5.hij op tijdstippen in de periode van 5 maart 2018 tot en met 5 juni 2019 in Nederland, voorwerpen, te weten:
- (telkens) een geldbedrag (te weten: huurpenningen voor de [adres 2] , ter hoogte van telkens ongeveer € 1.500,00) contant gestort en
- een crossmotorfiets (merk KTM, zonder kenteken) aangekocht met een contant geldbedrag van
€ 1.000,00,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,
terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Hetgeen onder 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Feit 4 (valsheid in geschrift)
Nu de verdachte het onder feit 4 bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem voor dit feit geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
6 januari 2018 met factuurnummer 00002 (map AL, bijlage bij AMB1-26, dossierpagina 2021).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
5 juni 2018 met factuurnummer 00050 (map AL, bijlage bij AMB1-25, dossierpagina 2016).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
21 september 2018 met factuurnummer 00074 (map AL, bijlage bij AMB1-25, dossierpagina 2014).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
27 november 2018 met factuurnummer 00093 (map AL, bijlage bij AMB1-25, dossierpagina 2012).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
4 januari 2019 met factuurnummer 00097 (map AL, bijlage bij AMB1-26, dossierpagina 2022).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
23 april 2019 met factuurnummer 00134 (map AL, bijlage bij AMB1-26, dossierpagina 2023).
Feit 5 (witwassen huurpenningen en crossmotorfiets)
Ten aanzien van feit 5 berust de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen. Voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, wordt deze slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
-
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
25 april 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
In opdracht van [persoon 2] heb ik de loods aan de [adres 2] gehuurd en heb ik [bedrijf] opgericht. Dit was een fake-bedrijf waarmee ik in werkelijkheid geen werkzaamheden verrichte. Ik ontving hiervoor van [persoon 2] € 3.000,00 per maand aan contante gelden. Met de helft daarvan betaalde ik de huur van de loods aan de [adres 2] . Ik stortte de gelden op de bankrekening van mijn fake-bedrijf en maakte vervolgens de huur vanaf die bankrekening over.
Bij de huur van de loods van de [adres 2] en het nepbedrijf dacht ik dat het om
gestolen meubels ging. Daarom heb ik niks verteld.
De KTM crossmotorfiets heb ik aangekocht met contant geld dat ik kreeg van [persoon 2] . De loods in de Hem staat op naam van mijn vader, maar ik gebruikte deze.
-
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (map AC, dossierpagina 437).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:
Hij
(het hof begrijpt: [persoon 2] )wilde een trailer ergens stallen. Ik moest een eigen bedrijf starten. Hij zou dan een lege trailer stallen. Ik kreeg in totaal € 3.000,00. Daarvan zou € 1.500,00 voor de huur van de bedrijfsruimte zijn en water, licht en belasting. Ik zou er € 1.500,00 aan verdienen. Maar het was gewoon allemaal fake. Ik had geen bedrijfsvoering. Het was allemaal te mooi om waar te zijn.
-
Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel uit de KvK met betrekking tot [bedrijf] (map AL, bijlage 1 bij proces-verbaal zaaksdossier 2, dossierpagina 1996).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Onderneming
Handelsnaam [bedrijf]
Rechtsvorm Eenmanszaak
Startdatum onderneming 20-11-2017
Naam eigenaar [verdachte]
Geboortedatum en -plaats [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]
-
Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht van stortingen op de zakelijke rekening van [bedrijf] (map AL, bijlage 6 bij proces-verbaal zaaksdossier 2, dossierpagina’s 2004-2005).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
-
Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht van huurbetalingen van zakelijke rekening [bedrijf] aan [persoon 4] voor de loods [adres 2] (map AL, bijlage 2 bij proces-verbaal zaaksdossier 2, dossierpagina 1997).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
-
Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (met bijlagen) van 12 juni 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (map AA, DZK3-01, dossierpagina’s 37-39).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de verbalisanten of één van hen:
Op woensdag 12 juni 2019 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de loods, [adres 4] .
Tijdens de doorzoeking werd inbeslaggenomen: 1 KTM crossmotor.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 4 bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op, waardoor de verdachte ten aanzien van dat feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg is onder 4 aan de verdachte ten laste gelegd dat hij gebruik heeft gemaakt van valse geschriften door deze af te leveren en voorhanden te hebben als ware deze echt en onvervalst. Daarmee heeft het openbaar ministerie kennelijk artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ten laste willen leggen. Volgens de wettekst van dat artikel is echter vereist dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Nu in de (gewijzigde) tenlastelegging het vereiste opzetbestanddeel niet is opgenomen, kan weliswaar bewezen worden hetgeen de verdachte onder 4 ten laste is gelegd, maar levert dat in het licht van de hiervoor genoemde strafbepaling geen strafbaar feit op. Dat de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd, maakt dit niet anders.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde uitsluit.
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft gewezen op het feit dat de verdachte reeds (ruim) negen maanden in voorarrest heeft gezeten en heeft verzocht geen aanvullende gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een fors voorwaardelijk strafdeel. In het bijzonder heeft de verdediging daarbij gewezen op de psychische problemen waar de verdachte al langere tijd mee kampt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft daarbij gehandeld uit puur financieel gewin. Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële verkeer aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2026 is hij niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Bij de strafoplegging heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Het hof is al met al van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf en acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend.
In deze zaak is echter in beide instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoel in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op 12 juni 2019 is de verdachte in verzekering gesteld. Het vonnis is gewezen op 23 mei 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim elf maanden is overschreden.
Het hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld op 3 juni 2022. Het hof wijst arrest op 10 februari 2026. Dit betekent dat ook in hoger beroep sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van bijna één jaar en negen maanden.
Deze overschrijdingen dienen te leiden tot strafvermindering en maakt dat het hof in plaats van voornoemde gevangenisstraf, een gevangenisstraf voor de duur van tien weken zal opleggen, met aftrek van voorarrest.
Het hof merkt op dat wordt uitgegaan van de beslaglijst van 19 april 2022, die door de officier van justitie in eerste aanleg is overgelegd en waaruit blijkt dat alleen op de op die beslaglijst opgenomen beslagnummers 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 15 nog een beslissing moet worden genomen. Daarbij stelt het hof eveneens vast dat de crossmotorfiets (KTM) abusievelijk tweemaal op de beslaglijst is opgenomen, namelijk onder de nummers 4 en 8 (goednummer 1028672).
De advocaat-generaal en de raadsman hebben verzocht om overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank op het beslag te beslissen.
Verbeurdverklaring
Het onder 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven crossmotorfiets (vermeld onder beslagnummers 4 en 8). Deze crossmotorfiets behoort de verdachte toe en zal daarom worden verbeurdverklaard.
Teruggave aan de verdachte
Niet kan worden vastgesteld dat de overige onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde, noch dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp of met betrekking tot de voorwerpen. Derhalve zijn de voorwerpen niet vatbaar voor verbeurdverklaring en is het hof van oordeel dat de navolgende onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan hem moeten worden teruggeven:
2. 1 STK Personenauto (Paoletti Racing, [kenteken 4] , goednummer: 1028654);
3. 1 STK Personenauto (Zhenhua, [kenteken 5] , goednummer: 1028662);
6. 1 STK Motorfiets (Kawasaki, goednummer: 1028665);
7. 1 STK Motorfiets (Yamaha, goednummer: 1028672);
9. 1 STK Aanhanger (goednummer: 1028721);
15. 1 STK Simkaart zaktelefoon (goednummer: 1028701).
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2018 (parketnummer 23-000544-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu de verdachte in het kader van onderhavige strafzaak reeds negen maanden in voorarrest heeft doorgebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Verklaart de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder feiten 2 en 3 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde
nietstrafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het onder 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
4 (= 8) 1 STK Speelgoed (KTM, goednummer: 1028676).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2. 1 STK personenauto (Paoletti Racing, [kenteken 4] , goednummer: 1028654);
3. 1 STK personenauto (Zhenhua, [kenteken 5] , goednummer: 1028662);
6. 1 STK motorfiets (Kawasaki, goednummer: 1028665);
7. 1 STK motorfiets (Yamaha, goednummer: 1028676);
9. 1 STK Aanhanger (goednummer: 1028721); en
15. 1 STK simkaart van zaktelefoon (goednummer: 1028701).
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Ressortsparket Amsterdam van
28 augustus 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2018 (parketnummer 23-000554-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken.
HEFT OPhet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. L.F. Roseval en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2026.