Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de beoordeling van bedingen in een huurovereenkomst centraal, waarbij het hof in een eerder tussenarrest had geoordeeld dat het opslagbeding, dat een huurverhoging van maximaal 5% bovenop de CPI-indexering toestaat, oneerlijk is, terwijl de CPI-indexering zelf rechtmatig is. Het hof bevestigt dit oordeel en vernietigt het opslagbeding. Tevens acht het hof het boeterentebeding oneerlijk en wijst daarom de gevorderde wettelijke rente af.
De verhuurder, Eigen Haard, had bezwaar tegen het oordeel over het opslagbeding en voerde aan dat het nodig is om extreme onderhoudskostenstijgingen op te vangen en dat de sanctie van nietigverklaring disproportioneel is. Het hof wijst deze argumenten af vanwege procesorde en concentratie van het debat, en blijft bij het eerdere oordeel.
De huurachterstand wordt toegewezen tot een bedrag van €3.003,16, zonder wettelijke rente. De eerdere vonnissen van december 2023 en maart 2024 worden vernietigd, behalve de proceskostenveroordeling. De beslissing over de proceskosten in hoger beroep wordt aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de gevolgen van vernietiging van proceskostenbedingen.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting in juli 2027 voor verdere procedurele stappen. Het arrest is gewezen door drie rechters en op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere vonnissen behalve de proceskostenveroordeling, wijst een huurachterstand van €3.003,16 toe zonder wettelijke rente en houdt de beslissing over proceskosten aan.