ECLI:NL:GHAMS:2026:1930

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
200.288.478/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv (oud)Art. 22 RvArt. 194 e.v. RvArtikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage en afschrift stukken in geschil over parkkosten VvE

In deze civiele procedure staat een geschil centraal over de hoogte van de parkkosten die Recreatie Beheer en NHRS aan de VvE in rekening hebben gebracht over de jaren 2010 tot en met 2020. De VvE vordert terugbetaling van te veel betaalde parkkosten, terwijl Recreatie Beheer en NHRS een naheffing vorderen. Het hof heeft in een eerder tussenarrest geoordeeld dat het herzieningsbeding alleen ziet op aanpassingen voor het komende jaar en niet op verrekeningen over voorgaande jaren.

Recreatie Beheer en NHRS vorderen inzage en afschrift van een (concept)rapport en correspondentie met betrekking tot dat rapport, dat in 2016 is opgesteld door een deskundige. Zij stellen dat dit rapport relevant is voor de beoordeling van de juistheid van de in rekening gebrachte kosten. Het hof overweegt dat het deskundigenonderzoek zich beperkt tot de vraag of de parkkosten in 2018, 2019 en 2020 structureel lager waren dan de vergoeding en dat het (concept)rapport uit 2016 betrekking heeft op eerdere jaren.

Het hof oordeelt dat Recreatie Beheer en NHRS geen rechtmatig belang hebben bij inzage in deze stukken, omdat deze niet relevant zijn voor het lopende deskundigenonderzoek. Het verzoek tot inzage en afgifte wordt daarom afgewezen, evenals het verzoek om deze stukken in het geding te brengen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere procedure over de kostenbegroting van de deskundige.

Uitkomst: De vordering tot inzage en afgifte van stukken wordt afgewezen wegens gebrek aan rechtmatig belang.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.288.478/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/273733/HA ZA 18-314
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
inzake

1.RECREATIE BEHEER B.V.,

gevestigd te Sint Maartensvlotbrug, appellante, tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, eiseres in het incident, 2.
NOORD HOLLAND RECREATIE SERVICE B.V., gevestigd te Sint Maartensvlotbrug, appellante, tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, eiseres in het incident, advocaat: mr. W.J.T. Ursem te Alkmaar,
tegen:
1.
[VvE] ,gevestigd te [plaats 1] , geïntimeerde, tevens appellante in het incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident,
2.
[geïntimeerde 1] ,wonende te [plaats 2] , geïntimeerde, tevens appellante in het incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident,
3.
[geïntimeerde 2], wonende te [plaats 3] , geïntimeerde,
4.
[geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 4] , geïntimeerde, 5.
[geïntimeerde 4], wonende te [plaats 4] , geïntimeerde, 6.
[geïntimeerde 5], wonende te [plaats 5] , geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, 7.
[geïntimeerde 6] (erfgenaam van [naam 1] ), wonende te [plaats 6] , geïntimeerde, tevens appellante in het incidenteel hoger beroep, verweerster in het incident, 8.
de gezamenlijke erfgenamen van [geïntimeerde 7], laatstelijk wonende te [plaats 7] , geïntimeerde, 9.
[geïntimeerde 8], wonende te [plaats 8] , geïntimeerde, 10.
[geïntimeerde 9], wonende te [plaats 7] , geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, 11.
[geïntimeerde 10], wonende te [plaats 9] , geïntimeerde, 12.
[geïntimeerde 11], wonende te [plaats 10] , geïntimeerde, 13.
[geïntimeerde 12], wonende te [plaats 11] ( Duitsland), geïntimeerde, 14.
[geïntimeerde 13], wonende te [plaats 12] ( Duitsland), geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, 15.
[geïntimeerde 14], wonende [plaats 1] , geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, 16.
[geïntimeerde 15], wonende te [plaats 13] , geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, 17.
[geïntimeerde 16], wonende te [plaats 14] , geïntimeerde, tevens appellant in het incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, 18.
[geïntimeerde 17], wonende te [plaats 7] , geïntimeerde, 19.
[geïntimeerde 18], wonende te [plaats 15] , geïntimeerde, advocaat: mr. A.J.C. van Gurp te Hengelo.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Appellante, tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep sub 1, wordt hierna Recreatie Beheer genoemd. Appellante, tevens geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep sub 2 wordt hierna NHRS genoemd. Geïntimeerde, tevens appellante in het incidenteel hoger beroep sub 1, wordt hierna de VvE genoemd. Geïntimeerden sub 2 tot en met 19 worden hierna de leden genoemd. Geïntimeerden, tevens appellanten in het incidenteel hoger beroep sub 2, 6, 7, 10, 14, 15, 16 en 17, worden hierna [geïntimeerden] genoemd.
Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenarrest van 31 oktober 2023 (hierna: het tussenarrest). Bij dat arrest heeft het hof overwogen voornemens te zijn om een deskundigenbericht te gelasten en partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de te benoemen deskundige(n).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte na arrest, tevens inhoudende inbreng productie, met een productie, van de VvE en [geïntimeerden] ;
- antwoordakte na arrest, met een productie, van Recreatie Beheer en NHRS;
- antwoordakte houdende bezwaar tegen voorgestelde benoeming van mevrouw
O. Bouwhuis tot deskundige van de VvE en [geïntimeerden] ;
- akte uitlaten deskundige, tevens houdende incidentele conclusie ex artikel 195 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en verzoek ex artikel 22 Rv Pro, met producties, van Recreatie Beheer en NHRS;
- conclusie van antwoord in het incident, met een productie, van de VvE en [geïntimeerden]
Recreatie Beheer en NHRS hebben incidenteel gevorderd dat het hof de VvE zal veroordelen om binnen een week na betekening van het arrest in incident inzage in en afschrift van de in hun incidentele conclusie genoemde stukken te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de VvE in de kosten van dit incident, uitvoerbaar bij voorraad. Daarnaast hebben Recreatie Beheer en NHRS verzocht dat het hof (in de hoofdzaak) met toepassing van artikel 22 Rv Pro de VvE zal bevelen die stukken binnen twee weken na het arrest in incident bij akte in het geding te brengen.
De VvE en [geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Recreatie Beheer en NHRS in hun incidentele vordering en verzoek, althans tot afwijzing daarvan, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Recreatie Beheer en NHRS in de kosten van dit incident.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
De door Recreatie Beheer en NHRS ingestelde vordering tot inzage en afgifte is gestoeld op de regeling van artikel 194 e.v. Rv. Die regeling geldt in deze zaak echter niet. Omdat deze zaak vóór 1 januari 2025 bij het hof aanhangig is gemaakt, blijft het per die datum vervallen artikel 843a (oud) Rv hier gelden (artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). Het hof zal dat artikel dus toepassen.
2.2.
Kort gezegd en voor zover voor dit incident van belang, gaat het in deze zaak om het volgende. De vordering van de VvE strekt tot terugbetaling van de volgens haar teveel betaalde parkkosten over de periode 2010 tot en met 2018, terwijl Recreatie Beheer betaling vordert van een naheffing van de parkkosten over de periode 2010 tot en met 2016 en van het jaarlijkse bedrag aan parkkosten voor 2019 en 2020. In het tussenarrest heeft het hof het herzieningsbeding voor de parkkosten aldus uitgelegd dat een verhoging of verlaging van het jaarlijkse bedrag aan de hand van de daadwerkelijke kosten alleen kan zien op het komende jaar en niet op daaraan voorafgaande jaren. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het herzieningsbeding dus geen ruimte biedt voor een naheffing en ook niet voor een terugbetaling achteraf. Verder heeft het hof overwogen dat het jaarlijkse bedrag niet eerder kan worden verlaagd dan met ingang van 2018, omdat de VvE daarop voor het eerst aanspraak heeft gemaakt in haar in dat jaar uitgebrachte inleidende dagvaarding. Dat de parkkosten in 2018 structureel lager waren geworden, zoals de VvE stelt, is volgens het hof echter nog niet voldoende aannemelijk geworden. Daarom is in het tussenarrest een deskundigenonderzoek aangekondigd ter beantwoording van de vragen of de daadwerkelijke parkkosten in 2018, 2019 en 2020 structureel lager waren dan de in rekening gebrachte vergoeding en, zo ja, op welke hoogte de jaarlijkse bedragen voor 2018, 2019 en 2020 moeten worden vastgesteld.
2.3.
Recreatie Beheer en NHRS vorderen in het incident dat de VvE zal worden veroordeeld om inzage te bieden in en een afschrift te verstrekken van:
“A. het (concept)rapport van mevrouw [naam 2] , dat aan de VVE ter beschikking is gesteld, met betrekking tot de juistheid van de door Recreatie Beheer B.V. aan [recreatiepark] in rekening gebrachte kosten, uit hoofde van de in de brief van 29 juni 2016 (productie H5) benoemde opdracht.
B. correspondentie, zoals e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, vanuit/namens de VVE enerzijds en mevrouw [naam 2] , althans haar kantoorgenoten van Lodder-Dales anderzijds, aangaande de totstandkoming van de (concept)rapportage.
C. correspondentie binnen het bestuur van de VVE met betrekking tot het (al dan niet) gebruiken van de (concept)rapportage in de onderhavige procedures.”
en zij verzoeken dat de VvE zal worden bevolen om deze stukken bij akte in het geding te brengen.
2.4.
Ter onderbouwing van hun incidentele vordering en verzoek hebben Recreatie Beheer en NHRS, kort gezegd, aangevoerd dat het op verzoek van de VvE en met instemming van en na overleg met Recreatie Beheer en NHRS opgestelde (concept)rapport van [naam 2] (hierna: het (concept)rapport) ziet op het handelen van Recreatie Beheer en NHRS dat door de VvE in deze procedure ter discussie is gesteld en dat de VvE, althans haar (voormalig) advocaat over de door hen (nauwkeurig genoeg) omschreven stukken beschikt. Ook wijzen Recreatie Beheer en NHRS erop dat, wanneer in het (concept)rapport reeds op belangrijke punten tot conclusies is gekomen of uit het (concept)rapport blijkt dat bepaalde uitgangspunten niet (langer) ter discussie staan, de deskundige daartoe geen kosten hoeft te maken.
2.5.
De VvE en [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.6.
Uitgangspunt bij de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a lid 1 Rv is dat voor toewijzing daarvan slechts plaats is indien degene die een dergelijke vordering instelt daarbij een rechtmatig belang heeft, de bescheiden voldoende bepaald zijn en het bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.
2.7.
Het gaat in hoger beroep nog om de vraag of de daadwerkelijke parkkosten in 2018, 2019 en 2020 structureel lager waren (geworden) dan de in rekening gebrachte vergoeding en, zo ja, op welke hoogte de jaarlijkse bijdragen over die jaren dan moeten worden vastgesteld. Het te gelasten deskundigenonderzoek is dan ook daartoe beperkt. De (in het deskundigenonderzoek) ter beantwoording voorliggende vraag is dus niet of de daadwerkelijk kosten vanaf 2018 lager waren (geworden) dan ze in eerdere jaren waren. Dit brengt mee dat het (concept)rapport en de aanverwante stukken waar inzage in en afschrift van wordt gevraagd voor de verdere beoordeling door het hof niet van belang zijn. Het (concept)rapport waartoe in 2016 opdracht is gegeven gaat immers over de parkkosten in die eerdere jaren. Overigens is het mogelijk dat de te benoemen deskundige in het kader van diens onderzoek kennis zal willen nemen van dat (concept)rapport. Aan een dergelijk verzoek van de deskundige zal in beginsel moeten worden voldaan.
2.8.
Op grond van het vorengaande zal de incidentele vordering van Recreatie Beheer en NHRS bij gebrek aan een rechtmatig belang daarbij worden afgewezen. Dit geldt ook voor hun verzoek ex artikel 22 Rv Pro. Wat partijen in dat verband verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.
2.9.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.10.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door
de VvE en Andries c.s. waarbij zij zich kunnen uitlaten over de kostenbegroting van de deskundige.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident
wijst de vordering tot inzage en afgifte af;
wijst het verzoek ex artikel 22 Rv Pro af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 14 juli 2026 zodat de VvE en Andries c.s. zich bij akte kunnen uitlaten over de kostenbegroting van de deskundige;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, L. Alwin en R.J.Q. Klomp en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.