ECLI:NL:GHAMS:2026:610

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.329.833
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:928 BWArt. 7:929 BWArt. 7:930 BWArt. 339 lid 5 RvAlgemene Voorwaarden Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Advocaten CNA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeraar gehouden dekking te verlenen onder excedentverzekering ondanks schending mededelingsplicht

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de verzekeraar gehouden is dekking te verlenen onder een excedentverzekering die een advocatenkantoor heeft afgesloten. Het advocatenkantoor werd aansprakelijk gesteld wegens beroepsfouten en riep de verzekeraar in vrijwaring op. De verzekeraar weigerde dekking te verlenen vanwege een vermeende schending van de mededelingsplicht door het advocatenkantoor.

De rechtbank wees de vordering af omdat het toegewezen schadebedrag in de hoofdzaak niet boven de primaire polis uitkwam. Het hof oordeelt echter dat het advocatenkantoor beroepsfouten heeft gemaakt en aansprakelijk is, en verwijst de schadestaatprocedure door. Voor het geval de schade boven de primaire polis uitkomt, moet de verzekeraar dekking verlenen.

Hoewel het advocatenkantoor de mededelingsplicht schond, heeft de verzekeraar niet binnen twee maanden na ontdekking van deze schending de verzekeringnemer gewezen op de gevolgen, zoals vereist volgens artikel 7:929 lid 1 BW Pro. Dit maakt dat de verzekeraar geen beroep kan doen op de niet-nakoming. Ook andere verweren van de verzekeraar falen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de verzekeraar tot het verlenen van dekking en betaling van proceskosten.

Uitkomst: De verzekeraar is gehouden dekking te verlenen onder de excedentverzekering ondanks schending van de mededelingsplicht, omdat zij niet tijdig heeft gewezen op de niet-nakoming.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.329.833/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/713592 / HA ZA 22/127
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
2.
[appellant 2],
wonende te [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. C. Fledderus te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats 3] (Luxemburg),
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.R. van der Vorst te Rotterdam.
Appellanten zullen hierna gezamenlijk [appellanten] worden genoemd. Afzonderlijk worden zij [appellant 1] en [appellant 2] genoemd. Geïntimeerde zal hierna [geïntimeerde] worden genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[appellant 1] , een advocatenkantoor, heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering bij CNA. In 2019 heeft [appellant 1] via haar assurantieadviseur [bedrijf 2] een excedentpolis gesloten bij [geïntimeerde] . Deze excedentverzekering biedt dekking als de primaire verzekering van CNA is uitgewerkt. Voormalige cliënten van [appellant 1] zijn in 2021 een procedure tegen [appellant 1] gestart (de hoofdzaak) en hebben [appellant 1] aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van een beroepsfout van [appellant 1] geleden schade. [appellant 1] heeft [geïntimeerde] in de hoofdzaak in vrijwaring opgeroepen. Volgens [appellant 1] dient [geïntimeerde] dekking te verlenen (voor zover dat nodig mocht zijn omdat de aansprakelijkheid van [appellant 1] het onder de primaire polis verzekerde bedrag overstijgt). [geïntimeerde] heeft geweigerd dekking onder de polis te verlenen. [appellant 1] vordert in rechte onder meer een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] dekking onder de polis dient te verlenen.
1.2.
De rechtbank heeft de vordering van [appellant 1] afgewezen omdat [appellant 1] in de hoofdzaak niet is veroordeeld tot betaling van een bedrag dat uitkomt boven de dekking onder de primaire polis. Het hof oordeelt in de hoofdzaak dat [appellant 1] beroepsfouten heeft gemaakt en dat [appellant 1] voor de door haar cliënte(n), hierna [bedrijf 1] , geleden schade aansprakelijk is. Het hof verwijst de zaak in de hoofdzaak naar de schadestaatprocedure. Voor het geval dat het in de hoofdzaak toegewezen bedrag uitkomt boven de dekking onder de primaire verzekering, oordeelt het hof in deze vrijwaringszaak dat [geïntimeerde] gehouden is dekking onder de polis te verlenen. [appellant 1] heeft weliswaar niet voldaan aan de mededelingsplicht, maar [geïntimeerde] heeft [appellant 1] niet binnen twee maanden na de ontdekking gewezen op de niet-nakoming van de mededelingsplicht met vermelding van de mogelijke gevolgen . Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde] geen gevolgen kan verbinden aan de door haar geconstateerde schending van de mededelingsplicht. Het hof zet in het navolgende nader uiteen hoe het tot dit oordeel komt.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 6 juli 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseressen en [geïntimeerde] als gedaagde.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord.
2.3.
Op 2 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen:
- namens [appellanten] : [naam 1] , [naam 2] en [appellant 2] , bijgestaan door mr. Fledderus.
- namens [geïntimeerde] : [naam 3] , bijgestaan door [naam 4] en [naam 5] .
De door de advocaten overgelegde spreekaantekeningen maken deel uit van de stukken.
2.4.
Op deze zitting is tevens de hoofdzaak tussen [bedrijf 1] en [appellanten] (zaaknummer: 200.327.285/01) behandeld.
2.5.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2.6.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof, gelijktijdig met het te wijzen arrest in de hoofdzaak, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] gehouden is dekking te verlenen onder de polis, althans [geïntimeerde] zal veroordelen tot het doen van een uitkering ten belope van het bedrag waartoe [appellanten] als geïntimeerden in de hoofdzaak jegens [bedrijf 1] veroordeeld mochten worden indien en voor zover dit bedrag hoger is dan de verzekerde som van de primaire polis, dan wel zodanige voorzieningen te treffen als het hof juist acht.
2.7.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten] in hun vorderingen, althans tot ongegrondverklaring van de grieven van [appellanten] en, waar nodig onder verbetering van de gronden, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 8 februari 2023 onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende:
in de hoofdzaak:
3.2.
[appellant 1] voert een advocatenkantoor. [appellant 2] was als advocaat en partner verbonden aan [appellant 1] . [appellant 1] heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering gesloten bij CNA. Het gaat om een primaire polis met een verzekerde som van € 5 miljoen per aanspraak en € 10 miljoen per jaar.
3.3.
[bedrijf 1] stellen dat zij met [appellant 1] een overeenkomst van opdracht hebben gesloten en hebben [appellanten] aansprakelijk gesteld. Volgens [bedrijf 1] zou [appellant 2] bij de uitvoering van die overeenkomst een beroepsfout hebben gemaakt.
3.4.
[bedrijf 1] hebben [appellanten] gedagvaard in de hoofdzaak en betaling gevorderd van ongeveer € 20 miljoen.
3.5.
In de hoofdzaak heeft de rechtbank op 8 februari 2023 geoordeeld dat [appellant 2] bij de advisering van [bedrijf 1] beroepsfouten heeft gemaakt en dat [appellant 1] daardoor jegens [bedrijf 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. De gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank echter afgewezen wegens (onder meer) het ontbreken van causaal verband tussen de schade en de beroepsfouten. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [bedrijf 1] de overeenkomst van opdracht met [appellant 1] partieel hebben ontbonden en geoordeeld dat [appellant 1] als ongedaanmakingsverbintenis een deel van de gefactureerde bedragen moet terugbetalen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 52.314,76 .
3.6.
In het hoger beroep in de hoofdzaak oordeelt het hof vandaag dat [appellant 2] beroepsfouten heeft gemaakt. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen reden om te oordelen dat het causaal verband bestaat tussen deze beroepsfouten en de door [bedrijf 1] gestelde schade geheel ontbreekt. [appellant 1] als opdrachtnemer – en niet ook [appellant 2] als behandelend advocaat – is aansprakelijk voor de schade die [bedrijf 1] als gevolg van de beroepsfouten hebben geleden. Voor de vaststelling van de omvang van de te vergoeden schade (met uitzondering van de grootste post, het synergievoordeel, die nu al wordt afgewezen) verwijst het hof naar de schadestaatprocedure. Verder vermindert het hof de ongedaanmakingsverplichting in verband met de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht met een bedrag van € 10.771,50.
in de vrijwaringszaak:
3.7.
[appellant 1] heeft medio 2019 via haar assurantietussenpersoon, [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) een beroepsaansprakelijkheidsverzekering aangevraagd bij [geïntimeerde] . Het betrof een excedent aansprakelijkheidsverzekering, die voorziet in dekking wanneer de verzekerde som onder primaire polis is uitgeput, met een verzekerde som van € 5 miljoen per aanspraak en € 10 miljoen per verzekeringsjaar.
3.8.
Op 25 juni 2019 heeft de directeur van [appellant 1] namens [appellant 1] een “OMSTANDIGHEDEN/NO CLAIM-VERKLARING” ondertekend. Deze verklaring houdt in:
“(…)OMSTANDIGHEDEN /NO CLAIM-VERKLARING
Ondergetekende verklaart namens verzekeringnemer als aanvrager van de verzekering, na hiernaar gedegen onderzoek te hebben gedaan onder de verzekerden tot welke de verzekering zich uitstrekt, niet bekend te zijn met enige aanspraak of omstandigheid die leidt of kan leiden tot een aanspraak.
Onder een aanspraak wordt in ieder geval verstaan een vordering van een derde jegens verzekerde(n) tot vergoeding van schade. Onder een omstandigheid wordt in ieder geval verstaan een feit, voorval, gebeurtenis, fout, etc waaruit een (mogelijke) aanspraak kan worden afgeleid.
Indien er aanspraken of omstandigheden voorafgaand aan de ingangsdatum van de verzekering bij verzekerden bekend zijn of behoorden te zijn, dienen dergelijke aanspraken of omstandigheden (meestal schriftelijk) bij de verzekeraar van een te beëindigen verzekering, vóór de beëindigingdatum, te worden gemeld. Aanspraken of omstandigheden die bij verzekerden bekend (behoorden te) zijn voorafgaand aan de ingangsdatum van de
aangevraagde verzekering zijn niet verzekerd onder de aangevraagde verzekering.
Ondergetekende verklaart dat, indien in de periode vanaf het ondertekenen van deze verklaring tot de ingangsdatum van de verzekering aanspraken en/of omstandigheden bij verzekerde(n) bekend worden, deze aanspraken en omstandigheden vóór de ingangsdatum alsnog ter kennis van [geïntimeerde] zullen worden gebracht. Deze aanspraken en/of omstandigheden zullen in de acceptatiebeslissing van [geïntimeerde] worden betrokken.
Deze verklaring vormt, tezamen met de overige aan [geïntimeerde] verstrekt informatie, de grondslag voor de aangevraagde verzekeringsovereenkomst. (…)
3.9.
Daarnaast heeft [appellant 1] een aanvraagformulier beroepsaansprakelijkheidsverzekering ingevuld en op 25 juni 2019 ondertekend.
Op de laatste pagina onder punt 12. SLOTVRAGEN is door [appellant 1] het volgende ingevuld:
En onder punt 13. SLOTVERKLARING EN ONDERTEKENING staat nog het volgende vermeld:
3.10.
Bij e-mail van 23 september 2019 heeft een medewerker van [geïntimeerde] aan [bedrijf 2] bericht dat de verzekeringsdekking is bevestigd (per 3 september 2019). Op 9 oktober 2019 is het polisblad opgesteld. Dit polisblad is bij brief van 11 oktober 2019 aan [bedrijf 2] verzonden.
3.11.
Op de verzekering zijn de polisvoorwaarden (Algemene Voorwaarden Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Advocaten CNA) van de primaire beroepsaansprakelijkheidsverzekering bij CNA van toepassing verklaard. In artikel 1: DEFINITIES Pro is onder 1.8 de volgende definitie opgenomen:
ARTIKEL 1: DEFINITIES Pro (…)
Hoedanigheid: de werkzaamheden die geacht worden te behoren tot de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van verzekeringnemer, zoals gebruikelijk in de branche waartoe verzekeringnemer behoort en zoals nader omschreven en gedetailleerd op het polisblad.”
In artikel 2: DE Pro DEKKING is – voor zover hier relevant – opgenomen:
ARTIKEL 2: DE Pro DEKKING
2.1
Verzekerd is, met inachtneming van de op het polisblad van toepassing verklaarde
voorwaarden, de aansprakelijkheid van verzekerde voor door derden geleden schade als
gevolg van een fout binnen de verzekerde hoedanigheid, mits de aanspraak tegen de verzekerde voor het eerst is ingesteld en aan de verzekeraar schriftelijk is gemeld tijdens de contractduur en de aanspraak, respectievelijk de fout waaruit de aanspraak voortvloeit, voorafgaand aan de ingangsdatum van de verzekering bij verzekerde niet bekend was of behoorde te zijn.
2.2
De dekking heeft betrekking op de werkzaamheden die behoren tot de normale praktijk van een Nederlandse advocaat, zoals werkzaamheden die verricht worden in de hoedanigheid van advocaat, procureur (werkzaamheden voor 1 september 2008; daarna worden deze
werkzaamheden gerekend tot de normale praktijk van een Nederlandse advocaat), curator in een faillissement (pro se), bewindvoerder in een surséance van betaling, bewindvoerder ten behoeve van een afwezige derde of een onder bewind gestelde persoon, bewindvoerder [naam 6] , executeur testamentair, bindend adviseur, arbiter, bemiddelaar in het kader van alternatieve geschillenbeslechting (ADR), mediator, auditor in het kader van het kwaliteitsproject van de Nederlandse [bedrijf 3] en bij het vervullen van een andere functie waarin verzekerde door de rechter is benoemd (waaronder vereffenaar), met alle daarbij en daartoe behorende werkzaamheden en activiteiten. De dekking heeft
eveneens betrekking op werkzaamheden in verband met de uitoefening van bestuurs- of
toezichthoudende functies bij de eigen Stichting Derdengelden. (….)
2.12.3
Aanspraken die voortvloeien uit fouten die zijn gemaakt voorafgaand aan de ingangsdatum zijn uitsluitend gedekt indien en voor zover verzekerde met deze fouten niet bekend was of daarmee behoorde te zijn en van deze medeverzekering aantekening is gemaakt in de polis (inlooprisico). Het inlooprisico wordt geacht te behoren tot het eerste, vanaf de ingangsdatum van de verzekering geldende, verzekeringsjaar. (…)”
3.12.
[appellant 1] heeft via [bedrijf 2] op 18 januari 2021 een pro-forma schademelding gedaan bij [geïntimeerde] . In deze schademelding is het volgende aangegeven:
“(…) Beste, zoals besproken met [naam 7] zojuist deze proforma melding op de excedentpolis. Verzekerde is formeel aansprakelijk gesteld voor 8,2 miljoen euro. (…) Ingeschakelde advocaat van KVDL zond een reservebericht. De advocate verwacht niet dat de excedentpolis wordt geraakt. Bandbreedte van de aan te houden reserve is worst case waarschijnlijke namelijk 1 miljoen en best case 400/500K euro. CNA laat nog weten wat het exact
wordt. (….)”.
Bij de pro-forma schademelding waren onder meer de tussen [bedrijf 2] en CNA gevoerde e-mailcorrespondentie van 16 oktober 2020 en 18 november 2020, de aansprakelijkstelling die [appellant 1] op 23 oktober 2020 had ontvangen, alsmede het door de advocaat van [appellant 1] opgestelde concept voor de reactie op de aansprakelijkstelling. [geïntimeerde] heeft de schademelding op 11 februari 2021 bevestigd.
3.13.
Op 18 februari 2021 heeft [bedrijf 2] de door haar met CNA gevoerde e-mail-correspondentie met CNA doorgestuurd aan [geïntimeerde] . In een e-mail van 10 februari 2021 heeft een medewerker van CNA aan [bedrijf 2] bericht:
“(…) Het lijkt er overigens op dat we er niet uit gaan komen met claimant in welk geval een procedure zal volgen. Claimant lijkt vast te houden aan de miljoenenclaim die is ingesteld tegen verzekerde zodat melding aan de excedentverzekeraars inmiddels helaas wel raadzaam lijkt. Dat is een beslissing die uiteraard niet aan ons is maar ik wilde je wel informeren over deze ontwikkelingen. (…)”
[geïntimeerde] heeft op 19 februari 2021 aan [bedrijf 2] bericht dat zij de ontwikkelingen zal afwachten.
3.14.
[bedrijf 2] heeft op 12 oktober 2021 en 28 oktober 2021 (met als bijlage onder meer de inleidende dagvaarding in de hoofdzaak) wederom correspondentie met CNA aan [geïntimeerde] doorgestuurd.
3.15.
Op 10 november 2021 heeft [bedrijf 2] aan [geïntimeerde] gevraagd of zij kan bevestigen dat er dekking is op de excedentverzekering. [geïntimeerde] heeft vervolgens op 19 november 2021 aan [bedrijf 2] bericht dat zij dekkingsadvies ging inwinnen bij een advocatenkantoor. Op 22 november 2021 heeft [geïntimeerde] [bedrijf 2] verzocht om afschriften van de producties bij de dagvaarding in de hoofdzaak, die zij vervolgens op 23 november 2021 van [bedrijf 2] heeft ontvangen.
3.16.
Bij brief van 20 december 2021 heeft [geïntimeerde] verzekeringsdekking geweigerd. [geïntimeerde] heeft zich daarin onder meer beroepen op de niet-nakoming door [appellant 1] van de mededelingsplicht in de zin van artikel 7:928 BW Pro, alsmede op een aantal overige polisverweren (de fout waaruit de aanspraak voortvloeit was voor de ingangsdatum van de polis bekend, werkzaamheden zijn niet gedekt omdat zij niet behoren tot de “normale praktijk van een Nederlandse advocaat”).

4.Beoordeling

Het geschil
4.1.
[appellant 1] heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering bij CNA. Het betreft een primaire polis met een verzekerde som van € 5 miljoen per aanspraak met een totaal van € 10 miljoen per jaar. In 2019 heeft [appellant 1] via haar assurantieadviseur [bedrijf 2] een excedentpolis (met een (aanvullende) verzekerde som van eveneens € 5 miljoen per aanspraak en € 10 miljoen per jaar) gesloten bij [geïntimeerde] . Deze excedentverzekering biedt in beginsel (per 3 september 2019) dekking als de verzekerde som van de primaire verzekering van CNA is uitgeput. [bedrijf 1] (deels voormalige cliënten van [appellant 1] ) zijn op 22 oktober 2021 een procedure tegen [appellant 1] gestart (de hoofdzaak) en hebben [appellant 1] aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van een beroepsfout van [appellant 1] geleden schade. [appellant 1] heeft [geïntimeerde] in vrijwaring opgeroepen. Volgens [appellant 1] dient [geïntimeerde] dekking onder de polis te verlenen (voor zover dat nodig mocht zijn omdat de aansprakelijkheid van [appellant 1] het onder de primaire polis verzekerde bedrag overstijgt). [geïntimeerde] heeft geweigerd dekking onder de polis te verlenen.
4.2.
[appellanten] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellanten] te betalen alles waartoe [appellanten] als gedaagde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, voor zover dit hoger is dan het bedrag dat onder de primaire verzekering is gedekt.
4.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het bedrag waartoe [appellant 1] in de hoofdzaak is veroordeeld lager is dan het bedrag dat on der de primaire verzekering is gedekt, zodat [appellant 1] geen vordering heeft op [geïntimeerde] onder de excedentverzekering. De rechtbank heeft de vordering in vrijwaring daarom afgewezen. In de hoofdzaak zijn [bedrijf 1] in hoger beroep gekomen en heeft [appellant 1] incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant 1] is in de vrijwaringszaak met vier grieven tegen de hiervoor genoemde beslissing van de rechtbank opgekomen.
Geen aanhouding vrijwaring
4.4.
In de hoofdzaak is de aansprakelijkheid vastgesteld maar de omvang van de schade nog niet. Dat moet gebeuren in de schadestaatprocedure. De mogelijkheid bestaat dat daarin de aansprakelijkheid wordt bepaald op een bedrag dat uitkomt boven de verzekerde som van de primaire polis. Het hof ziet in die omstandigheden geen aanleiding om de uitspraak in de vrijwaringszaak aan te houden en zal, ook om partijen duidelijkheid te geven, beoordelen of [geïntimeerde] gehouden is dekking te geven onder de polis, in het geval de excedentverzekering wordt geraakt.
Ontvankelijkheid
4.5.
[geïntimeerde] heeft zich in haar memorie van antwoord primair op het standpunt gesteld dat [appellanten] niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Volgens [geïntimeerde] is het bestreden vonnis uitgesproken op 8 februari 2023 en hebben [appellanten] haar pas gedagvaard op 7 juli 2023, bijna twee maanden na het verstrijken van de beroepstermijn. Volgens [geïntimeerde] komt [appellant 1] geen beroep toe op de langere beroepstermijn van artikel 339 lid 5 Rv Pro omdat dit artikel slechts ziet op de situatie dat de gewaarborgde in de hoofdzaak niet wordt veroordeeld, waardoor de vorderingen in de vrijwaringsprocedure (automatisch) worden afgewezen. Hier is [appellant 1] in de hoofdzaak wel veroordeeld. De rechtbank heeft de vrijwaring inhoudelijk behandeld en de vorderingen van [appellant 1] op [geïntimeerde] afgewezen omdat de primaire verzekering van [appellant 1] niet was uitgeput en de excedentpolis pas voorziet in dekking na uitputting van de primaire polis. Voorgaande is anders voor [appellant 2] , omdat de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellant 2] in de hoofdzaak wel zijn afgewezen.
4.6.
Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Artikel 339 lid 5 Rv Pro bepaalt dat indien in eerste aanleg een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, het hoger beroep daartegen openstaat tot het moment dat in de hoofdzaak de memorie van antwoord is genomen. Deze bepaling is in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering opgenomen om tegemoet te komen aan het probleem dat voor een eiser in vrijwaring (in dit geval [appellanten] ) kan ontstaan, als in de hoofdzaak de vordering tegen haar is afgewezen (en daarmee ook de vordering in vrijwaring) en de eiser in die hoofdzaak op het laatste moment in hoger beroep gaat. Pas op dat laatste moment ontstaat voor de gewaarborgde belang (het verkrijgen van een ander dictum) bij het instellen van hoger beroep in de vrijwaringszaak. De reguliere appeltermijn van drie maanden zal dan inmiddels echter verstreken zijn. Met de verlengde appeltermijn van lid 5 kan dan toch nog tijdig hoger beroep worden ingesteld.
4.7.
De ratio van artikel 339 lid 5 Rv Pro is ook in deze zaak ook aan de orde. De vordering tot vrijwaring is in eerste aanleg zonder inhoudelijke beoordeling op basis van het oordeel in de hoofdzaak (de relevante schadevordering werd afgewezen) afgewezen. Het enkele feit dat de rechtbank heeft verwezen naar de drempelwaarde (en geconstateerd dat het in de hoofdzaak toegewezen bedrag lager is) rechtvaardigt niet dat [appellant 1] de bescherming van de verlengde beroepstermijn wordt onthouden. De situatie zoals die zich hier voordoet kan op één lijn worden gesteld met die dat de vordering in de hoofdzaak volledig is afgewezen. Omdat het door de door de rechtbank toegewezen gedeelte van de vordering van [bedrijf 1] niet boven de dekking van de primaire verzekering van [appellant 1] uitkwam, ontstond voor [appellanten] pas belang bij het instellen van hoger beroep in de vrijwaringszaak toen door [bedrijf 1] hoger beroep in de hoofdzaak werd ingesteld. Daarmee deed zich pas de mogelijkheid voor dat de vordering tot het vergoeden van de schade van [bedrijf 1] alsnog voor een bedrag zou worden toegewezen dat boven de dekking van de primaire verzekering van [appellanten] zou uitkomen. Naar het oordeel van het hof is artikel 339 lid 5 Rv Pro in de onderhavige situatie van toepassing en is [appellanten] ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep. [appellanten] heeft immers in de hoofdzaak op 15 augustus 2023 de memorie van antwoord genomen, waaruit volgt dat [appellanten] met de dagvaarding in hoger beroep van 7 juli 2023 tijdig in hoger beroep is gekomen.
Omvang hoger beroep
4.8.
Met betrekking tot [appellant 2] heeft [geïntimeerde] terecht aangevoerd dat [appellant 2] geen belang heeft bij de onderhavige vordering in vrijwaring. Het hof heeft in de hoofdzaak evenals de rechtbank geoordeeld dat [appellant 2] niet aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] geleden schade. De vordering van [appellant 2] zal dan ook worden afgewezen. Het hof zal in het navolgende alleen de vordering in vrijwaring van [appellant 1] bespreken.
4.9.
[geïntimeerde] heeft ook nog aangevoerd dat [appellant 1] met de grieven 1 tot en met 3 geen grieven heeft gericht tegen (rechtsoverwegingen) uit het vonnis en dat grief 4 (de veeggrief) evenmin aangeeft op welke grond(en) de vaststelling dat [appellant 1] geen vordering heeft op [geïntimeerde] onder de excedentpolis niet in stand zou kunnen blijven, zodat dit tussen partijen niet meer ter discussie staat. Dat standpunt is onhoudbaar omdat evident is dat de grieven streven naar een ander dictum voor het geval dat in de hoofdzaak anders zou worden geoordeeld over de aansprakelijkheid, en dat die grieven daartoe beargumenteren waarom [geïntimeerde] gehouden dekking is te verlenen en het dictum moet worden gewijzigd. Een afzonderlijke grief die dit nog eens expliciet stelt hoefde [appellant 1] niet te formuleren.
De standpunten van [geïntimeerde]
4.10.
[geïntimeerde] handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat zij niet gehouden is om dekking te verlenen onder de excedent aansprakelijkheidsverzekering. Zij beroept zich daarbij op drie afwijzingsgronden. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant 1] haar mededelingsplicht (ex artikel 7:928 BW Pro) geschonden en heeft zij ( [geïntimeerde] ) zelf voldaan aan de twee maanden-termijn van artikel 7:929 BW Pro. Daarnaast hoeft zij – volgens haar - geen dekking te verlenen omdat [appellant 1] voor de ingangsdatum van de polis bekend was (of behoorde bekend te zijn) met de fout waaruit de aanspraak voortvloeit (artikel 2.1 en 2.12.3 van de toepasselijke polisvoorwaarden). Tot slot heeft [appellant 1] niet gehandeld binnen de reikwijdte van de verzekerde hoedanigheid (artikel 2.2 van de toepasselijke polisvoorwaarden), aldus [geïntimeerde] . [appellant 1] heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat [geïntimeerde] geen beroep toekomt op deze afwijzingsgronden en heeft daarnaast een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Schending mededelingsplicht
- Wettelijk kader
4.11.
Volgens artikel 7:928 lid 1 BW Pro is de verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen (
het kennisvereiste), en waarvan hij weet of behoort te begrijpen (
het kenbaarheidsvereiste) dat daarvan de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen of – en zo ja, op welke voorwaarden – hij de verzekering zal willen sluiten (
het relevantievereiste). De mededelingsplicht heeft geen betrekking op feiten die de verzekeraar al kent of behoort te kennen (
het verschoonbaarheidsvereiste) (artikel 7:928 lid 4 BW Pro). Heeft de verzekeraar naar een bepaald feit gevraagd, dan weet de verzekeringnemer dat mededeling van dat feit relevant kan zijn voor (de acceptatiebeslissing van) de verzekeraar, zodat in zoverre aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan. De aspirant-verzekeringnemer mag een door de verzekeraar voorgelegde vraag opvatten naar de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen (zie: HR 13 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2135, NJ 1997/637, rov. 3.3.3).
4.12.
Als de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, kan dat gevolgen hebben voor het (voort)bestaan van de verzekeringsovereenkomst en voor het recht op uitkering, op voorwaarde dat de verzekeraar dit tijdig meedeelt (de kennisgevingsplicht). Artikel 7:929 lid 1 BW Pro bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat niet aan de mededelingsplicht is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen.
4.13.
Mogelijke gevolgen van een schending van de mededelingsplicht zijn de volgende. Artikel 7:929 lid 2 BW Pro bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet haar te misleiden, de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking kan opzeggen. De verzekeraar kan op grond van dit artikellid de overeenkomst ook opzeggen als geen sprake was van opzet maar hij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Het niet nakomen van de mededelingsplicht kan ook gevolgen hebben voor het recht op uitkering van de verzekeringnemer. Volgens artikel 7:930 lid 2 en Pro 3 BW mag de verzekeraar bij het bepalen van de hoogte van de uitkering uitgaan van de premie en polisvoorwaarden die zouden hebben gegolden als de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering wel alle relevante informatie zou hebben verstrekt. Volgens artikel 7:930 lid 4 en Pro lid 5 BW is de verzekeraar in het geheel geen uitkering verschuldigd als de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, of de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.
- [appellant 1] heeft haar mededelingsplicht jegens [geïntimeerde] geschonden
4.14.
Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 7:928 lid 1 BW Pro op [appellant 1] als (aspirant-) verzekeringnemer een precontractuele mededelingsplicht rustte. Voor een geslaagd beroep op schending van de mededelingsplicht moet in dit geval, kort gezegd, voldaan zijn aan de hiervoor al genoemde vier vereisten, namelijk:
het kennisvereiste;
het kenbaarheidsvereiste;
het verschoonbaarheidsvereiste;
het relevantievereiste.
De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de vraag of voldaan is aan het kennisvereiste, het kenbaarheidsvereiste en het relevantievereiste rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro op [geïntimeerde] . De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de vraag of aan het verschoonbaarheidsvereiste is voldaan rusten op [appellant 1] als verzekeringnemer.
-- het kennisvereiste
4.15.
Het hof oordeelt in het vandaag uitgesproken arrest in de hoofdzaak dat [appellant 2] met betrekking tot de brief van 15 januari 2018, de verdere advisering in 2018 en met betrekking tot de uitoefening van de optie onder de [bedrijf 4] (
[bedrijf 4]) beroepsfouten heeft gemaakt. De vraag is hier of [appellant 1] ten tijde van het invullen van de verzekeringsaanvraag en de no-claimverklaring dit feit (de beroepsfouten en de mogelijk daaruit voortvloeiende claim van [bedrijf 1] ) kende, dan wel behoorde te kennen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof acht hierbij de volgende omstandigheden van belang.
4.16.
[naam 10] heeft op 8 januari 2018 nog aan [appellant 2] aangegeven dat hij in geen enkel geval wilde dat de aanbiedingsplicht zou worden geactiveerd. [naam 8] heeft vervolgens op 12 januari 2018 aangegeven dat een directe overdracht aan Screen Acquisition onderworpen zal zijn aan ‘the right of first refusal’ van [naam 9] , hetgeen [appellant 2] ook aan [naam 10] heeft laten weten. [appellant 2] heeft vervolgens nagelaten schriftelijk vast te leggen dat er in samenspraak met [naam 10] , of zelfs op diens verzoek, was besloten om toch rechtstreeks aan Screen Acquisition over te dragen en dat [naam 10] zich bewust was van het feit dat de brief van 15 januari 2018 (mogelijk) de aanbiedingsplicht zou activeren. Daarnaast mocht [appellant 2] niet afgaan op de verklaringen van [naam 10] over de intenties van [naam 9] en had hij moeten adviseren de toestemming van [naam 9] eerst op schrift te verkrijgen, voordat de brief van 15 januari 2018 verstuurd zou worden. Ook is in de brief van 15 januari 2018 niet terug te vinden dat de voorgenomen directe overdracht aan Screen Acquisition slechts zou gelden onder de voorwaarde dat [naam 9] hiermee zou instemmen. In de e-mail van [naam 10] van 30 januari 2018 heeft hij aan [appellant 2] aangegeven dat [naam 9] zich op het standpunt heeft gesteld dat de aanbiedingsplicht was geactiveerd. [appellant 2] is vervolgens in vrij stellige bewoordingen blijven volhouden dat er geen aanbiedingsplicht was geactiveerd, maar wist wel dat [naam 9] daarover een ander standpunt innam. Partijen zijn vervolgens in overleg gegaan, maar dit heeft nergens toe geleid. [naam 9] heeft vervolgens in een e-mail van 11 december 2018 aan [naam 10] laten weten dat hij van plan is om in een arbitrageprocedure zich te beroepen op zijn ‘right of first refusal”. [naam 9] is deze procedure ook gestart. Uit de uitspraak van de arbiters van 25 april 2025 volgt vervolgens dat – anders dan [appellant 2] is blijven volhouden – de aanbiedingsplicht wel degelijk met de brief van 15 januari 2018 was geactiveerd en dat het standpunt dat [naam 9] in strijd met de “goede trouw” heeft gehandeld door de arbiters niet werd gevolgd.
Naar het oordeel van het hof konden, dan wel moesten, [appellant 2] en [appellant 1] op dat moment weten dat er een beroepsfout was gemaakt en zich in elk geval realiseren dat [bedrijf 1] dat zo zouden (gaan) zien en dat dit (mogelijk) tot een schadeclaim van [bedrijf 1] zou leiden. Dit geldt te meer nu [naam 10] in zijn e-mail van 2 mei 2019 heeft geschreven: “Hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”. [appellant 1] heeft hieruit kunnen en moeten afleiden dat [naam 10] niet gelukkig was met de uitkomst van de arbitrageprocedure en dat er – gelet op de gemaakte beroepsfouten – een reële dreiging bestond van een mogelijke aanspraak. Dat [naam 10] (namens [bedrijf 1] ) niet direct tot aansprakelijkheidsstelling is overgegaan, maakt dit niet anders. De verzekeringsaanvraag en de no-claim verklaring zijn vrij kort na de uitspraak in de arbitrageprocedure (twee maanden erna) ingevuld, zodat [appellant 1] het uitblijven van actie niet heeft mogen afleiden dat die dreiging niet (meer) bestond. Op dat moment moeten het gevolg van de uitkomst van de arbitrageprocedure, de gedwongen verkoop van de aandelen in TAB aan de vennootschap van [naam 9] , bij het invullen van deze formulieren bij [appellant 2] en [appellant 1] ook nog vers in het geheugen hebben gelegen.
-- het kenbaarheids- en verschoningsvereiste
4.17.
Het hof is van oordeel dat tevens is voldaan aan het kenbaarheids- en verschoningsvereiste. In de vragenlijst op het inschrijfformulier staat de vraag: “
zijn er feiten, na dit te hebben onderzocht, bekend waaruit een reële dreiging van een aanspraak kan leiden” en op de no-claim verklaring staat vermeldt dat [appellant 1] verklaart: “
niet bekend te zijn met enige aanspraak of omstandigheid die leidt of kan leiden tot een aanspraak”. Onder omstandigheid wordt verstaan een voorval, gebeurtenis, fout etc waaruit een (mogelijke) aanspraak kan worden afgeleid.
4.18.
[appellant 1] heeft uit deze vraagstelling – die voldoende bepaald en gericht is – kunnen en moeten begrijpen dat er sprake is van een omstandigheid als er feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat een claim kan worden ingesteld. Niet alleen gaat het om feiten die tot een reële dreiging van een aanspraak leiden, maar ook om fouten waaruit een mogelijke aanspraak kan worden afgeleid. Dit betekent dat niet alleen claims moeten worden gemeld die al zijn ingesteld maar ook omstandigheden (fouten), die tot een (reële dreiging van) een aanspraak kunnen leiden. Dit betekent niet dat iedere verloren procedure moet worden gemeld, maar wel de omstandigheid dat – zoals hier het geval is – het verlies van de arbitrageprocedure is voortgekomen uit een beroepsfout, of wat de cliënt naar redelijke verwachting als beroepsfout ziet, en een claim een reëel risico is..
4.19.
Naar het oordeel van het hof was het voor [appellant 1] kenbaar (of behoorde het te zijn) dat zij bij het invullen van de vragenlijst en de no-claim verklaring het adviseringstraject van [naam 10] ( [bedrijf 1] ) en de verloren arbitrageprocedure als omstandigheid bij [geïntimeerde] had moeten melden. [appellant 1] had dit als professioneel advocatenkantoor, dat bovendien werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon, kunnen en moeten begrijpen.
-- het relevantievereiste
4.20.
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende onderbouwd, en is door [appellant 1] onvoldoende betwist, dat indien [geïntimeerde] door [appellant 1] op de hoogte was gesteld van de reële dreiging van een (mogelijke) aanspraak van [bedrijf 1] , zij de verzekering niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben afgesloten. [geïntimeerde] heeft in dit kader gemotiveerd gesteld dat zij bij kennis van de ware stand van zaken een uitsluiting zou hebben opgenomen voor aanspraken die verband houden met het adviseringstraject van [naam 10] ( [bedrijf 1] ) door [appellant 1] en op grond waarvan geen dekking zou zijn geweest. Volgens [geïntimeerde] had zij als redelijk handelend verzekeraar ook mogen besluiten om dekking uit te sluiten voor alle aanspraken die verband houden met de activering van de aanbiedingsplicht. Los van het feit dat het hier gaat om een aanzienlijk risico, geldt immers dat het gebruikelijk is dat verzekeraars eventuele claims die gerelateerd zijn aan de bij de verzekeringsaanvraag gemelde omstandigheden van dekking uitsluiten, aldus [geïntimeerde] . [appellant 1] heeft weliswaar betwist dat [geïntimeerde] een uitsluiting op de polis zou hebben opgenomen voor aanspraken in verband met de arbitrageprocedure, maar baseert haar standpunt op het feit dat zij (en dus ook [geïntimeerde] ) ten tijde van de aanvraag van de verzekering er niet van op de hoogte was en hoefde te zijn dat [naam 10] ooit een claim zou gaan indienen en op welke gronden. Het hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [appellant 1] ten tijde van de aanvraag van de verzekering wel op de hoogte was, dan wel had moeten zijn, van de reële dreiging van een (mogelijke) aanspraak van [bedrijf 1]
-- conclusie
4.21.
Het hof is met dit alles van oordeel dat [appellant 1] haar mededelingsplicht jegens [geïntimeerde] heeft geschonden.
Meldingsplicht, de twee maanden termijn van artikel 7:929 lid 1 BW Pro
4.22.
Artikel 7:929 lid 1 BW Pro bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat niet is voldaan aan de mededelingsplicht, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Om te kunnen spreken van ‘ontdekking’ van het niet voldoen aan de mededelingsplicht (in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW Pro), zoals in dit geval vereist, is een vermoeden van de verzekeraar dat sprake is van een schending van de mededelingsplicht niet voldoende. De vervaltermijn van twee maanden gaat pas lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen, en of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringsnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen (Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050 en Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321).
4.23.
[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de pro forma schademelding op 18 januari 2021 geen aanwijzingen waren dat [appellant 1] haar mededelingsplicht niet was nagekomen. Pas toen zij op 28 oktober 2021 de dagvaarding in de hoofdzaak had ontvangen en op 10 november 2021 het verzoek van [appellant 1] kreeg om een standpunt in te nemen over dekking onder de excedentpolis, heeft [geïntimeerde] het dossier inhoudelijk in behandeling genomen en de feiten naast het acceptatiedossier gelegd, aldus [geïntimeerde] . Bij de inhoudelijke behandeling van het dossier waren er vervolgens voor [geïntimeerde] aanwijzingen dat [appellant 1] de mededelingsplicht niet was nagekomen. [geïntimeerde] heeft toen nader onderzoek uitgevoerd en advies ingewonnen bij een advocaat. Volgens [geïntimeerde] heeft zij uiteindelijk bij brief van 20 december 2021 – binnen twee maanden na ontvangst van de dagvaarding in de hoofdzaak en inhoudelijke beoordeling van het dossier – het beroep op schending van de mededelingsplicht gedaan. [geïntimeerde] betwist verder dat haar handelen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat zij [appellant 1] vermijdbaar en verwijtbaar in onzekerheid zou hebben gelaten. [appellant 1] heeft zelf pas op 10 november 2021 via haar tussenpersoon aan [geïntimeerde] gevraagd om dekking onder de excedentpolis te bevestigen. Nadat [appellant 1] dit had gevraagd heeft [geïntimeerde] – naar haar zeggen – er alles aan gedaan om [appellant 1] zo snel mogelijk van antwoord te voorzien.
4.24.
Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat [appellant 1] de brief van 20 december 2021 heeft ontvangen binnen de termijn van twee maanden nadat [geïntimeerde] voldoende zekerheid had over de niet-nakoming van de mededelingsplicht. Daarnaast acht het hof het beroep op de niet-nakoming in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het hof acht daarbij de volgende omstandigheden van doorslaggevend belang.
4.25.
Reeds uit de pro forma schademelding van 18 januari 2021 volgt dat [appellant 1] formeel aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van 8,2 miljoen euro. Dat in de melding wordt aangegeven dat de ingeschakelde advocaat verwacht dat de excedentpolis niet wordt geraakt, neemt niet weg dat [geïntimeerde] er op dat moment al van op de hoogte was dat er een claim was ingediend die de excedentverzekering mogelijk zou kunnen gaan raken. Ook uit de bij de pro forma schademelding gevoegde e-mail van 18 november 2020 van de schadebehandelaar van CNA volgt dat er een vordering lag van 8,2 miljoen euro en dat Kennedy van der Laan risico’s zag met betrekking tot de beweerde beroepsfout, zodat het verweer zich richtte op de schade en de aansprakelijkheidsbeperking. Bij de pro forma schademelding was de brief met aansprakelijkstelling van [bedrijf 1] van 23 oktober 2020 gevoegd. Uit deze brief volgt dat het gaat om feiten die zich hebben afgespeeld in 2017 en 2018, en dus vrij kort voor de aanvraag van de excedentverzekering in 2019, hetgeen bij [geïntimeerde] op zijn minst de vraag moet hebben opgeroepen of het niet ging een omstandigheid die [appellant 1] had moeten melden. Uit de brief volgt bovendien dat er tussen de partijen uiteindelijk een arbitrageprocedure is gevoerd en dat die is verloren, hetgeen er toe heeft geleid dat de cliënt(en) van [appellant 1] schade hebben geleden:
“ [appellant 2] heeft in zijn advies geen enkele aandacht besteed aan de aanbiedingsplicht die volgens [naam 9] middels het verzoek van 15 januari 2018 was getriggerd. Alle betrokken partijen (waaronder de familie [naam 10] en Screen Acquisition) vertrouwden bovendien op de juistheid van het advies van [appellant 2] van 5 februari 2018 dat het standpunt van [naam 9] onjuist was en dat in werkelijkheid geen aanbiedingsplicht was getriggerd. (….)
Op 13 december 2018 heeft [naam 10] vervolgens van [naam 9] een brief ontvangen waarin [naam 9] nakoming verzocht van de aanbiedingsplicht ter zake het 50%-belang in TAB. [appellant 2] heeft daarop desgevraagd volgehouden dat het standpunt van [naam 9] onjuist was en dat in werkelijkheid geen aanbiedingsplicht was getriggerd. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [bedrijf 1] jarenlang tevergeefse kosten van verweer hebben gemaakt in verband met een door [naam 9] in [plaats 4] aangespannen arbitrageprocedure. De arbitrageprocedure is namelijk op alle punten verloren en heeft ertoe geleid dat [bedrijf 5] op 27 juli 2020 het 50%-belang in TAB heeft moeten verkopen aan (een holding van) [naam 9] voor ca. EUR 2,8 miljoen.”
Ook de volgens [bedrijf 1] door [appellant 2] gemaakte beroepsfouten zijn in de brief omschreven:
“1) mede gezien de expliciete vraag van [naam 10] om een aanbiedingsplicht te vermijden, heeft [appellant 2] simpelweg niet correct geadviseerd over de ter zake doende aanbiedingsplicht door juist een van de weinige routes te adviseren waarbij die aanbiedingsplicht wél werd getriggerd. [appellant 2] heeft bovendien klaarblijkelijk zonder nadere ruggenspraak met de Franse advocaat ( [naam 8] ) deze onjuiste route geadviseerd terwijl hij als advocaat naar Nederlands recht niet gekwalificeerd is te adviseren over Frans recht; en 2) [appellant 2] heeft in elk geval op 5 februari 2018, voordat [naam 9] de arbitrageprocedure aanving en tijdens de duur van de arbitrageprocedure onjuist geadviseerd door ondubbelzinnig vol te houden dat het standpunt van [naam 9] onjuist was en dat in werkelijkheid geen aanbiedingsplicht was getriggerd. [appellant 2] heeft daarbij, anders dan van een advocaat mag worden verwacht, geen voorbehouden gemaakt en niet gewezen op de goede en kwade kansen van de arbitrageprocedure c.q. niet gewezen op de kans (dat in rechte toch zou kunnen worden geoordeeld) dat het standpunt van [naam 9] toch juist zou zijn.”
4.26.
Naar het oordeel van het hof bevatten de pro-forma schademelding van 18 januari 2021 en de daarbij gevoegde documenten, die duidelijk maakten dat er sprake was van een schadeclaim die was gebaseerd op beroepsfouten gemaakt in 2017/2018, zodanige gegevens dat, zo [geïntimeerde] al niet geacht moet worden op dat moment reeds voldoende zekerheid te hebben gehad dat [appellant 1] een omstandigheid niet had gemeld, het in elk geval op haar weg had gelegen om reeds op dat moment onderzoek te doen of [appellant 1] haar mededelingsplicht was nagekomen. Dat [geïntimeerde] op het moment van de pro-forma schademelding nog niet beschikte over de datum van het arbitragevonnis en de e-mail waarin [naam 10] aangeeft
“hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”, maakt dit niet anders. Nu er sprake was van een schadeclaim die de excedentverzekering zou kunnen raken, gebaseerd op feiten die zich hadden afgespeeld in 2017/2018, kort voor de aanvraag van de excedentverzekering in 2019, had [geïntimeerde] alle reden voor nader onderzoek, voor zover vereist, en dit onderzoek kon, in verband met de op haar rustende verplichting van artikel 7:929 lid 1 BW Pro ook van haar worden gevergd. Redenen waarom dit anders is, of onderzoek niet mogelijk was, heeft [geïntimeerde] niet of onvoldoende gesteld. Dat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen om pas na ontvangst van de dagvaarding en het verzoek om de dekking te bevestigen het dossier te openen en onderzoek te verrichten, komt in dit verband dan ook voor haar rekening. Dit onderzoek, en de beoordeling van de uitkomsten ervan hoefde, zo is eind 2021 gebleken, niet meer dan twee maanden te kosten. [geïntimeerde] moet daarom worden geacht reeds eind maart 2021 voldoende zekerheid te hebben gehad om de door artikel 7:929 lid 1 BW Pro vereiste mededeling te doen.
4.27.
Daarnaast overweegt het hof nog het volgende. [geïntimeerde] heeft de zaak op haar beloop gelaten door niet meteen na ontvangst van de pro forma melding en de aansprakelijkstelling (met de daarin vervatte duidelijke aanwijzingen) het onderzoek te doen dat zij nodig achtte om goed te kunnen beoordelen of [appellant 1] de mededelingsplicht had geschonden, maar hiermee te wachten tot het moment dat de dagvaarding werd uitgebracht. Zij werd op de hoogte gehouden van het verloop van de onderhandelingen tussen de partijen in de hoofdzaak en zij had door tijdig onderzoek snel duidelijk kunnen maken of [appellant 1] überhaupt op de excedentverzekering kon rekenen (of dat zij rekening moest houden met een beroep op de gevolgen van het niet nakomen van haar mededelingsplicht). Gelet op de ratio van de bepaling, die de verzekerde beoogt te beschermen en op wat hiervoor al is overwogen, acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] zich op 20 december 2021 nog op de schending van de mededelingsplicht beroept. Dat [appellant 1] niet eerder dan op 10 november 2021 om bevestiging van de dekking heeft gevraagd doet daaraan niet af. Uit die enkele omstandigheid blijkt ook niet dat [appellant 1] duidelijkheid over de dekking niet van belang vond.
Overige standpunten [appellant 1] (brief [geïntimeerde] niet rechtstreeks aan [appellant 1] verzonden – recht op dekking ontzeggen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar)
4.28.
Gelet op het voorgaande, behoeven de overige standpunten van [appellant 1] – inhoudende dat [geïntimeerde] haar brief van 20 december 2021 ten onrechte niet direct aan [appellant 1] heeft verzonden, alsmede dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] het recht op dekking in zijn geheel aan [appellant 1] zou (mogen) ontzeggen – geen bespreking.
Fout was bekend vóór het afsluiten van de verzekering
4.29.
Voorzover [geïntimeerde] zich nog op het standpunt heeft gesteld dat polisdekking eveneens ontbreekt op grond van artikel 2.1 en 2.12.3 van de toepasselijke polisvoorwaarden, aangezien [appellant 1] voor de ingangsdatum van de onderhavige polis bekend was of behoorde te zijn met de fout waaruit de aanspraak voortvloeit, geldt dat deze polisvoorwaarden neerkomen op eenzelfde mededelingsplicht zoals hiervoor reeds is besproken. Nu [geïntimeerde] geen beroep toekomt op de schending van de mededelingsplicht door [appellant 1] omdat zij [appellant 1] niet binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming van de mededelingsplicht heeft gewezen, althans het van haar te vergen onderzoek heeft nagelaten, kan zij om dezelfde redenen evenmin een beroep doen op een schending van de mededelingsplicht op grond van de polisvoorwaarden.
Handelen binnen reikwijdte van de verzekerde hoedanigheid
4.30.
[geïntimeerde] heeft – onder verwijzing naar artikel 1.8 en 2.2 van de polisvoorwaarden (weergegeven onder 3.11) – aangevoerd dat er geen sprake is van dekking onder de excedentpolis, omdat [appellant 1] heeft geadviseerd naar Frans recht en advisering naar/over buitenlands recht niet valt binnen de normale praktijk van een Nederlandse advocaat. Dit betoog van [geïntimeerde] gaat niet op.
4.31.
[appellant 2] heeft als Nederlands advocaat Nederlandse partijen geadviseerd bij een transactie met internationale aspecten. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat [appellant 1] uit de polisvoorwaarden heeft moeten begrijpen dat iedere advisering naar buitenlands recht valt buiten de normale praktijk van een Nederlandse advocaat en daarom van dekking was uitgesloten. Uit de tekst blijkt dit niet en omstandigheden waaruit [appellant 1] deze strekking moest afleiden heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld. Het strookt – zonder nadere toelichting – ook niet met de huidige praktijk van een Nederlandse advocaat waarin internationale aspecten regelmatig een rol zullen spelen. Als [appellant 2] , zoals hem wordt verweten, in het kader van de opdracht op enig moment eigenmachtig, zonder voldoende onderzoek of afstemming met in de materie geverseerde (Franse) advocaten, adviezen naar Frans recht heeft gegeven is dat (mogelijk) een beroepsfout – de door [geïntimeerde] aangehaalde beroepsregels wijzen daar ook op – maar het betekent nog niet dat [appellant 1] zich geheel buiten de normale praktijk van een Nederlandse advocaat, en daarmee buiten iedere verzekeringsdekking, heeft begeven.
4.32.
Daarnaast heeft het hof in de hoofdzaak geoordeeld dat niet is gebleken dat [appellant 2] zelfstandig heeft geadviseerd over Frans recht en het hof komt ook in de vrijwaringszaak tot dit oordeel. Het hof acht daarbij van belang dat [appellant 2] vanaf het begin advies over Frans recht heeft “ingekocht” bij [naam 8] . Dat hij de adviezen van [naam 8] niet altijd één op één heeft doorgestuurd naar [bedrijf 1] , maakt nog niet dat hij bij zijn advisering zelfstandig Frans recht heeft toegepast. Dat hij op eigen initiatief en naar eigen inzicht is afgeweken van de adviezen van [naam 8] is onvoldoende gebleken. [naam 8] heeft in de e-mail van 12 januari 2018 geschreven dat een directe overdracht van het TAB-belang aan Screen Acquisition de aanbiedingsplicht zou triggeren. Dit heeft [appellant 2] ook aan [bedrijf 1] overgebracht in zijn e-mail van 13 januari 2018. Het hof is van oordeel dat de keuze om hier – volgens [appellant 2] in samenspraak met [naam 10] – van af te wijken vooral een tactische keuze is geweest en geen advies naar Frans recht. Dat de inschatting (van [appellant 2] en [naam 10] ) dat [naam 9] zou meewerken aan de directe overdracht achteraf onjuist is gebleken, maakt dit niet anders. Voor zover de keuze berustte op de gedachte dat de aandelen werden overgedragen onder voorbehoud van goedkeuring, en dat [naam 9] zich niet te goeder trouw op zijn
right of first refusalkon beroepen, is onvoldoende gebleken dat dit eigen oordelen van [appellant 2] waren over het Franse recht, die niet met [naam 8] waren afgestemd en door haar niet werden gedeeld Evenmin is gebleken dat [appellant 2] heeft geadviseerd over Frans recht door zich uit te laten over de kansen van [bedrijf 1] in de Franse arbitrageprocedure. Voor zover [appellant 2] zich heeft uitgelaten over de slagingskansen in die procedure, maakt dit niet direct dat hij daarmee ook adviseert over Frans recht. Voor zover hij de adviezen en de inschatting van [naam 8] , die later de arbitrageprocedure zou gaan voeren, te rooskleurig of onjuist heeft weergegeven is dat wel een beroepsfout, maar niet een die bestaat in het adviseren naar Frans recht.
4.33.
Naar het oordeel van het hof valt hiermee het handelen van [appellant 1] binnen de definitie van de verzekerde hoedanigheid en faalt ook dit verweer van [geïntimeerde] ..
Bewijsaanbod
4.34.
Nu geen concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld die – indien deze worden bewezen – tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, is voor bewijslevering in dit hoger beroep geen plaats.
Conclusie
4.35.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] niet binnen twee maanden na de ontdekking van de niet-nakoming van de mededelingsplicht [appellant 1] hierop heeft gewezen met vermelding van de mogelijke gevolgen. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde] geen gevolgen kan verbinden aan de door haar geconstateerde schending van de mededelingsplicht. De overige door [geïntimeerde] opgeworpen weigeringsgronden gaan evenmin op. [geïntimeerde] is gehouden volgens de polis dekking te verlenen in het geval de in de hoofdzaak in de schadestaatprocedure vastgestelde schadevergoeding uitkomt boven een bedrag van vijf miljoen euro met verdiscontering van het eigen risico, dit tot het bedrag van tien miljoen euro, de maximale dekking voor deze gebeurtenis. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom alsnog worden toegewezen. Het hof zal daarom de verklaring voor recht geven zoals [appellant 1] die (primair) heeft gevorderd.
Proceskosten
4.36.
De grieven 2 tot en met 4 slagen. Grief 1 faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.
4.37.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant 1] worden vastgesteld op:
- explootkosten € 130,99
- griffierecht nihil
- salaris advocaat € 1.196,00 (2 punten × tarief II € 598,00)
- nakosten € 178,00
- totaal: € 1.504,99
4.38.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant 1] worden vastgesteld op:
- explootkosten € 106,73
- griffierecht nihil
- salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II € 1.290,00)
- nakosten € 189,00plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal: € 2.875,73

5.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
5.1
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] gehouden is dekking te verlenen onder de polis,
5.2
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties aan de zijde van [appellant 1] in eerste aanleg vastgesteld op € 1.504,99, en in het hoger beroep vastgesteld op € 2.875,73, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.