus niet.

Schade
12. Volgens [appellant 1] heeft zij schade geleden door een bouwstop die is veroorzaakt doordat [geïntimeerde] niet tijdig voor deugdelijke valbeveiliging heeft gezorgd. Zij vordert in dat verband
€ 15.500,- en € 46.000,-.
13. [geïntimeerde] heeft de schade betwist en betwist dat de bouwstop is veroorzaakt door fouten van haar. Zij heeft aangevoerd dat het [appellant 1] zelf is die verantwoordelijk is voor het feit dat er werd gewerkt op plaatsen waar nog onvoldoende valbeveiliging was aangebracht, waarna een bouwstop werd opgelegd. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing hiervan screenshots van Whatsappberichten tussen partijen overgelegd. Zij heeft onder meer gewezen op Whatsappberichten tussen partijen op 19 november 2021 (datum bouwstop), waarin [geïntimeerde] [appellant 1] aanraadt om achter de steigerbouwer aan te gaan en [appellant 1] in reactie daarop laat weten het te hebben besproken met de steigerbouwer. Indien dat de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] zou zijn geweest, zou een andere reactie van [appellant 1] voor de hand hebben gelegen.
14. Ook in hoger beroep heeft [appellant 1] haar schadevordering te weinig handen en voeten gegeven. Uit niets blijkt een schadebedrag van € 15.500, laat staan dat [geïntimeerde] daarvoor aansprakelijk is. Dat de opdrachtgever van [appellant 1] een bedrag van € 46.000 heeft ingehouden onder verwijzing naar de bouwstop, is onvoldoende voor de conclusie dat [appellant 1] schade ten belope van dat bedrag heeft geleden. Zo is niet inzichtelijk gemaakt hoe het bedrag van € 46.000,- is opgebouwd, of dit terecht door de opdrachtgever van [appellant 1] is ingehouden en of dit niet alsnog (al dan niet gedeeltelijk) aan [appellant 1] zal worden betaald. Ook als dat wel duidelijk zou zijn, strandt de vordering nog steeds op het feit dat onvoldoende is aangevoerd om een causaal verband tussen de gestelde schade en een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] vast te kunnen stellen. Ook hier komt het hof dan ook niet toe aan bewijslevering.

15.De derde grief slaagt dus evenmin.

16. Omdat de eerste drie grieven niet slagen, delen de grieven 4, 5 en 6 hetzelfde lot.
Incidenteel hoger beroep
17. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente over de openstaande gefactureerde termijnen niet pas de datum van de inleidende dagvaarding moet zijn, maar steeds vanaf de afzonderlijke vervaldata (dertig dagen na factuurdatum) van de facturen. [appellant 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat dit de tussen partijen gehanteerde betalingstermijn was.
18. Daarmee gaat ook het hof uit van een betalingstermijn van dertig dagen. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen vanaf de afzonderlijke vervaldata van de openstaande facturen.

19.Het incidenteel hoger beroep slaagt dus.

Slotsom
20. De slotsom is dat het principaal hoger beroep geen succes heeft en het incidenteel hoger beroep wel. Het hof zal het bestreden vonnis uitsluitend op het punt van de ingangsdatum van de over de hoofdsom toegewezen wettelijke handelsrente vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Deze rente zal worden toegewezen als hiervoor overwogen. [appellant 1] zal in beide hoger beroepen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] .
Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis uitsluitend op het punt van de in 5.1, eerste gedachtestreepje genoemde ingangsdatum van de wettelijke handelsrente;
en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:
wijst de wettelijke handelsrente over de toegewezen hoofdsom van € 25.000,- toe met ingang van de afzonderlijke vervaldata van de openstaande facturen;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellant 1] in de kosten van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 6.561,- aan verschotten en € 6.528,- aan salaris (2 x € 2.352,-tarief IV in principaal hoger beroep + 2 x € 912,- tarief I in incidenteel hoger beroep) en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze uitspraak plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze uitspraak dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform art. 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
.………………..
voorzitter