ECLI:NL:GHAMS:2026:2077

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.369.241
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing dwangakkoord wegens onvoldoende aannemelijkheid financieel uiterste

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek om de weigerende schuldeisers te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling (dwangakkoord). De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat het akkoord gebaseerd was op een fictief inkomen en niet het maximale financiële vermogen van appellant weerspiegelde.

Het hof overweegt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Hoewel appellant psychische belastbaarheidsbeperkingen heeft, heeft hij zich onvoldoende ingespannen om zijn belastbaarheid te vergroten en is niet gebleken dat hij niet in staat is om meer inkomen te genereren. Ook is niet aannemelijk dat de wettelijke schuldsaneringsregeling minder oplevert voor schuldeisers dan het aangeboden akkoord.

Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die misbruik van bevoegdheid door de weigerende schuldeisers opleveren. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de weigerende schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met het akkoord hebben kunnen komen.

Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het aangeboden dwangakkoord het uiterste is waartoe appellant financieel in staat is.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.369.241/01
rekestnummer rechtbank : NL:TZ:2606215:R-RK
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. S. van Beers te Zeist,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonende te [plaats 2] ,

2.[geïntimeerde 2] ,

wonende te [plaats 3] ,
geïntimeerden.
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk aangeduid als de weigerende schuldeisers en voor zover nodig afzonderlijk als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 22 mei 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlage, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2026, waarbij zijn verzoek om de weigerende schuldeisers op de voet van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) te bevelen in te stemmen met de door hem aangeboden schuldregeling, is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 7 juli 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, vergezeld door zijn partner B. van Erp en bijgestaan door mr. Van Beers voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. Namens de weigerende schuldeisers is niemand ter zitting verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:
  • voormeld beroepschrift met bijlage;
  • het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en het rapport van Calder Werkt van 23 april 2024;
  • een namens [appellant] overgelegd bericht van 29 mei 2026 van [naam] , griffier in de rechtbank Amsterdam, waarin wordt bevestigd dat het ingediende verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingetrokken;
  • de namens [appellant] op 3 juli 2026 nader ingediende producties 2 t/m 4;
  • een e-mail van [geïntimeerde 1] van 6 juli 2026, met bijlagen.
Nadat was gebleken dat mr. Van Beers niet beschikte over de e-mail van 6 juli 2026, met bijlagen, van [geïntimeerde 1] , heeft de griffier ter zitting deze e-mail inclusief de bijlagen aan mr. Van Beers doorgestuurd.
Mr. Van Beers heeft desgevraagd verklaard over de genoemde stukken te beschikken.

2.Beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gelijktijdig met het verzoekschrift strekkende tot het opleggen van een dwangakkoord in de zin van artikel 287a Fw een verzoekschrift ingediend tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: het toelatingsverzoek). In het bestreden vonnis van 13 mei 2026 heeft de rechtbank, die ter gelegenheid van de op 6 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling eerst het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling – ook wel dwangakkoord genoemd – heeft behandeld, onder 5.6. overwogen dat op het gehandhaafde toelatingsverzoek bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist. Gelet op het bepaalde in artikel 292, derde lid, Fw zoals uitgelegd door de Hoge Raad dient in een dergelijk geval appellant bij handhaving van het toelatingsverzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord (zie HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966), ook wanneer de beslissing op het toelatingsverzoek door de rechtbank is aangehouden (zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:859).
2.2.
Uit een namens [appellant] overgelegd bericht van 29 mei 2026 van [naam] , griffier in de rechtbank [plaats 1] , blijkt dat het toelatingsverzoek is ingetrokken. Dit betekent dat [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om de weigerende schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Inhoudelijke beoordeling
2.3.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot het opleggen van een dwangakkoord afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het aangeboden akkoord is gebaseerd op een fictief inkomen uit een parttime loondienstverband over een periode van één jaar. Als het akkoord wordt aanvaard, zullen – op basis van de huidige afloscapaciteit – de preferente schuldeisers 6% van hun openstaande vorderingen en de concurrente schuldeisers 3% van hun openstaande vorderingen tegemoet kunnen zien. Dit resultaat moet worden vergeleken met de situatie van een eventuele toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Uit het rapport van Calder Werkt van 23 april 2024 volgt dat de urenbeperking mogelijk niet meer van toepassing is, nu nog geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Het rapport vermeldt dat de urenbeperking tijdelijk, te weten korter dan twee jaar is. Los van dit feit, is niet met stukken onderbouwd dat [appellant] aan autisme lijdt of dat hij om die reden niet in staat is om (fulltime) te werken. Als [appellant] betaald werk zou zoeken, fulltime aan de slag zou gaan en achttien maanden zou sparen, zou een aanzienlijk beter aanbod kunnen worden gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het door [appellant] gedane aanbod niet het voor hem maximaal haalbare is. Daar komt bij dat [geïntimeerde 1] een vordering op [appellant] heeft met betrekking tot onbetaald gelaten kinderalimentatie. [appellant] heeft onvoldoende naar voren gebracht waarom hij de kinderalimentatie vóór 2023 niet betaalde. Onweersproken is dat hij na het verbreken van de relatie over vermogen beschikte vanwege de aan hem toekomende overwaarde na verkoop van de voormalige echtelijke woning. [appellant] verdiende na 2023 niet meer dan daarvoor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van ontstaan en onbetaald laten van de kinderalimentatie te goeder trouw is geweest.
2.4.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en het gevraagde dwangakkoord alsnog toe te wijzen. Daartoe heeft [appellant] – onder aanvoering van drie grieven – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het verzoek van [appellant] tot het opleggen van een dwangakkoord dient te worden afgewezen (grief 1). Volgens [appellant] worden in de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Faillissementswet verschillende omstandigheden genoemd die bij de belangenafweging een rol kunnen spelen. De omstandigheden die de rechtbank aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, worden volgens [appellant] niet in de MvT genoemd. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat het door [appellant] gedane aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht (grief 2). [appellant] voert daartoe aan dat het hem in het verleden niet is gelukt om gedurende langere tijd een betaalde baan te behouden en dat sprake is van een afstand tot de arbeidsmarkt. Daarbij wijst hij erop dat hij vanuit de gemeente een ontheffing van de sollicitatieplicht heeft gekregen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij inkomen uit arbeid kan genereren voor meer dan 24 uur per week. Voorts voert [appellant] aan dat een hoger inkomen ertoe zal leiden dat zijn toeslagen lager worden en dat hij substantieel meer zal moeten verdienen om boven het vrij te laten bedrag (vtlb) uit te komen. Tot slot heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder weegt dan zijn belang en dat van de instemmende schuldeisers (grief 3). De weigerende schuldeisers vertegenwoordigen volgens [appellant] slechts een beperkt deel van de totale schuldenlast. [appellant] wijst erop dat al circa vijf jaar ten aanzien van hem beschermingsbewind is ingesteld en dat hij de omstandigheden die aan het ontstaan en onbetaald laten van de schulden ten grondslag hebben gelegen, onder controle heeft gekregen. Indien de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, zal er geen afloscapaciteit zijn en zullen de schuldeisers niets ontvangen, aldus steeds [appellant] .
2.5.
Bij de beoordeling van het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling stelt het hof voorop dat dit verzoek slechts kan worden toegewezen indien de weigerende schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de weigerende schuldeisers hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellant] en/of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Uitgangspunt daarbij is dat het elke schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan en dat een schuldeiser slechts onder zeer bijzondere omstandigheden – die misbruik van bevoegdheid opleveren – kan worden gedwongen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord. Het ligt in beginsel op de weg van de schuldenaar die zodanige medewerking in rechte wenst af te dwingen de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen (vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005: AT7799). Voorts dient voldoende duidelijk te zijn gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht.
2.6.
Blijkens de stukken waaronder het verzoekschrift heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 75.945,62 verdeeld over 21 schuldeisers, van wie drie schuldeisers een preferente vordering hebben. De aangeboden schuldregeling houdt in dat de schuldeisers tegen betaling van 6% van de openstaande preferente vorderingen respectievelijk 3% van de openstaande concurrente vorderingen akkoord gaan met finale kwijting van het resterende deel van hun vorderingen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat het door hem gedane aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Daartoe is het volgende redengevend. De aangeboden schuldregeling is gebaseerd op een fictief loondienstverband met een bruto inkomen van € 2.160,- en een van dit inkomen uitgaande vtlb-berekening die resulteert in een maximale theoretische afloscapaciteit van € 231,44 per maand. Mede gelet op het bovengemiddelde intelligentieniveau, de leeftijd (49 jaar) en werkervaring van [appellant] is evenwel niet onaannemelijk dat [appellant] in staat is een hoger inkomen te genereren wanneer hij ook solliciteert naar functies buiten de maatschappelijke en activistische sectoren. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [appellant] zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het zoeken van betaald werk in laatstgenoemde sectoren. Voor zover [appellant] bij de door hem aangeboden schuldregeling tot uitgangspunt heeft genomen dat hij voor maximaal 24 uur per week belastbaar is voor werk, is dat uitgangspunt ten onrechte. Weliswaar volgt uit het Sociaal Medisch Advies van Calder Werkt van 24 juni 2026 dat [appellant] psychische belastbaarheidsbeperkingen heeft en daarom gedurende een periode van twaalf maanden niet meer dan 24 uur per week belastbaar is voor werk, maar deze situatie was – blijkens het Sociaal Medisch Advies van Calder Werkt van 24 april 2024 – ruim twee jaar geleden ook al aan de orde in verband waarmee [appellant] toen is geadviseerd passende hulp in te schakelen voor zijn psychische problemen die hoofdzakelijk gerelateerd waren aan de privéomstandigheden. In laatstgenoemd medisch advies staat dat met het inschakelen van hulp de draagkracht en belastbaarheid op termijn zouden kunnen worden vergroot. Ter zitting in hoger beroep is evenwel gebleken dat [appellant] niets heeft gedaan met dit advies terwijl hij blijkens het recente Sociaal Medisch Advies van 24 juni 2026 in het spreekuur met de arts heeft gemeld dat hij nog steeds (dezelfde) psychische klachten ervaart. Aldus heeft [appellant] zich niet althans onvoldoende ingespannen om zijn belastbaarheid te vergroten. De omstandigheid dat [appellant] een diagnostisch traject volgt in verband met autisme, leidt niet tot een ander oordeel aangezien niet is gebleken dat daarmee de bedoelde psychische problemen worden aangepakt en de belastbaarheid kan worden vergroot. Dat [appellant] in het verleden moeite heeft gehad met het behouden van betaald werk en dat hij vanuit de gemeente een ontheffing van de sollicitatieplicht heeft gekregen, leidt evenmin tot de conclusie dat hij niet in staat zal zijn (meer) inkomen uit arbeid te verwerven. Niet is gebleken dat een ontheffing is verleend op medische gronden die [appellant] beletten betaald werk te verrichten. Ook de omstandigheid dat een hoger inkomen gevolgen kan hebben voor de hoogte van de toeslagen die [appellant] thans ontvangt, betekent niet zonder meer dat geen hogere afloscapaciteit kan worden gerealiseerd aangezien dit in grote mate afhankelijk is van het niveau van de functie en het daarmee te genereren inkomen. Het hof acht aannemelijk dat [appellant] , wanneer hij (fulltime) werk vindt, zijn schuldeisers een beter aanbod kan doen dan de voorliggende schuldregeling. Anders dan [appellant] heeft gesteld, kan niet worden geoordeeld dat de wettelijke schuldsaneringsregeling – zo die al op [appellant] van toepassing kan worden verklaard gelet op de hiervoor bedoelde psychische problemen waarvoor geen hulp is ingeschakeld – minder voor de schuldeisers zal opleveren dan de door [appellant] aangeboden schuldregeling.
2.7.
Van bijzondere omstandigheden die misbruik van bevoegdheid bij de weigerende schuldeisers opleveren, is niet gebleken. Gelet op al het voorgaande kan niet worden gezegd dat de weigerende schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. De overige omstandigheden dat de gezamenlijke vorderingen van de weigerende schuldeisers circa 18% van de totale schuld van [appellant] bedragen en dat een meerderheid van de schuldeisers zich wel akkoord heeft verklaard met de door [appellant] aangeboden schuldregeling zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.
2.8.
De slotsom is dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.

3.Beoordeling

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, K.A.J. Bisschop en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.