ECLI:NL:GHAMS:2026:267

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.337.278
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:761 lid 1 BWArt. 6:248 BWArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing schadevergoeding wegens verjaring bij roestvorming stalen gevelelementen

In deze civiele zaak vordert [geïntimeerde] schadevergoeding van [appellant] wegens roestvorming aan stalen gevelelementen die door [appellant] zijn gepoedercoat. De rechtbank had de vordering grotendeels toegewezen, maar het hof oordeelt dat de vordering is verjaard en wijst deze af.

De feiten betreffen werkzaamheden in 2014-2015 waarbij stalen kozijnen werden vervangen en gepoedercoat. Roestvorming werd vanaf 2015 geconstateerd en hersteld, maar bleef terugkeren. Diverse onderzoeken concludeerden dat geen epoxyprimer was aangebracht, wat corrosie had kunnen voorkomen. [geïntimeerde] stelde [appellant] aansprakelijk en vorderde schadevergoeding.

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] al in 2015 en 2016 bij [appellant] had geprotesteerd over de roestvorming en dat in juni 2018 duidelijk was dat er een gebrek was. De verjaringstermijn van twee jaar volgens artikel 7:761 lid 1 BW Pro was daarmee verstreken voordat de ingebrekestelling in maart 2021 plaatsvond. Het beroep op verjaring is niet onaanvaardbaar, mede gelet op de rechtszekerheid en de klachtplicht.

De stelling van onrechtmatige daad wordt verworpen omdat onvoldoende is onderbouwd welke normschending dit oplevert. Het hof vernietigt de bestreden vonnissen en wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af. Tevens wordt [geïntimeerde] veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en in de proceskosten.

Uitkomst: De schadevergoedingsvordering wegens roestvorming is verjaard en wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.337.278/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/317298 / HA ZA 21-331
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J.N. Heeringa te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. J.L.W. Nillesen te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] vordert schadevergoeding van [appellant] in verband met een gebrek (roestvorming) aan stalen gevelelementen die door [appellant] zijn gepoedercoat. De rechtbank heeft de vordering (grotendeels) toegewezen. Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard en wijst deze af.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 12 januari 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 21 september 2022 en 25 oktober 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: de bestreden vonnissen).
Bij tussenarrest van 5 maart 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 4 april 2024 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens houdende een wijziging van eis en memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;
- akte uitlating producties zijdens [geïntimeerde] .
Op 6 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde] heeft in de jaren 2014 en 2015 in opdracht van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) aannemingswerkzaamheden verricht aan een woning in Amsterdam (hierna: de woning).
3.2.
De werkzaamheden van [geïntimeerde] betroffen het vervangen van de oude stalen gevelelementen (deuren en ramen met kozijnen). In de Technische Omschrijving van
4 maart 2013 die deel uitmaakt van de overeenkomst tussen [bedrijf 1] en de
opdrachtgeefster staat:
31
Buitenkozijnen, ramen en deuren
( ...) nieuwe geïsoleerde stalen kozijnen aanbrengen: [naam 1] met
Renoseal stoppasta op kleur.
3.3.
[geïntimeerde] heeft in haar offerte met [nummer 1] aan [bedrijf 1] onder meer opgenomen:
Oppervlaktebehandeling
De producten worden uitwendig voorzien van een dubbellaags poedercoating
(zink+kleur) in een standaard RAL-kleur, laagdikte ca. 110 micron (glansgraad
70%). (…)
3.4.
In de onderaannemingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [bedrijf 1] staat:
Het leveren en monteren van 19 stuks geïsoleerde profielstalen kozijnen met
daarin 4 stolpdeuren, 1 draaideur en 2 draairamen, uitvoering conform de door
ons aangeleverde tekening en de door u gemaakte omschrijving in uw offerte
[nummer 2] van de datum 17 september 2013.
3.5.
[geïntimeerde] heeft [appellant] opgedragen de stalen kozijnen die zij van de profielen van het
merk [naam 1] had vervaardigd, te poedercoaten. De opdracht is niet schriftelijk vastgelegd. Wel staat in de door [geïntimeerde] opgestelde vrachtbrieven waarmee de kozijnen bij [appellant] zijn aangeleverd:
Conservering ZINK + RAL 9016 PROFIELEN MAX 180 GRADEN COATEN
3.6.
Op de twee facturen van [appellant] van 4 juli 2014 betreffende deze werkzaamheden
staat:
“Primer + Ral 9016”. Op de twee facturen van 31 juli 2014 staat:
“Ral 9016 2 laags”.
3.7.
Bij oplevering van het werk op 17 april 2015 zijn roestplekjes aan de kozijnen
geconstateerd. Deze zijn ter plekke hersteld door [appellant] .
3.8.
In maart 2016 bleek er weer roestvorming aan de kozijnen te zijn. In opdracht van [geïntimeerde] heeft Novanet plaatselijk herstel verricht op 20 december 2017 en 26 januari 2018. In maart 2018 was er echter opnieuw roestvorming.
3.9.
Bij e-mail van 5 juni 2018, 09:23 uur, heeft [naam 2] (directeur van [geïntimeerde] , hierna: [naam 2] ) onder meer het volgende geschreven aan [naam 3] (directeur van [appellant] , hierna: [naam 3] ):
Helaas hebben we weer roestvorming aan de puien (…). Wij zijn daar vorig jaar met z’n tweeën wezen kijken en in de tussentijd hebben we een bedrijf (Novanet) een aantal reparaties laten uitvoeren, zoals wij toen ook besproken hebben. Maar de roest blijft terugkeren en ook op nieuwe plekken. De opdrachtgever heeft nu besloten om de poedercoating te laten keuren door SKG-IKOB, een onafhankelijke keuringsinstantie. Deze keuring gaat morgen rond een uur of 9 plaatsvinden en ik weet dat dit kort dag is, maar ik zou graag willen, dat jij of [naam 4] hier ook bij aanwezig zijn, om eventuele vragen te kunnen beantwoorden. Laat mij even weten of je kan komen.
3.10.
Bij e-mail van dezelfde datum, 15:25 uur, schreef [naam 2] in reactie op een e-mail van [naam 3] :
(…) Deze opdracht is uit 2014 en niet uit 2013, de meeste kozijnen zijn in de periode april t/m augustus gecoat en de eerste roestvorming is al gemeld in mei 2015.
Die hebben jullie toen zelf hersteld, maar dat kwam binnen een jaar weer terug. Vervolgens zijn wij met z’n tweeën, naar aanleiding van de nieuwe melding in mei 2016 bij het werk wezen kijken en hebben toen afgesproken om een gespecialiseerd herstelbedrijf erbij te halen en samen die kosten voor onze rekening te nemen.
De eigenaresse van het huis heeft pas in 2017 ingestemd met het plan van aanpak en de reparatie en die is uiteindelijk in december 2017 / januari 2018 uitgevoerd.
Wij zijn dus niet zoals jij stelt, zelf aan het repareren geweest en het bedrijf die de reparatie heeft uitgevoerd is door jou zelf op 18 juli 2016, akkoord verklaard.
Het is dus roestvorming, die ruim binnen de garantietermijn gemeld is.
Het is op dit moment belangrijk dat wij wellicht het een ander kunnen weerleggen, door morgen hierbij aanwezig te zijn.
Ik vraag je dus, om toch te kijken of jij of [naam 4] morgen bij de keuring langs kan komen.
3.11.
[naam 3] reageerde hierop bij zijn e-mail van 5 juni 2018, 15:43 uur, als volgt:
Ten eerste [naam 2] over welke garantie heb je het eigenlijk, en ten tweede heb ik jou in 2015 al aangetoond dat jouw roest van binnenuit komt waar ik foto’s van heb. Jij wilde de kozijnen er niet uit halen en verzocht mij om het bij te werken met een spuitbus en dat is en blijft een lapmiddel. In 2016 heb ik mijn handen er vanaf getrokken omdat ik niet blijf met lapmiddelen jou probleem op te lossen waarop jij hebt besloten een ander erbij te halen.
3.12.
Op 14 maart 2019 is [geïntimeerde] ervan op de hoogte gesteld dat opnieuw sprake was van roestvorming. De opdrachtgeefster heeft Centrum voor Onderzoek en Techniek (hierna: COT) onderzoek laten verrichten naar de oorzaak van de roestvorming. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 4 maart 2020. Daarin staat onder meer:
Gezien het feit dat er structureel bruine roest is aangetroffen op de stalen
kozijnen en deuren, de stalen ondergrond van de kozijnen en deuren niet reageert
na belasting met zoutzuur (de bruistest), en er geen dikte van een eventuele
zinklaag kan worden vastgesteld op de stalen deuren en kozijnen, kan gesteld
worden dat de gehele stalen constructie (de stalen kozijnen en deuren) niet
voorzien is van een zinklaag in welke vorm of type dan ook.
3.13.
In zijn brief van 24 juni 2020 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van [bedrijf 1] onder meer geschreven:
Cliënte had inderdaad toentertijd in de offerte nog zink als primer staan, maar op
aanraden van haar toenmalige [bedrijf 2] uit [plaats 1] , werd
er als primer een epoxyprimer gebruikt. Volgens cliënte raad men in de
Normbladen voor een situatie zoals bij dit werk een dubbellaags poedercoating
aan met als eerste laag een epoxypoedercoating en als tweede laag een polyester poedercoating op kleur. Dat is ook hetgeen hier is aangebracht. (...)
Inmiddels laat cliënte geen kozijnen meer door [naam 3] coaten, maar laat zij alle kozijnen door een andere [bedrijf 3] uit Amsterdam coaten, die ook een epoxycoating gebruikt voor dit soort buitentoepassingen in gebied C3 (...), en dezelfde Normbladen (...) met daarin een tweelaags poedercoatsysteem met een epoxyprimer en een polyester kleurlaag, met een totale gemiddelde laagdikte van 120 micron. Dus in die zin heeft [naam 3] het gewoon vakkundig en volgens de toen geldende normen uitgevoerd.
3.14.
In augustus 2020 heeft [bedrijf 1] [geïntimeerde] in vrijwaring opgeroepen in een tussen haar en de opdrachtgeefster lopende procedure bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA). Daar stond de vraag centraal wie aansprakelijk is voor schade aan het werk, bestaande uit het volledig ontbreken van enige zinklaag of deugdelijk alternatief in de kozijnen in de woning.
3.15.
In het kader van die procedure heeft COT nader onderzoek verricht. In haar rapport van 8 maart 2021 staat onder meer:
(ii) Is er een dubbellaags poedercoating met als eerste laag een epoxyprimer en als
tweede laag een polyester poedercoating op kleur aangebracht?
(...) Antwoord gevende op de vraagstelling blijkt dus dat de onderzijde van de verfschilfer bestaat uit een bindmiddel op basis van polyester en de bovenzijde
(zichtzijde) op basis van polyester poedercoating.
Er kunnen theoretisch twee mogelijk drie lagen zijn aangebracht, maar dan
bestaan deze uit hetzelfde type afwerking. In ieder geval kan met zekerheid worden
gesteld dat ergeen epoxyprimeris aangebracht. (...)
(iii) Is voornoemde coating, zo deze is aangebracht, volgens u correct aangebracht?
(...)
Esthetisch gezien voldoet het verfsysteem aan redelijk te stellen conserveringseisen
en kan gesteld worden dat deze correct is aangebracht. Dit alles neemt niet weg
dat de stalen kozijnen en deuren met inachtneming van De kooi van [naam 5] , niet
geschikt zijn voor het aanbrengen van een poedercoating. Dat wil zeggen: niet in
alle hoeken en naden kan het verfsysteem of een poedercoating voldoende worden
aangebracht. De stalen kozijnen en deuren zijn op meerdere plaatsen onvoldoende
of helemaal niet voorzien van een afsluitende poedercoating, behoudens
mechanische beschadigingen met corrosievorming tot gevolg. (...)
E. Vraag: Wat zijn de gevolgen (gelet op ontstaan corrosie) nu er geen epoxyprimer is gebruikt?
Wat de exacte gevolgen zijn is heden niet aan te geven. Wel weten we inmiddels dat
op vrijwel alle deuren en kozijnen in meer of mindere mate bruine corrosie
voorkomt. Een epoxy primer heeft als receptuur minimaal één of meerdere
corrosiewerende ingrediënt(en) die ten eerste een goede hechting moet verkrijgen
maar ook een actieve corrosiewerende werking moet bevatten. De huidige situatie
is nu dat het staal wordt beschermd door enkel een in meer of mindere mate
afsluitende laag zonder directe of actieve corrosiewerende eigenschappen.
(…)
Na het plaatselijk verwijderen van het poedercoatingsysteem zijn op het kale staal
metingen uitgevoerd om te beoordelen of er nog een (beschermde) laag aanwezige
is op de ondergrond / substraat. Hierbij is vastgesteld middels visuele beoordeling,
bruistest en laagdikte metingen dat na het verwijderen van het witte
poedercoatingsysteem er geen enkele meetbare laag, in welke vorm dan ook is
gedetecteerd (…).
3.16.
Bij e-mail van 17 maart 2021 heeft [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor alle
schade en kosten die [geïntimeerde] mogelijk zal gaan lijden naar aanleiding van de bevindingen van COT. Bij brief van 9 april 2021 heeft [appellant] de aansprakelijkheid afgewezen.
3.17.
De RvA heeft [geïntimeerde] bij scheidsrechterlijk vonnis van 17 januari 2022 (hierna: het scheidsrechterlijk vonnis) veroordeeld tot het kosteloos doen vervangen van de door haar geplaatste stalen gevelelementen door nieuwe, deugdelijk verzinkte en gecoate stalen gevelelementen van het merk [merk] , door een door opdrachtgeefster goed te keuren derde partij. Daarnaast is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de gevolgschade van € 30.000,00, van de deskundigenkosten van € 4.558,07 en van proceskosten van € 36.475,02. De RvA overwoog in dit verband onder meer:
30. Op grond van de eisen van goed en deugdelijk werk had er wel een anti-corrosiebehandeling moeten worden toegepast, zoals algemeen bekend mag
worden verondersteld bij professionele bouwpartijen. Zonder zo'n laag zullen de
gevelelementen immers onacceptabel sneller vergaan onder invloed van
vochtinwerking. Met het enkele ontbreken van een anti-corrosiebehandeling staat
dus al vast dat hoofdaanneemster jegens opdrachtgeefster tekort is geschoten.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank, na eiswijziging, gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 78.185,14, met rente. Hiervan is een bedrag van € 74.185,14 gebaseerd op het scheidsrechterlijk vonnis. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] , in strijd met wat partijen met elkaar waren overeengekomen, de kozijnen niet heeft voorzien van een epoxyprimer. Daardoor is roestvorming ontstaan. Alle schade die het gevolg is van de tekortkoming van [appellant] moet voor haar rekening komen, aldus [geïntimeerde] .
4.2.
De rechtbank heeft een deskundige benoemd, omdat zij niet goed kon vaststellen of uitsluitend thermische verzinking de opgetreden corrosie had kunnen voorkomen of dat de overeengekomen, maar niet aangebrachte, epoxyprimer die corrosie ook geheel of in meer of mindere mate had kunnen voorkomen en zo ja, in hoeverre dat het geval zou zijn geweest. Op basis van het deskundigenrapport is de rechtbank er vervolgens van uitgegaan dat de door [appellant] aan te brengen maar niet aangebrachte epoxyprimer de schade aan de geveldelen, bestaande uit roestvorming binnen enkele jaren na plaatsing daarvan, had kunnen voorkomen.
4.3.
De rechtbank concludeerde dat [appellant] aansprakelijk is voor de gehele schade die [geïntimeerde] door haar wanprestatie heeft geleden. Bij het optellen van de bedragen uit het arbitraal vonnis kwam de rechtbank uit op een bedrag van € 71.033,10 en niet op € 74.185,14. De rechtbank heeft eerstgenoemd bedrag toegewezen, met rente. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van de verdere schade voortvloeiend uit het scheidsrechterlijk vonnis, nader op te maken bij staat. [appellant] is bovendien in de proceskosten veroordeeld.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert – naar het hof begrijpt – dat de bestreden vonnissen worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van alles wat [appellant] op grond van deze vonnissen al betaald heeft, met rente, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
[geïntimeerde] vordert in principaal hoger beroep dat het hof de vorderingen van [appellant] zal afwijzen. In incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] (1) een verklaring voor recht dat de algemene voorwaarden van [appellant] zijn vernietigd en niet op de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] van toepassing zijn dan wel alsnog vernietiging daarvan, (2) gedeeltelijke vernietiging van het bestreden eindvonnis en veroordeling van [appellant] tot betaling van bedragen van € 74.185,14 en € 3.164,15, met rente, en (3) veroordeling van [appellant] tot betaling van de verdere schade voortvloeiend uit het scheidsrechterlijk vonnis, nader op te maken bij staat. [geïntimeerde] vordert verder in incidenteel hoger beroep bekrachtiging (voor het overige) van – naar het hof begrijpt – de bestreden vonnissen. Zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] in de proceskosten van – naar het hof begrijpt – het hoger beroep, met nakosten en rente.
5.3.
[appellant] heeft in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd en gevorderd dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en rente.
5.4.
Beide partijen hebben een bewijsaanbod gedaan.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vijftien grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen. Met haar grieven betoogt [appellant] in de kern dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, en dat zij (dus) niet aansprakelijk en schadeplichtig is. [appellant] heeft onder meer een beroep gedaan op verjaring, schending van de klachtplicht en het ontbreken van verzuim.
6.2.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen. Met haar eerste grief stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat zij niet heeft geaccepteerd of met [appellant] is overeengekomen dat [appellant] een epoxyprimer in plaats van een zinklaag op de geveldelen zou aanbrengen. Grief II in incidenteel hoger beroep luidt dat, rekening houdend met de toewijsbare wettelijke rente, € 74.185,14 had moeten worden toegewezen.
De vordering van [geïntimeerde] is verjaard
6.3.
Het hof ziet aanleiding om eerst het (meest verstrekkende) verweer van [appellant] te bespreken dat de vordering van [geïntimeerde] is verjaard (grief 1). Dit verweer slaagt. Het hof legt aan dit oordeel het volgende ten grondslag.
6.4.
Artikel 7:761 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een vordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd.
6.5.
[geïntimeerde] heeft in 2015 en 2016 al bij [appellant] geprotesteerd. Op 5 juni 2018 hebben partijen bovendien uitvoerig gemaild over de roestvorming (zie 3.9 t/m 3.11 hierboven). Als het niet al in 2015 en/of 2016 zo was, was het voor [geïntimeerde] in ieder geval op of omstreeks 5 juni 2018 voldoende duidelijk dat er een gebrek was, namelijk roestvorming, dat naar zijn aard vrijwel zeker voor rekening van [appellant] moest komen. Immers, [appellant] had deze roestvorming juist moeten voorkomen, middels het aanbrengen van een corrosiewerende laag. Dat [geïntimeerde] [appellant] hier ook daadwerkelijk voor verantwoordelijk hield, blijkt wel uit het feit dat zij [appellant] steeds heeft betrokken bij de in 2015 en 2016 getroffen herstelmaatregelen. In 2018 heeft zij [appellant] willen betrekken bij het door de opdrachtgeefster gelaste onderzoek. [naam 2] schreef bovendien:
“(…) Wij zijn dus niet zoals jij stelt, zelf aan het repareren geweest en het bedrijf die de reparatie heeft uitgevoerd is door jou zelf op 18 juli 2016, akkoord verklaard.Het is dus roestvorming, die ruim binnen de garantietermijn gemeld is. (…)[onderstreping toegevoegd, hof]
(zie 3.10 hierboven)
.[geïntimeerde] heeft daarnaast besloten haar kozijnen niet langer door [appellant] te laten poedercoaten (zie 3.13 hierboven).
6.6.
Gelet op het voorgaande volgt het hof [geïntimeerde] niet in haar standpunt dat nog nader onderzoek nodig was naar de precieze oorzaak van de roestvorming (en dat het beroep van [appellant] op verjaring daarom niet slaagt). Als [geïntimeerde] nog wel nader onderzoek had willen doen, dan had zij dat met meer voortvarendheid moeten doen, of de verjaring moeten stuiten. Dit ook gelet op de ratio van 7:761 lid 1 BW, dat beoogt rechtszekerheid te scheppen en te voorkomen dat een opdrachtgever een aannemer oneindig kan aanspreken voor oude gebreken.
6.7.
De verjaringstermijn van artikel 7:761 lid 1 BW Pro is dus gaan lopen (uiterlijk) op 5 juni 2018 en liep tot 5 juni 2020. [geïntimeerde] heeft [appellant] op 17 maart 2021 in gebreke gesteld (zie 3.16 hierboven). De verjaring is in de periode tussen 5 juni 2018 en 5 juni 2020 niet gestuit, ondanks dat [geïntimeerde] bijvoorbeeld op 14 maart 2019 nog door [bedrijf 1] in gebreke is gesteld. [geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat in 2020 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden met een medewerker van [appellant] . [appellant] heeft dit betwist en [geïntimeerde] heeft deze stelling niet onderbouwd. Het gesprek zou bovendien pas eind juni 2020 zijn gevoerd, toen [geïntimeerde] een e-mail had ontvangen van de advocaat van [bedrijf 1] (zie ook 3.13 hierboven). Toen was de tweejaarstermijn al verstreken.
6.8.
De vorderingen waren op het moment van ingebrekestelling en dagvaarding dus verjaard.
Het beroep op verjaring is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
6.9.
[geïntimeerde] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat [appellant] geen geslaagd beroep op verjaring toekomt omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet.
6.10.
De rechtsfiguur van de verjaring dient de rechtszekerheid. Een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan daarom slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehonoreerd. Zo’n uitzonderlijk geval is niet aan de orde. Het hof ziet namelijk niet waarom een stuitingshandeling (die vormvrij is) niet van [geïntimeerde] gevergd kon worden. Ook ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] geen afdoende verklaring gegeven voor de radiostilte. Artikel 7:761 BW Pro dwingt (in combinatie met de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro) de opdrachtgever, in dit geval [geïntimeerde] , rekening te houden met de redelijke belangen van de aannemer ( [appellant] ): de kans dat het gebrek verergert wordt groter naarmate de opdrachtgever langer wacht met het aanspreken van de aannemer, en verder wordt met het verstrijken van de tijd de bewijspositie van de aannemer met betrekking tot mogelijke overmachtsfactoren moeilijker. [geïntimeerde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit in deze zaak niet aan de orde is. Aannemelijk is juist dat de roestvorming in de jaren nadat zij in juni 2018 had geprotesteerd, is verergerd. Zelfs als [appellant] geen concreet nadeel zou ondervinden van het tijdsverloop, doet dat er niet aan af dat [appellant] op een zeker moment nadat zij haar aansprakelijkheid van de hand had gewezen, ervan mocht uitgaan dat [geïntimeerde] zich bij de situatie had neergelegd en geen rechtsmaatregelen wilde nemen.
6.11.
Tegen de achtergrond van het voorgaande acht het hof het feit dat het om een (mogelijk) ernstige wanprestatie gaat die de kern van de prestatie betreft, niet dusdanig uitzonderlijk dat de rechtszekerheid die met de verjaring is gediend, daarvoor moet wijken. Dat betekent dat het beroep van [appellant] op verjaring niet onaanvaardbaar is.
Geen onrechtmatige daad
6.12.
Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] , door de overeenkomst zo flagrant te schenden, ook onrechtmatig jegens haar gehandeld. Ook op die grond is zij gehouden de volledige schade van [geïntimeerde] te vergoeden, en speelt bovendien de verjaringstermijn van 7:761 lid 1 BW geen rol. [appellant] heeft willens en wetens een ondeugdelijk product aan [geïntimeerde] geleverd en voor zover de door [geïntimeerde] geleverde kozijnen volkomen ongeschikt waren voor een roestwerende behandeling, had [appellant] [geïntimeerde] daarvoor moeten waarschuwen, aldus steeds [geïntimeerde] .
6.13.
Deze stellingen van [geïntimeerde] slagen evenmin. Het niet aanbrengen van een corrosiewerende laag moet in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] bij uitstek worden aangemerkt als wanprestatie. Dat en waarom dit ook een onrechtmatige daad oplevert, is met de hiervoor aangehaalde stellingen onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] heeft onder meer verzuimd te stellen welke normschending het niet aanbrengen van een corrosiewerende laag zou opleveren.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.14.
Omdat het verjaringsverweer (grief 1) slaagt behoeven de overige grieven, zowel in principaal als incidenteel hoger beroep, geen bespreking meer.
6.15.
Het principaal hoger beroep heeft succes, het incidenteel hoger beroep niet. De bestreden vonnissen wordt vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] moeten (alsnog) worden afgewezen. [geïntimeerde] wordt bovendien veroordeeld tot terugbetaling van alles wat [appellant] op grond van de bestreden vonnissen betaald heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.16.
[geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof laat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand, omdat [appellant] pas in hoger beroep een beroep heeft gedaan op artikel 7:761 lid 1 BW Pro.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
In principaal hoger beroep:
- explootkosten € 122,37
- griffierecht € 2.175,00
- salaris advocaat € 6.639,00 (tarief € 2.213,00, 3 punten)
Totaal € 8.936,37.
In incidenteel hoger beroep:
- salaris advocaat € 2.213,00 (tarief € 1.106,50, 2 punten).

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden vonnissen en doet opnieuw recht:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van alles wat [appellant] op grond van de bestreden vonnissen betaald heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu in principaal hoger beroep vastgesteld op € 8.936,37 en in incidenteel hoger beroep op € 2.213,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. de Greef, J.E. van der Werff en M.A.J.G. Janssen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.