ECLI:NL:GHAMS:2026:2023

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
23-002249-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 141 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging met grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 15 juli 2025 heeft de verdachte samen met zijn vriendin openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen een slachtoffer aan de openbare weg in Amsterdam. Het geweld bestond uit het toebrengen van meerdere slagen met een bierkrat en vuistslagen, ook toen het slachtoffer al op de grond lag, wat heeft geleid tot pijn en letsel.

De politierechter veroordeelde de verdachte tot 3 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Het hof vernietigde dit vonnis en kwam tot een andere bewezenverklaring, waarbij het bewezenverklaarde geweld beperkt werd tot de slagen met het krat en vuistslagen zoals omschreven. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn onbesproken verleden en de rolverdeling waarbij de medeverdachte het conflict initieerde. Gezien deze factoren legde het hof een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op van 90 dagen, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Deze straf weerspiegelt enerzijds de ernst van het feit en anderzijds de beperkte rol van de verdachte, met als doel een afschrikwekkend effect te hebben en herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002249-25
datum uitspraak: 15 juli 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-219056-25 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, op of aan de openbare weg ([adres]), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
  • die [slachtoffer] één of meerdere slagen met een bierkrat tegen het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam, te geven en/of;
  • die [slachtoffer] één of meerdere (vuist)slagen tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, te geven ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen en/of;
  • terwijl hij op de grond lag die [slachtoffer] één of meerdere (vuist)slagen en/of slagen met een bierkrat tegen het hoofd, althans het lichaam, te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 juli 2025 te Amsterdam op of aan de openbare weg ([adres]), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
  • die [slachtoffer] één slag met een krat tegen het hoofd te geven en;
  • die [slachtoffer] meerdere vuistslagen tegen het gezicht en hoofd te geven ten gevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen en;
  • terwijl hij op de grond lag die [slachtoffer] meerdere slagen met een krat tegen het hoofd en het lichaam te geven.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met de beperkte rol van de verdachte bij het openlijk geweld. De verdachte was namelijk niet de initiator van het geweld, getuigen hebben voornamelijk verklaard over geweld gepleegd door de medeverdachte (de vriendin van de verdachte) en het is niet duidelijk of de verdachte met een krat heeft geslagen. De verdachte heeft zijn eigen aandeel erkend: hij heeft verklaard dat hij één keer heeft geslagen. Gelet op deze rolverdeling, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder de omstandigheid dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld) en de straf die de medeverdachte heeft gekregen – een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf – heeft de raadsman verzocht om de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn vriendin – de medeverdachte – schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in een bus en bij een bushalte. Daarbij is het slachtoffer – ook toen hij al op de grond lag – meermalen met een krat en vuisten geslagen, waardoor hij pijn en letsel heeft opgelopen. Hiermee heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het (op leeftijd zijnde) slachtoffer. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarnaast veroorzaakt in het openbaar gepleegd geweld ook gevoelens van onrust bij omstanders en de samenleving in het algemeen. Gelet op het voorgaande acht het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel passend.
Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat niet de verdachte, maar de medeverdachte degene is geweest die de het conflict heeft geïnitieerd. Het hof volgt de verdediging echter niet in de stelling dat de verdachte maar één klap heeft gegeven en daarmee slechts een beperkte rol heeft gehad, aangezien meerdere getuigen hebben verklaard dat ook de verdachte meermalen met een krat heeft geslagen. Voorts houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de medeverdachte – initiator van het conflict – wegens persoonlijke omstandigheden een geheel voorwaardelijke straf is opgelegd. Tot slot blijkt uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 juni 2026 dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
In het voorgaande ziet het hof aanleiding om de verdachte een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Met deze straf wordt enerzijds recht gedaan aan de ernst van het feit en anderzijds een stok achter de deur geboden om de verdachte ervan te weerhouden om nogmaals strafbare feiten te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 88 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
88 (achtentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. N. van der Wijngaart en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 juli 2026.
Mrs. Van der Wijngaart, Van der Werff en Sillen zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002249-25
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 15 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. B.E. Dijkers, raadsheer,
B. Batman, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B.C.C. van Roessel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.