ECLI:NL:GHAMS:2026:336

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.339.498/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21.1 Metaalunievoorwaarden 2019Art. 17.6 Metaalunievoorwaarden 2019Art. 17.8 Metaalunievoorwaarden 2019Art. 18.2.a Metaalunievoorwaarden 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging aannemingsovereenkomst en financiële afwikkeling bij onvoltooide werkzaamheden

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor installatie van rookgasafvoerkanalen in een appartementencomplex, die werd beëindigd voordat de werkzaamheden waren voltooid. De rechtbank oordeelde dat de opdrachtgever de overeenkomst had opgezegd, maar het hof stelt vast dat dit niet is komen vast te staan.

Het geschil betreft de wijze van beëindiging en de financiële afwikkeling. Het hof concludeert dat partijen stilzwijgend een beëindigingsovereenkomst zijn aangegaan, maar dat de afspraken over afrekening ontbreken. Deze leemte wordt aangevuld met de redelijkheid en billijkheid.

Het hof overweegt dat HDA recht heeft op een vergoeding van een zesde deel van de aanneemsom minus reeds betaalde bedragen, vermeerderd met contractuele rente en incassokosten. Partijen krijgen gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over de vergoeding en eigendom van materialen.

De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na schriftelijke uitlatingen van partijen.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat niet vaststaat dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd en vult de leemte in de afspraken aan met redelijkheid en billijkheid, waarna partijen zich over de vergoeding kunnen uitlaten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.339.498/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/335122 / HA ZA 22-765
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 februari 2026
in de zaak van
HOLLAND DAK ACCESSOIRES B.V.,
gevestigd te Haarlem,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J. de Vries te Amsterdam,
tegen
TBK KLIMAAT B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. L. Bijl te Hoorn.
Partijen worden hierna HDA en TBK genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan de aannemer zich heeft verbonden om nieuwe rookgasafvoerkanalen te installeren in een appartementen-complex. De overeenkomst is geëindigd voordat de overeengekomen werkzaamheden zijn voltooid. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de overeenkomst is geëindigd en over de financiële consequenties van de beëindiging van hun samenwerking. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet vaststaat dat de opdrachtgever de overeenkomst heeft opgezegd. De tussen partijen gemaakte afspraken vertonen een leemte die met behulp van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangevuld. Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over de financiële afwikkeling van de werkzaamheden die de aannemer heeft verricht.

2.Het geding in hoger beroep

HDA is bij dagvaarding van 19 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 11 oktober 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen HDA als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en TBK als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie (verder: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met een productie;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Op 25 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is toegelicht door de voornoemde advocaten en zijdens HDA ook door mr. R.M. Ebens te Amsterdam, aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. HDA heeft bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.27. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Deze feiten luiden, samengevat en aangevuld met andere onomstreden feiten, als volgt.
3.1.
HDA is een metaalbewerkingsproductiebedrijf en monteert onder andere rookgasafvoerkanalen.
3.2.
TBK verkoopt en installeert verwarmings- en luchtbehandelingssystemen.
3.3.
De eigenaresse van een appartementencomplex aan het [naam gebouw] in [plaats] (hierna: het complex) heeft in maart 2022 opdracht aan TBK gegeven om alle water-, gas-, en verwarmingsinstallaties van het complex te vervangen. Het complex is verdeeld in zes zogenoemde strangen (appartementtorens): twee strangen van zeventien woningen en vier strangen van zestien woningen.
3.4.
TBK en HDA zijn overeengekomen dat HDA nieuwe rookgasafvoerkanalen zou installeren in het complex. Op 1 juni 2022 heeft TBK een door HDA aan haar gestuurde offerte ondertekend. Op de offerte staat dat op alle offertes van, opdrachten aan en overeenkomsten met HDA de Metaalunievoorwaarden 2019 (verder: de Voorwaarden) van toepassing zijn. De tussen HDA en TBK gesloten overeenkomst wordt hierna de overeenkomst genoemd. De overeengekomen aanneemsom bedraagt € 77.232,70.
3.5.
In de Voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
17.6.
Opdrachtgever is in geval van vertraging in de voldoening van een geldsom rente over die geldsom aan opdrachtnemer verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop opdrachtgever de geldsom heeft voldaan. Als partijen geen uiterste dag van betaling zijn overeengekomen is de rente verschuldigd vanaf 30 dagen na opeisbaarheid. De rente bedraagt 12% per jaar, maar is gelijk aan de wettelijke rente als deze hoger is. Bij de renteberekening wordt een gedeelte van de maand gezien als een volle maand. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de rente wordt berekend vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
17.8.
Indien betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is opdrachtgever aan opdrachtnemer alle buitengerechtelijke kosten verschuldigd met een minimum van € 75,-.
Deze kosten worden berekend op basis van de volgende tabel (hoofdsom incl. rente):
over de eerste € 3.000,- 15%
over het meerdere tot € 6.000,- 10%
over het meerdere tot € 15.000,- 8%
over het meerdere tot € 60.000,- 5%
over het meerdere vanaf € 60.000,- 3%
De werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten zijn verschuldigd, als deze hoger zijn dan uit bovenstaande berekening volgt.
18.2.
Opdrachtnemer blijft eigenaar van geleverde zaken zolang opdrachtgever:
a. niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit enige overeenkomst met opdrachtnemer;
(…)
21.1.
Opdrachtgever is niet bevoegd de overeenkomst op te zeggen of te annuleren, tenzij opdrachtnemer daarmee instemt. Bij instemming van opdrachtnemer, is opdrachtgever aan opdrachtnemer een direct opeisbare vergoeding verschuldigd ter hoogte van de overeengekomen prijs, minus de besparingen die voor opdrachtnemer uit de beëindiging voortvloeien. De vergoeding bedraagt minimaal 20% van de overeengekomen prijs.
3.6.
Op 9 juni 2022 heeft TBK aan HDA tien procent van de aanneemsom voldaan, zijnde
€ 7.723,27.
3.7.
In de week van 29 augustus 2022 is HDA met de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden gestart. Nadien is tussen partijen een geschil ontstaan over de door HDA bij de uitvoering van haar werkzaamheden te hanteren planning.
3.8.
Op 15 september 2022 heeft op het kantoor van HDA een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] van HDA (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] en [naam 3] van TBK (hierna: [naam 4] ).
3.9.
Op 20 september 2022 heeft HDA een e-mail aan TBK gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
Na aanleiding van ons gesprek met u op donderdag 15 september bij ons op kantoor omtrent planning,
Deel ik u mede Dat HDA de door TBK verstrekte opdracht (DA offerte 2210470/order 2220815) zal uitvoeren volgens de planning zoals gestuurd op vrijdag 9 september 4.04 pm.
3.10.
Op 21 september 2022 heeft TBK een e-mail (met als onderwerp
Einde werkzaamheden HDA – [naam gebouw] 2210470) aan HDA gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
Geachte heer [naam 1] ,
Afgelopen donderdag 15 september 2022 hebben mijn collega [naam 3] en mijn persoon een overleg met u gehad over de voortgang van het werk [naam gebouw] te [plaats] . (…)
Dit gesprek was van korte duur, u gaf direct aan dat u de planning niet kon aanpassen en wanneer dit toch verlangd werd trok u de reeds verstrekte opdracht in.
TBK heeft nog getracht om u op uw flexibiliteit te beroepen, echter hield u voet bij stuk, het was deze planning of anders werd de opdracht ingetrokken. Wij hebben afscheid genomen van elkaar met de bevestiging vanuit TBK dat wij het intrekken van uw opdracht in deze moesten accepteren. Tot onze verbazing volgt dan gisteren om vier uur een mail vanuit HDA richting ons, onze opdrachtgever en onderaannemers waarin u wederom refereert naar de planning met gaten welke niet gehanteerd kon worden. Dit daags nadat u persoonlijk heel standvastig de opdracht heeft ingetrokken. (…)TBK is als zijnde opdrachtgever het vertrouwen geheel verloren in uw bedrijf en voelt zich genoodzaakt om vast te houden aan het door u intrekken van de opdracht. Hierbij dan ook naast de mondelinge bevestiging van 15 september aan u tevens schriftelijk de bevestiging dat wij akkoord gaan met het door u intrekken van uw opdracht. Wij zullen voor nu en in de nabije toekomst geen gebruik meer maken van uw diensten.
3.11.
In een e-mail van 24 oktober 2022 heeft TBK het volgende aan HDA geschreven:
Er liggen nog steeds materialen van jullie op het dak van de [naam gebouw] . Wij zijn hier nog twee weken bezig met de werkzaamheden, daarna zijn wij helemaal klaar met alle werkzaamheden. Zou jij ervoor willen zorgen dat jullie de materialen binnen twee weken opgehaald worden? Mochten de materialen binnen twee weken niet opgehaald dan zijn wij genoodzaakt om het zelf af te voeren.
3.12.
In een e-mail van 1 november 2022 heeft TBK aan HDA geschreven:
Zoals gisteren telefonische besproken wacht ik nog steeds op een antwoord voor het weghalen van de materialen op het dak van de [naam gebouw] .
Wanneer ik voor 04-11-22 - 16:00 uur geen antwoord heb met een datum wanneer dit weggehaald wordt, dan gaan wij de materialen zelf afvoeren.
3.13.
Op 17 november 2022 heeft de advocaat van HDA een e-mail aan TBK gestuurd waarin het standpunt wordt ingenomen dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd. HDA heeft in deze e-mail aanspraak gemaakt op betaling van de aanneemsom minus besparingen, zijnde een bedrag van € 64.832,70. In deze e-mail staat verder onder meer dat partijen na de bespreking van 15 september 2022 uit elkaar zijn gegaan om na te denken over de volgende stappen en dat HDA de e-mail van TBK van 21 september 2022 zo heeft opgevat dat TBK de overeenkomst in die e-mail heeft opgezegd en dat HDA dat heeft geaccepteerd.
3.14.
In een ongedateerde verklaring van [naam 2] van TBK over het verloop van de bespreking van 15 september 2022 staat onder meer het volgende:
Het gesprek was erg kort, [naam 1] gaf vrijwel direct aan dat HDA de planning die wij voorstelde niet konden hanteren.
Aangezien het niet mogelijk was om de voorgestelde planning van HDA te hanteren vroeg [naam 3] hoe wij dit nu verder gaan afmaken. Hierop gaf [naam 1] aan dat er niks anders op zit dan de opdracht vanuit HDA in te trekken. Hier zijn wij in mee gegaan aangezien het geen optie was om de voorgestelde planning van HDA te hanteren.
3.15.
In een schriftelijke verklaring, gedateerd 24 januari 2023, heeft Van der Meer van TBK onder meer het volgende verklaard over het verloop van de bespreking van 15 september 2022:
Ik heb getracht [naam 1] te overtuigen van de noodzaak om het werk in één stuk achter elkaar te laten doorlopen. [naam 1] was heel stellig ‘nee geen optie het is onze planning en anders niets, dan trek ik de opdracht in’. Ik heb vervolgens gezegd daarmee akkoord te gaan omdat ik zijn planning er niet door krijg bij de opdrachtgever.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft HDA in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd en betaling van € 56.087,76, te vermeerderen met contractuele rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. HDA heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd en dat zij op grond van artikel 21.1 van de Voorwaarden een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van de overeengekomen prijs, minus besparingen.
4.2.
TBK heeft de vorderingen van HDA betwist. Zij heeft in reconventie betaling gevorderd van een schadevergoeding van € 6.920,00 (exclusief btw), met rente en proceskosten, stellende dat HDA is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.
4.3.
In conventie heeft de rechtbank geconcludeerd dat TBK niet akkoord is gegaan met de door HDA voorgestelde planning. Omdat TBK naar het oordeel van de rechtbank wel verplicht was om HDA in de gelegenheid te stellen het werk conform deze planning uit te voeren, moet de weigering van TBK om daaraan medewerking te verlenen volgens de rechtbank worden aangemerkt als een opzegging van de overeenkomst. Op deze grond heeft de rechtbank de door HDA gevorderde verklaring voor recht toegewezen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat HDA, als gevolg van de opzegging van de overeenkomst door TBK, recht heeft op de overeengekomen aanneemsom, minus besparingen. De totale door HDA gerealiseerde besparingen bedragen naar het oordeel van de rechtbank € 54.287,73. Onder aftrek van de door TBK gedane aanbetaling bedraagt de door de rechtbank toegewezen hoofdsom € 77.232,70 - € 54.287,73 - € 7.723,27 = € 15.221,70. De rechtbank heeft met deze hoofdsom corresponderende bedragen aan contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen en TBK veroordeeld in de proceskosten.
4.4.
In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat TBK op het gestelde gebrek in de prestatie van HDA geen beroep meer kan doen omdat zij over dat gebrek niet binnen de in de Voorwaarden genoemde termijn van veertien dagen na ontdekking ervan schriftelijk bij HDA heeft geklaagd. Op deze grond heeft de rechtbank de vordering van TBK afgewezen en TBK veroordeeld in de proceskosten.

5.Het hoger beroep

5.1.
HDA heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover een bedrag van € 36.199,40 en de met dit bedrag corresponderende rente en incassokosten niet zijn toegewezen. Zij concludeert dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, deze vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van TBK in de proceskosten met nakosten en rente. In incidenteel hoger beroep heeft HDA geconcludeerd tot verwerping ervan met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van TBK in de proceskosten met nakosten en rente.
5.2.
Volgens TBK moet het hof de vorderingen van HDA in principaal hoger beroep afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van HDA in de proceskosten. In incidenteel hoger beroep heeft TBK geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt, de vorderingen van HDA alsnog integraal afwijst en HDA veroordeelt tot terugbetaling van wat TBK op grond van het bestreden vonnis aan HDA heeft betaald, met veroordeling van HDA in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.

6.Beoordeling

6.1.
HDA is tegen het bestreden vonnis opgekomen met drie grieven. Met die grieven betoogt HDA, samengevat, dat de rechtbank op de aan HDA toekomende vergoeding een te hoog bedrag aan besparingen in mindering heeft gebracht.
6.2.
TBK heeft zeven grieven tegen het bestreden vonnis gericht. Zij betoogt met haar eerste drie grieven, naar de kern genomen, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd. Haar vierde grief heeft betrekking op de door HDA gerealiseerde besparingen. De overige grieven van TBK hebben betrekking op nevenvorderingen en proceskosten.
6.3.
Het hof ziet aanleiding eerst de grieven 1, 2 en 3 van TBK te bespreken.
Opzegging door TBK?
6.4.
Het hof stelt voorop dat, zoals partijen ter zitting desgevraagd ook hebben beaamd, de overeenkomst moet worden aangemerkt als een aannemingsovereenkomst. Het hof constateert verder dat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst in september 2022 is geëindigd en dat het werk op dat moment nog niet was voltooid. HDA heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd, met welke opzegging HDA heeft ingestemd, zodat tussen partijen moet worden afgerekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 21.1 van de Voorwaarden (aanneemsom minus besparingen). TBK betwist dat zij de overeenkomst heeft opgezegd. Of de op artikel 21.1 van de Voorwaarden gebaseerde vorderingen van HDA toewijsbaar zijn, hangt dus af van het antwoord op de vraag of komt vast te staan dat TBK de overeenkomst heeft opgezegd.
6.5.
Bij de beantwoording van de vraag of een partij een verklaring of gedraging van een ander mag opvatten als een opzegging van een overeenkomst is beslissend welke zin hij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die verklaring of gedraging mocht toekennen. De rechtbank heeft, kort samengevat, de weigering van TBK om in te stemmen met een door HDA voorgestelde planning van de overeengekomen werkzaamheden aangemerkt als opzegging van de overeenkomst door TBK. Met TBK is het hof van oordeel dat de door TBK ingenomen houding ten opzichte van de door HDA voorgestelde planning - ongeacht of haar standpunt terecht was - niet als een opzegging van de overeenkomst kan worden aangemerkt. Het standpunt van TBK impliceerde immers dat zij aanspraak maakte op nakoming van (een door haar bepleite uitleg van) de overeenkomst. Met dat standpunt is niet verenigbaar dat TBK de overeenkomst wilde opzeggen. De verklaringen en gedragingen van TBK ten aanzien van de planning van de werkzaamheden heeft HDA dus niet als opzegging van de overeenkomst mogen begrijpen.
6.6.
HDA heeft gesteld dat de overeenkomst door TBK is opgezegd bij e-mail van
21 september 2022 (zie 3.10.). Het hof volgt HDA niet in dit betoog. Zoals TBK terecht aanvoert, is de strekking van deze e-mail dat HDA de overeenkomst heeft opgezegd, en dat TBK die opzegging vervolgens heeft geaccepteerd. Ook overigens bevat de e-mail naar het oordeel van het hof geen uitlatingen die HDA mocht begrijpen als opzegging van de overeenkomst door TBK. Dat in de onderwerpregel van de e-mail
Einde werkzaamheden HDAstaat maakt dat niet anders, omdat het einde van de werkzaamheden van HDA niet noodzakelijkerwijs het gevolg hoeft te zijn van opzegging van de overeenkomst door TBK. TBK heeft haar betoog dat de e-mail van 21 september 2022 niet als opzegging moet worden opgevat maar juist als aanvaarding van een opzegging door HDA op 15 september 2022 nader onderbouwd met schriftelijke verklaringen van [naam 2] en Van der Meer (zie 3.14. en 3.15.). Beide werknemers waren bij de bespreking op 15 september 2022 aanwezig en hebben verklaard dat HDA tijdens die bespreking – bij monde van [naam 1] – de overeenkomst heeft opgezegd.
6.7.
Mede in het licht van de betwisting door TBK heeft HDA haar stelling dat TBK de overeenkomst bij e-mail van 21 september 2022 heeft opgezegd, onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Dit betekent dat de eerste drie grieven van TBK slagen voor zover zij betoogt dat zij de overeenkomst niet heeft opgezegd. De grieven van HDA hebben geen succes, omdat die grieven alle tot uitgangspunt nemen dat TBK de overeenkomst wel heeft opgezegd.
Afrekening
6.8.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat de overeenkomst is geëindigd door opzegging door TBK. De situatie waarop artikel 21.1 van de Voorwaarden ziet (zie 3.5.), doet zich dus niet voor. Uit het feit dat beide partijen stellen dat de overeenkomst wel is geëindigd en zich ook dienovereenkomstig hebben gedragen, leidt het hof af dat zij (al of niet stilzwijgend) een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten. Zij hebben daarbij echter geen afspraken gemaakt over de wijze waarop tussen partijen moet worden afgerekend voor de door HDA verrichte werkzaamheden, terwijl ook de wet daarvoor geen regeling geeft. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling aan partijen de vraag voorgelegd hoe in dit geval tussen hen moet worden afgerekend. Zij hebben daarover geen eensluidende stellingen ingenomen. Het hof constateert dat de tussen partijen gemaakte afspraken aldus een leemte vertonen die met behulp van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangevuld.
6.9.
Het hof zal bij eindarrest bepalen welke vergoeding HDA in het licht van het voorgaande toekomt en is voornemens daarbij de volgende gezichtspunten te betrekken:
- de overeenkomst heeft betrekking op zes strangen van min of meer gelijke omvang (zie 3.3.) en gesteld noch gebleken is dat er relevante verschillen bestonden in de voor de werkzaamheden aan die strangen benodigde uren of materialen;
- op het moment van het eindigen van de overeenkomst had HDA de werkzaamheden aan één van de zes strangen voltooid;
- de rechtbank heeft geoordeeld dat TBK er geen beroep op kan doen dat HDA is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen (zie 4.4.). Tegen dat oordeel heeft TBK niet gegriefd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat HDA bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden aan de eerste strang niet is tekortgeschoten;
- het hof gaat er niet vanuit dat de voor alle zes strangen bedoelde RVS 316L CRI systemen (verder: de RVS-systemen) eigendom van TBK zijn geworden. Met uitzondering van het materiaal voor de eerste strang heeft HDA tot nu toe onvoldoende toegelicht dat zij het bezit van de voor de overige strangen benodigde RVS-systemen aan TBK heeft overgedragen. De enkele (gestelde) feitelijke aflevering van de RVS-systemen op de bouwplaats is niet zonder meer voldoende. Dat geldt te meer in het licht van het in artikel 18.2.a van de Voorwaarden opgenomen eigendomsvoorbehoud. Het hof gaat er daarom voorlopig vanuit dat TBK niet voor alle RVS-systemen hoeft te betalen.
6.10.
Het hof is in het licht van deze feiten en omstandigheden voorlopig van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat TBK is gehouden om aan HDA een bedrag te betalen gelijk aan 1/6e deel van het totale bedrag van de offerte, dus € 12.872,12. Omdat TBK al een bedrag van € 7.723,27 aan HDA heeft betaald, zou TBK een hoofdsom van € 5.148,85 aan HDA verschuldigd zijn. Anders dan TBK met haar vijfde en zesde grief betoogt, moet deze hoofdsom worden verhoogd met de contractuele rente en de contractuele incassokosten omdat het een verplichting tot betaling van een geldsom betreft die voortvloeit uit de overeenkomst, waarop de artikelen 17.6. en 17.8. van de Voorwaarden van toepassing zijn.
6.11.
Omdat nog geen voldragen debat is gevoerd over de vraag welke vergoeding aan HDA toekomt, zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich daarover bij akte uit te laten. Partijen wordt verzocht in hun akte in ieder geval aandacht te besteden aan de vraag of er een geldige levering heeft plaatsgevonden van de niet verwerkte RVS-systemen en daarbij in te gaan op de mogelijk relevante bepalingen van de Voorwaarden, waaronder het in artikel 18.2.a. van de Voorwaarden opgenomen eigendomsvoorbehoud.
6.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2026 voor uitlating aan de zijde van HDA over het in 6.11. bedoelde onderwerp, waarna TBK bij antwoordakte op een termijn van vier weken zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.J.R. Brons, mr. E.J. Bellaart en mr. I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.