ECLI:NL:GHAMS:2026:348

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.339.379
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:48 BWArt. 5:73 lid 1 BWArt. 5:78 BWArt. 5:79 BWArt. 3:13 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over uitleg en uitoefening van erfdienstbaarheid van weg met belemmering door hek

Partijen zijn in geschil over de uitleg en uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg gevestigd in 2016, waarbij appellant stelt dat geïntimeerden haar belemmeren door een hek en bouwwerken op het pad te plaatsen. De rechtbank oordeelde dat het hek aangepast moest worden om voldoende toegang te bieden, maar wees andere vorderingen af.

In hoger beroep bevestigt het hof dat de erfdienstbaarheid gemotoriseerd verkeer toestaat, maar binnen de feitelijke beperkingen van het smalle pad en bruggetje. Het gebruik met aanhanger of trailer is niet zonder meer mogelijk. De vordering tot verwijdering van het hek wordt afgewezen omdat appellant voldoende toegang heeft, ook al is de opening smaller dan gewenst. De vordering tot verwijdering van bebouwing op de percelen wordt eveneens afgewezen omdat het pad daar niet loopt.

De vorderingen van geïntimeerden tot opheffing of wijziging van de erfdienstbaarheid worden verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en het actuele belang van appellant bij het gebruik. Het hof vernietigt het vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling in reconventie betreft en veroordeelt geïntimeerden alsnog in die kosten. Het bestreden vonnis wordt verder bekrachtigd. Beide partijen worden veroordeeld in proceskosten van hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen van appellant en geïntimeerden af, behalve voor de proceskostenveroordeling in reconventie die wordt vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.339.379/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/724508 / HA ZA 22-900
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats] ,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J.C. Daniëls te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

en
2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonend in [plaats] ,
geïntimeerden,
tevens incidenteel appellanten,
advocaat: mr. A.M. Verbrugge te Heemstede.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen verschillen van mening over de uitleg van een recht van erfdienstbaarheid van weg (het pad). Appellante stelt dat zij in de uitoefening van haar recht wordt belemmerd doordat geïntimeerden een hek en bouwwerken op het pad hebben geplaatst. Geïntimeerden betwisten dat en stellen dat de wijze waarop appellante het pad wil gebruiken een ongeoorloofde verzwaring van het recht van erfdienstbaarheid inhoudt. De rechtbank heeft geïntimeerden veroordeeld om het hek te verwijderen dan wel aan te passen. Het hof is van oordeel dat het hek na het bestreden vonnis zodanig is aangepast dat appellante voldoende toegang heeft tot het dienende erf en de erfdienstbaarheid kan uitoefenen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 22 januari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van
8 november 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/ rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 16 april 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 4 juli 2024 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 25 november 2025 mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen laten toelichten, [appellant] door mr. L.M. Raalte, advocaat te Amsterdam en [geïntimeerden] door mr. Verbrugge voornoemd. [geïntimeerden] hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen deze vaststelling is in hoger beroep geen grief gericht, zodat ook het hof bij de beoordeling van deze feiten uitgaat. Deze feiten luiden, samengevat, als volgt:
3.1.
[appellant] is sinds 1990 eigenaar van (onder meer) een perceel gelegen te [plaats] aan [straat 1] [nummer 1] . Ook is [appellant] eigenaar van de daarachter (en niet rechtstreeks met de openbare weg verbonden) percelen met de [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] (tegenwoordig [nummer 5] ).
3.2.
[appellant] oefende aan [straat 1] [nummer 1] / [nummer 1] aanvankelijk een agrarisch bedrijf uit, te weten een kwekerij. Sinds 2004 heeft [appellant] als bedrijfsactiviteit de handel, reparatie, opslag en stalling van caravans en boten.
3.3.
[geïntimeerden] hebben in april 2015 een koopovereenkomst gesloten met de provincie Noord-Holland, waarbij [geïntimeerden] de woning gelegen aan [straat 2] [nummer 10] te [plaats] (perceel met [nummer 7] ) en de percelen met [nummer 6] , [nummer 8] en [nummer 9] hebben gekocht. In die koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen
3.4.De woning aan de straat nummer en de hiervoor genoemde percelen zijn door de provincie Noord-Holland aan geintimeerden. geleverd bij notariële akte van
.3.5.
In 2017 hebben [geïntimeerden] het bruggetje over de sloot, dat hun woonerf toegang over het water verschaft naar [straat 2] , laten renoveren en verstevigen.
3.6.
In 2020/2021 hebben [geïntimeerden] aan de achterzijde van hun perceel een hek met toegangspoort (hierna: het hek) geplaatst om hun woonerf zichtbaar af te scheiden van [straat 3] en zodat derden hun woonerf vanaf [straat 3] niet langer kunnen gebruiken als ware het een openbare weg. Het hek kan worden afgesloten. [appellant] is door [geïntimeerden] in het bezit gesteld van de toegangscode van het hek.
3.7.
Bij brief van 25 september 2021 heeft [appellant] [geïntimeerden] gesommeerd om binnen veertien dagen de erfdienstbaarheid van weg van en naar [straat 2] terug te brengen in de staat zoals in de akte van vestiging is opgenomen en het hek te verwijderen en verwijderd te houden, auto’s elders te parkeren en de brug te verbreden zoals deze in oude staat was.
3.8.
Bij brief van 26 oktober 2021 van [naam 1] namens [geïntimeerden] is [appellant] aansprakelijk gesteld voor door [geïntimeerden] geleden schade als gevolg van het onrechtmatige gebruik door [appellant] van de erfdienstbaarheid van weg.
3.9.
Een door [appellant] overgelegd uittreksel van 1 november 2021 van een kadastrale kaart laat de volgende in [plaats] gelegen perceelnummers zien (het daarop handgeschreven ‘Eigendom Provincie Noord Holland’ in perceel [nummer 11] is – naar het hof begrijpt – genoteerd door [appellant] ):
3.10.
Een door [appellant] overgelegde luchtfoto waarop de kadastrale grenzen zijn ingetekend, ziet er als volgt uit:
.3.11.
De provincie Noord-Holland is eigenaar van de percelen grond in de gemeente [plaats] met de perceelnummers [nummer 11] en [nummer 12] .
3.12.
[straat 3] is geen openbare weg; verschillende delen daarvan behoren tot percelen die van verschillende eigenaren zijn. [straat 2] is een openbare weg ten noorden van onder meer de percelen van [geïntimeerden] [straat 2] loopt ongeveer evenwijdig aan [straat 3] . [straat 1] is een openbare weg ten zuiden van onder meer enkele percelen van [appellant] . Ook [straat 1] loopt ongeveer evenwijdig aan [straat 3] .
3.13.
Een brief van aannemersbedrijf [naam 2] aan [geïntimeerden] van 24 oktober 2022 luidt:
In het jaar 2017 hebben wij op [straat 2] [nummer 10] de brug verbreed naar [zijde] 2.80m. uitlopend naar 3.70m., vernieuwd met Bankirai en verstevigd met balkstaal IPE 120. De brug was in zeer slechte staat.

4.Procedure bij de rechtbank

In conventie
4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis en met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten:
I. voor recht te verklaren dat de erfdienstbaarheid van weg, gevestigd bij akte 2016.0263.01, bedrijfsmatig kan worden gebruikt middels een aanhangwagen en/of boottrailer;
II. [geïntimeerden] te veroordelen tot verwijdering en verwijderd houden van het hek dat geplaatst is tussen [straat 3] en het pad waarop de erfdienstbaarheid van weg is gevestigd, als gevestigd in akte 2016.0263.01, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. [geïntimeerden] te veroordelen tot het verwijderen van bouwwerken en/of zaken geplaatst op de percelen met nummers [nummer 8] en [nummer 9] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. [geïntimeerden] te veroordelen om het bruggetje terug te brengen naar de oude breedte, waarneembaar aan de funderingsresten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. [geïntimeerden] te veroordelen om geen wijzigingen aan te brengen die dusdanig zijn dat het gebruik van de erfdienstbaarheid van weg, als gevestigd in akte 2016.0263.01, wordt verhinderd dan wel belemmerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.2.
[appellant] heeft haar vorderingen, kort samengevat, gegrond op de in 2016 ten behoeve van haar percelen [nummer 4] (nu [nummer 15] ), [nummer 3] en [nummer 14] gevestigde erfdienstbaarheid van weg, ten laste van percelen [nummer 13] , [nummer 9] en [nummer 8] van [geïntimeerden] Volgens [appellant] belemmeren [geïntimeerden] op onrechtmatige wijze de uitoefening van haar recht op de erfdienstbaarheid van weg, althans maken [geïntimeerden] de uitoefening daarvan onmogelijk.
In reconventie
4.3.
[geïntimeerden] hebben, samengevat, bij de rechtbank na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten:
primair
het recht van erfdienstbaarheid van weg van en naar [straat 2] , gevestigd bij akte van 9 juni 2016 ten laste van de percelen met [nummer 6] , [nummer 8] en/of [nummer 9] , op te heffen voor zover dit is gevestigd ten behoeve van de percelen [nummer 4] en/of [nummer 15] , [nummer 3] en [nummer 14] ,
subsidiair
A. het recht van erfdienstbaarheid van weg van en naar [straat 2] , gevestigd bij akte van 9 juni 2016 ten laste van de percelen met [nummer 6] , [nummer 8] en/of [nummer 9] , te wijzigen voor zover dit is gevestigd ten behoeve van de percelen [nummer 4] en/of [nummer 15] , [nummer 3] en [nummer 14] door te bepalen dat aan de omschrijving van de uitoefening van de erfdienstbaarheid wordt toegevoegd: “het recht van erfdienstbaarheid kan slechts worden uitgeoefend middels ongemotoriseerd verkeer en zonder aanhanger/trailer” en;
B. [appellant] te verbieden met gemotoriseerd verkeer en/of met aanhanger/trailer gebruik te maken van het recht van erfdienstbaarheid op de percelen [nummer 13] , [nummer 8] en/of [nummer 9] op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.4.
[geïntimeerden] stellen zich op het standpunt dat de erfdienstbaarheid wordt verzwaard als de vordering van [appellant] zou worden toegewezen, omdat het volgens de omschrijving en de foto’s gaat om niet meer dan om een looppad. Daarnaast beroepen zij zich op gewijzigde omstandigheden, die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de gevestigde erfdienstbaarheid niet meer van [geïntimeerden] kan worden gevergd. Deze omstandigheden bestaan uit een gewijzigde bedrijfsvoering van [appellant] en de ontwikkeling die zich heeft voorgedaan in de loop der tijd op het gebied van verstedelijking ten opzichte van het oorspronkelijke agrarische grondgebruik en daarmee gepaard gaande modernisering van wonen en bedrijfsvoering. Daarbij is volgens [geïntimeerden] relevant dat naast hun perceel een voor het publiek opengesteld geasfalteerd pad is aangelegd dat geschikt is voor voetgangers, brommers en/of scooters. Daarnaast beroepen [geïntimeerden] zich op strijd met het algemeen belang, dan wel gebrek aan redelijk belang van [appellant] bij de erfdienstbaarheid van weg.
Beslissing rechtbank
4.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de akte van 9 juni 2016 volgt dat partijen niet hebben bedoeld aan de erfdienstbaarheid van weg een beperking te verbinden met betrekking tot de wijze van vervoer (zoals gemotoriseerd of ongemotoriseerd verkeer). De erfdienstbaarheid mag in beginsel dan ook worden gebruikt met gemotoriseerd verkeer, zoals een auto, maar gelet op de feitelijke situatie ter plaatse kent de erfdienstbaarheid van weg een beperking in die zin dat deze niet bestemd is om te worden uitgeoefend door auto’s met aanhanger of trailer en vrachtwagens. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] onder I daarom afgewezen.
Met betrekking tot de breedte van de opening van de poort van het door [geïntimeerden] geplaatste hek is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een belemmering omdat, zoals tijdens de plaatsopneming is gebleken, [appellant] met haar voertuig de benodigde draai niet kon maken. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] onder II daarom toegewezen in die zin dat [geïntimeerden] het hek (gedeeltelijk) moeten verwijderen of zodanig moeten aanpassen dat [appellant] met haar auto de draai van [straat 3] naar het pad dat loopt over perceel [nummer 13] (en andersom) kan maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Over de bebouwing op de percelen [nummer 8] en [nummer 9] heeft de rechtbank geoordeeld dat deze een belemmering vormt, maar dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij verwijdering daarvan. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] onder III daarom afgewezen.
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] onder IV afgewezen omdat de nieuwe brug naar het oordeel van de rechtbank geen belemmering vormt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Ook de vordering van [appellant] onder V is afgewezen.
4.6.
De rechtbank heeft de vorderingen in reconventie van [geïntimeerden] afgewezen en in conventie en in reconventie de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

5.Het hoger beroep

Principaal hoger beroep
5.1.
[appellant] vordert in principaal hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen en dat het hof alsnog – uitvoerbaar bij
voorraad – de (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten.
5.2.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep drie grieven aangevoerd en haar vordering onder II (zie onder 4.1.) gewijzigd. Zij vordert onder II thans dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden] zal veroordelen tot verwijdering en verwijderd houden van het hek dat geplaatst is tussen [straat 3] en het pad waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd, althans de opening te verbreden naar een minimumbreedte van vier meter, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
5.3.
Volgens [geïntimeerden] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover het de hiertegen door [appellant] gerichte grieven betreft, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties met nakosten.
Incidenteel hoger beroep
5.4.
[geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd en vorderen – uitvoerbaar bij voorraad – vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het betreft de veroordeling van [geïntimeerden] om het hek te verwijderen dan wel aan te passen op straffe van verbeurte van een dwangsom en toewijzing alsnog van haar primaire dan wel subsidiaire vordering(en) (zie onder 4.3.), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties met nakosten.
5.5.
Volgens [appellant] moet het hof de vorderingen van [geïntimeerden] afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover [appellant] daar niet tegen heeft gegriefd, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.
5.6.
[geïntimeerden] hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

6.Beoordeling

Omvang van het hoger beroep
6.1.
[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerden] het bruggetje in de oude staat dienen te herstellen, wat volgens haar wil zeggen: te verbreden en te versterken. De rechtbank heeft de vordering inzake de brug (vordering onder IV) afgewezen. Tegen deze afwijzing, en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, heeft [appellant] in hoger beroep echter geen grief gericht. Evenmin kan in grief 1 een (impliciete) grief tegen die beslissing worden gelezen. Daarmee staat de desbetreffende beslissing van de rechtbank in hoger beroep vast en komt deze niet opnieuw aan de orde. Hetzelfde geldt voor de afwijzing van de vordering van [appellant] onder V.
Uitleg van de erfdienstbaarheid van weg
6.2.
Het hof zal de grieven 1 in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk bespreken, omdat beide - grief 1 in incidenteel hoger beroep gedeeltelijk - zich richten tegen het oordeel van de rechtbank over de uitleg van de erfdienstbaarheid van weg. De vraag die voorligt is of het pad en het bruggetje (waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd) mogen worden gebruikt door gemotoriseerde (bedrijfs)voertuigen. De discussie tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag welke voertuigen over het bruggetje en het pad mogen rijden.
6.3.
[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de breedte van de huidige brug ertoe leidt dat toegang voor auto’s met aanhangwagens of trailers of vrachtwagens niet meer mogelijk is. Tijdens de plaatsopneming in eerste aanleg is gebleken dat het smalste gedeelte van de brug 2,81 meter breed is. Voor vrachtwagens en aanhang-wagens/trailers geldt een breedtelimiet van 2,55 meter. Dit betekent weliswaar dat het, vanwege de draaicirkel, zeer lastig is om via [straat 2] op het pad te geraken via de brug en dat er draai- en steekmanoeuvres nodig zullen zijn. Het is echter niet onmogelijk, aldus [appellant] .
6.4.
[geïntimeerden] betogen dat het bestaande pad – waarnaar in de akte wordt verwezen – niet geschikt was voor vierwielig verkeer. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat er van vierwielig gebruik geen sprake is en dat het bestaande pad en bruggetje niet geschikt waren voor bedrijfsmatig vervoer. Het door [appellant] gewenste gebruik brengt een aanzienlijke verzwaring van de erfdienstbaarheid met zich, aldus [geïntimeerden]
6.5.
Op grond van artikel 5:73 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging. Bij een uitleg van een notariële akte waarbij een erfdienstbaarheid is gevestigd, komt het aan op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Vast staat dat in de notariële akte van 9 juni 2016 een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten laste van de percelen [nummer 13] , [nummer 9] en [nummer 8] van [geïntimeerden] Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de bewoordingen van de akte niet volgt dat partijen hebben bedoeld aan de erfdienstbaarheid van weg een beperking te verbinden met betrekking tot de wijze van vervoer (zoals gemotoriseerd of ongemotoriseerd vervoer). Ook de verdere inhoud van de akte bevat geen aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijke beperking.
6.6.
Wel kunnen de eigenschappen van de brug en het pad zelf meebrengen dat de wijze waarop deze kunnen worden gebruikt aan bepaalde beperkingen onderhevig is. Deze beperkingen volgen dus uit de feitelijke situatie ter plaatse en de intrinsieke eigenschappen van het pad en het bruggetje. De erfdienstbaarheid is feitelijk gevestigd op een smalle strook grond en een smal bruggetje (waarvan het smalste gedeelte 2,81 meter breed is). Daarbij is relevant dat voertuigen een draai moeten maken om op het pad te geraken en er weer af te komen. Dat auto’s met aanhanger of trailer en vrachtwagens deze draai kunnen maken, is in hoger beroep niet gebleken. Het recht van erfdienstbaarheid strekt niet verder dan wat feitelijk mogelijk is en kan slechts worden uitgeoefend met inachtneming van de intrinsieke beperkingen die het bruggetje en het pad met zich brengen. Dit betekent dat het bruggetje en pad kunnen worden gebruikt door voertuigen voor zover dit gelet op hun lengte, breedte en gewicht mogelijk is. Dat gebruik van het pad en het bruggetje met gemotoriseerde voertuigen mogelijk is, blijkt overigens uit door [geïntimeerden] zelf overgelegde foto’s, daterend van oktober 2008, oktober 2014, juli 2016 en juli 2018.
6.7.
Uit het voorgaande volgt dat met gemotoriseerde voertuigen van het pad en het bruggetje gebruik kan worden gemaakt met inachtneming van de intrinsieke beperkingen die deze met zich brengen. De (subsidiaire) vordering onder B van [geïntimeerden] is dan ook niet toewijsbaar. Gelet op de genoemde beperkingen kan niet in zijn algemeenheid worden geconcludeerd dat
elk(bedrijfs)voertuig (met aanhangwagen of trailer) van het bruggetje en het pad gebruik kan maken. Om die reden is de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht (vordering onder I) niet toewijsbaar. Uit het voorgaande volgt ook dat grief 1 van [appellant] in principaal hoger beroep en grief 1 van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep - voor zover die grief de uitleg van de erfdienstbaarheid van weg betreft - niet slagen.
Bebouwing percelen [nummer 8] en [nummer 9]
6.8.
Grief 2 van [appellant] in principaal hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de bebouwing op percelen [nummer 8] en [nummer 9] . [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij verwijdering van de schutting en schuur op voornoemde percelen. De rechtbank heeft volgens [appellant] onvoldoende onderkend dat er in de tekst van de akte een expliciet verbod staat op bebouwing en beplanting van deze percelen. [geïntimeerden] hebben willens en wetens in strijd gehandeld met dit verbod in de akte waarin de erfdienstbaarheid is gevestigd, aldus [appellant] .
6.9.
Partijen verschillen ook op dit punt van mening over de vraag hoe de erfdienstbaarheid moet worden uitgelegd. Die uitleg moet geschieden met inachtneming van de onder 6.5 weergegeven maatstaf.
6.10.
In de akte zijn (onder meer) de percelen [nummer 8] en [nummer 9] als lijdend erf aangemerkt. Vast staat dat op die percelen nu een schuur en een schutting van [geïntimeerden] staan. [geïntimeerden] stellen (en [appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist) dat waar nu de schutting en de schuur staan eerder coniferen stonden. [geïntimeerden] hebben die coniferen als erfafscheiding beschouwd en deze oude erfafscheiding ook aangehouden bij de bouw van de schutting en de schuur. Ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid in 2016 stonden er inderdaad coniferen op die percelen. Dat blijkt uit overgelegde foto’s uit 2015 en 2016. Op die foto’s is te zien dat de coniferenhaag volledig doorloopt langs [straat 3] en de hoek om langs het pad, tot kort voor de woning van [geïntimeerden] Dat betekent dat [appellant] niet kan hebben gereden op het deel van de percelen [nummer 8] en [nummer 9] waar de coniferen stonden, en dat nu door de schutting wordt omzoomd. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] ook verklaard dat zij daar nooit heeft gereden. [appellant] heeft ter hoogte van perceel [nummer 8] altijd gebruik gemaakt van [straat 3] om van en naar [straat 2] te rijden. Ter hoogte van het perceel [nummer 9] rijdt [appellant] over een klein stukje Hogedijk dat tot perceel [nummer 11] behoort, dat eigendom is van de provincie Noord-Holland. Dit deel is niet omheind of afgebakend en de provincie staat het kennelijk al jaren toe dat derden over dit deel van [straat 3] lopen, fietsen of rijden.
6.11.
Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat “het bestaande pad” waarnaar in de akte wordt verwezen, niet over perceel [nummer 8] liep. Voor zover het over perceel [nummer 9] liep, liep het niet over het deel waar nu de schuur en de schutting staan. De akte moet daarom zo worden uitgelegd dat geen recht van erfdienstbaarheid is gevestigd dat recht geeft op gebruik van een pad dat loopt op de plek waar nu de schutting en de schuur staan. Voor zover de tekst van de akte aanleiding zou kunnen geven voor twijfel (bijvoorbeeld vanwege het feit dat perceel [nummer 8] wel als lijdend erf is aangemerkt), geldt dat de erfdienstbaarheid in ieder geval geruime tijd te goeder trouw is uitgeoefend zonder de grond te betreden waarop nu de schuur en de schutting zijn gebouwd, zodat ook op grond van artikel 5:73 lid 1 BW Pro deze wijze van uitoefening (en de daarmee verbonden uitleg) prevaleert. Het voorgaande brengt met zich dat voor verwijdering van de bebouwing geen grond bestaat. De hiertoe strekkende vordering van [appellant] (vordering onder III) is niet toewijsbaar. Grief 2 in het principaal hoger beroep slaagt niet.
Hek
6.12.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de breedte van de opening in het hek van [geïntimeerden] een belemmering vormde voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid die er in 2016, ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid, nog niet was. De rechtbank heeft [geïntimeerden] daarom veroordeeld om het hek (gedeeltelijk) te verwijderen of zodanig aan te passen dat [appellant] met haar auto de draai van [straat 3] naar het pad (en andersom) kan maken en daarmee gebruik kan maken van de erfdienstbaarheid van weg van en naar [straat 2] .
6.13.
[appellant] heeft haar eis in hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij verwijdering van het hek vordert, dan wel de opening te verbreden naar een minimum breedte van vier meter. De opening van het hek is op dit moment 2,70 meter breed.
6.14.
Op grond van artikel 5:48 BW Pro is de eigenaar van een erf bevoegd dit af te sluiten. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 juni 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW6598) geoordeeld dat het bestaan van een erfdienstbaarheid van weg in beginsel geen beletsel is om van het recht van afsluiting gebruik te maken. Maakt de eigenaar van een erf van die bevoegdheid gebruik, dan dient hij ervoor te zorgen dat de eigenaar van het heersend erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf om de erfdienstbaarheid uit te oefenen. In de regel zal dit betekenen dat de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid biedt zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf, de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid. Concreet betekent dit in een geval waarin het dienend erf met een hek is afgesloten, dat de eigenaar van het dienend erf aan de eigenaar van het heersend erf permanent een sleutel ter beschikking stelt waarmee, tot het zojuist genoemde doel, het hek kan worden geopend.
6.15.
De uitoefening van het afsluitrecht, waaronder begrepen de wijze waarop de afsluiting plaatsvindt, wordt begrensd door het leerstuk misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 lid 2 BW Pro) en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (zie ECLI:NL:HR:2019:1907).
6.16.
In deze zaak hebben [geïntimeerden] geen sleutel maar een code aan [appellant] verstrekt om het hek te kunnen openen. [geïntimeerden] hebben na het bestreden vonnis aanpassingen verricht aan de opening in het hek. [appellant] betoogt dat het na deze aanpassingen nog steeds ondoenlijk is om met haar auto de draai vanaf [straat 3] naar het pad te maken. [appellant] heeft ter onderbouwing van haar stelling een video overgelegd van de huidige situatie en de inspanningen die zij moet verrichten om vanaf [straat 3] op het pad te geraken.
6.17.
Het hof ziet geen aanleiding [geïntimeerden] te veroordelen het hek te verwijderen of de opening van het hek te verbreden naar vier meter, zoals [appellant] in hoger beroep heeft gevorderd. Voor zover [appellant] met haar stellingen een beroep heeft willen doen op misbruik van recht dan wel de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, faalt dat beroep omdat dit onvoldoende onderbouwd is. Uit de door [appellant] overgelegde videobeelden volgt dat zij voldoende toegang heeft tot het dienend erf omdat zij, weliswaar na een paar steekmanoeuvres, met haar auto door de opening van het hek kan rijden en zodoende de erfdienstbaarheid kan uitoefenen. De gewijzigde vordering van [appellant] onder II (zoals weergegeven onder 5.2) zal worden afgewezen.
6.18.
[geïntimeerden] komen in incidenteel hoger beroep met grief 1 (onder meer) op tegen het oordeel van de rechtbank over het hek. Volgens [geïntimeerden] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er met betrekking tot de breedte van de opening van het hek sprake is van een belemmering. Het hof volgt [geïntimeerden] niet in dit betoog. Uit de hiervoor genoemde videobeelden blijkt dat een versmalling van de opening van het hek naar de oude situatie ertoe zou leiden dat [appellant] niet, althans niet dan met zeer veel moeite en significante risico’s op beschadiging van haar auto, door het hek kan rijden. Tegenover deze aanmerkelijke belemmering van het gebruik van [appellant] van de erfdienstbaarheid hebben [geïntimeerden] niet onderbouwd welk belang zij nu nog hebben bij versmalling van de opening van het hek naar de oude situatie. Een afweging van de betrokken belangen leidt ertoe dat een versmalling van de opening van het hek door [geïntimeerden] in de gegeven omstandigheden misbruik van recht zou opleveren. De grief slaagt daarom niet.
Opheffing of wijziging van de erfdienstbaarheid ten laste van perceel [nummer 13] en [nummer 8]
6.19.
[geïntimeerden] hebben met grief 2 in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid ten laste van de percelen [nummer 13] en [nummer 8] ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de gewijzigde bedrijfsvoering van [appellant] . Deze is van invloed op het door [appellant] gewenste gebruik. [appellant] heeft geen enkel redelijk belang meer bij het in 2016 gevestigde recht van erfdienstbaarheid ten aanzien van perceel [nummer 13] . Daarnaast heeft [appellant] geen belang bij handhaving van de erfdienstbaarheid op perceel [nummer 8] omdat zij ter hoogte van dat perceel gebruik kan maken van [straat 3] , aldus [geïntimeerden]
6.20.
Artikel 5:79 BW Pro bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen, indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. [geïntimeerden] hebben ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 5:79 BW Pro is voldaan. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] een actueel en redelijk belang heeft bij gebruik van de erfdienstbaarheid ten laste van perceel [nummer 13] . [appellant] heeft immers aangevoerd dat zij van haar bedrijf naar de plek wil kunnen rijden waar de boten (die van en naar de stalling gaan) uit het water worden gehaald en waar [appellant] sinds enige tijd een eigen aanlegsteiger heeft. Op die manier kunnen personen, gereedschap of onderdelen worden vervoerd. Zonder gebruik van de erfdienstbaarheid van weg moet [appellant] omrijden via [straat 1] en dat is enige kilometers langer dan de doorsteek via de erfdienstbaarheid van weg naar [straat 2] . Daarbij komt dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, ontsluiting van [appellant] percelen [nummer 3] en [nummer 4] (nu: [nummer 15] ) naar de openbare weg ( [straat 1] ) nu nog mogelijk is via andere percelen van [appellant] . In geval van verkoop en levering van een of meer van die percelen aan een derde, is die mogelijkheid er in beginsel niet meer. Dan is de enige ontsluiting van genoemde twee percelen naar de openbare weg ( [straat 2] ) via de erfdienstbaarheid van weg. [straat 3] is geen openbare weg en die biedt niet zelfstandig een ontsluiting naar de openbare weg.
Gelet op het voorgaande faalt het beroep op artikel 5:79 BW Pro dan ook.
6.21.
Op grond van artikel 5:78 aanhef Pro onder a BW kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.
6.22.
[geïntimeerden] stellen dat [appellant] pas ná de vestiging van de erfdienstbaarheid in 2016 haar bedrijfsvoering heeft gewijzigd en sinds 25 februari 2021 een aanlegsteiger en/of stalling aan [straat 2] 139 heeft. Anders dan de verwijzing naar deze aanlegsteiger, hebben [geïntimeerden] niets aangevoerd waaruit blijkt dat de bedrijfsvoering van [appellant] gewijzigd is. Maar ook als dit wel zou komen vast te staan, geldt dat dit geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 5:78 BW Pro oplevert. Bij het vestigen van de erfdienstbaarheid was het bij [geïntimeerden] bekend dat [appellant] een bedrijf is dat zich bezig houdt met het stallen van boten en caravans. Het valt niet als onvoorzien te beschouwen dat een bedrijf in de toekomst wijzigingen in haar bedrijfsvoering doorvoert. Bovendien ligt mogelijke intensivering van het gebruik van de erfdienstbaarheid besloten in de erfdienstbaarheid zelf, omdat deze in dat opzicht geen beperking kent.
6.23.
Bij de beoordeling van grief 2 in principaal hoger beroep is geconcludeerd dat er ten laste van perceel [nummer 8] geen erfdienstbaarheid is gevestigd. De vordering om opheffing van de erfdienstbaarheid ten laste van dit perceel mist dan ook betekenis.
6.24.
Uit het voorgaande volgt dat grief 2 in incidenteel hoger beroep niet slaagt. De (primaire) vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid is niet toewijsbaar.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.25.
Het principaal hoger beroep heeft geen succes. De in principaal hoger beroep gewijzigde vordering zal worden afgewezen. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. Het hof stelt de proceskosten in principaal hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 349,00
- salaris advocaat € 3.870,00 (tarief II x 3 punten)
Totaal € 4.219,00
6.26.
Het incidenteel hoger beroep heeft evenmin succes. Het hof zal het bewijsaanbod van [geïntimeerden] passeren omdat [geïntimeerden] onvoldoende specifiek bewijs hebben aangeboden van feiten die tot een andere beslissing van de zaak kunnen leiden. [geïntimeerden] zijn in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten daarvan. Het hof stelt de proceskosten in incidenteel hoger beroep als volgt vast:
- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief II x 2 punten x 0,5)
Totaal € 1.290,00
6.27.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behalve voor zover het de proceskostenveroordeling in reconventie betreft. De kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie zijn naar het oordeel van het hof ten onrechte tussen partijen gecompenseerd, omdat de vorderingen van [geïntimeerden] in reconventie zijn afgewezen. In dat opzicht wordt het bestreden vonnis vernietigd. De compensatie van de proceskosten in eerste aanleg in conventie blijft in stand. Grief 3 van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt dus gedeeltelijk. Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg in reconventie als volgt vast:
- salaris advocaat € 1.046,50 (tarief II x 3,5 punten x 0,5)
Totaal € 1.046,50

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling in reconventie betreft, en doet opnieuw recht:
7.2.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg. Deze kosten worden tot nu vastgesteld op € 1.046,50 voor salaris;
7.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
7.4.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot nu vastgesteld op
€ 4.219,00;
7.5.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.6.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 1.290,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.7.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.8.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. Bellaart, I. de Greef en M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.