Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Ik ga alles met je delen (..) wacht maar af.” Daarnaast heeft de vrouw de overeenstemming bevestigd in haar e-mailbericht van 24 juni 2021 aan de man en de heer [naam 1] . De man heeft de gemaakte afspraak bovendien nog eens bevestigd in zijn e-mailbericht van 27 juni 2021 (tijdstip 9.11 uur) aan de heer [naam 1] . Vervolgens stelde vrouw in haar e-mailbericht van 27 juni 2021 opeens als aanvullende voorwaarde dat betaling van het bedrag van € 500.000,- tegen finale kwijting zou moeten geschieden. Deze voorwaarde was echter niet eerder overeengekomen. Deze finale kwijting maakte dus geen deel uit van de al eerder gemaakte afspraak. De vrouw kon deze aanvullende voorwaarde dus ook niet meer stellen, aldus de man.
Dan over vrijdag (…) op het terras in [plaats C] waar we een afspraak hadden om over de 5 ton schenking aan mij te praten, op welke manier dat nu eindelijk mijn kant op zou komen, eens waren we het al op het moment dat de serveerster aan tafel kwam afruimen en [de vrouw] niet het fatsoen had even haar mond te houden maar juist begon uit varen over verduistering van 9 ton, welke onjuist is, het vreemd gaan e.d. ik vind daar geen enkel excuus voor op zijn plaats, ze had dit nooit mogen doen, beschamend. Jij zat erbij en keer ernaar.” De man heeft verder nog gewezen op het mailbericht van de vrouw aan hem en de heer [naam 1] d.d. 24 juni 2021. Daarin schrijft de vrouw: “
Wat er dan wel meteen kan gebeuren in(het hof begrijpt “is”)
dat [naam 2] een aanvraag doet om [de man] 5 ton te schenken. Met zo min mogelijk kleerscheuren.” Ook hieruit volgt volgens de man dat partijen met elkaar de afspraak hadden gemaakt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen.
Een gesprek met zijn drieën vond ik zelf eigenlijk geen goed idee, (ik had ook iemand mee moeten nemen die aan mijn zijde stond) het is eigenlijk zo gelopen als ik had verwacht, het escaleerde en draaide uit op niets. We zijn dus geen steek verder gekomen.”. Hieruit volgt volgens de vrouw dat partijen nu juist geen afspraken met elkaar hebben gemaakt. De vrouw heeft verder gewezen op de brief van de advocaat van de man aan haar d.d. 8 juli 2021. In die brief schrijft de advocaat van de man: “
Client zou graag afspraken met u willen maken over de verdeling van de (waarde van de) bedrijven, het onroerend goed en overig vermogen. U heeft al aan client toegezegd dat hij in ieder geval recht heeft op een bedrag van EUR 500.000,-“. Als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst (aanbod en aanvaarding), had de advocaat van de man volgens de vrouw niet gesproken over ‘een toezegging’ maar had zij nakoming van de overeenkomst gevorderd. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij bij het schrijven van haar e-mailbericht van 24 juni 2021 nog hoopte dat zij haar relatie met de man kon redden. Ze zat op dat moment in een emotionele achtbaan. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om aan de man zo maar een bedrag van € 500.000,- te schenken, ongeacht of haar relatie met de man nu wel of niet zou eindigen.
4.Beslissing
10 maart 2026voor opgave van de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten en van de getuigen in de maanden mei tot en met augustus 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;