Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
het kennisvereiste), en waarvan hij weet of behoort te begrijpen (
het kenbaarheidsvereiste) dat daarvan de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen of – en zo ja, op welke voorwaarden – hij de verzekering zal willen sluiten (
het relevantievereiste). De mededelingsplicht heeft geen betrekking op feiten die de verzekeraar al kent of behoort te kennen (
het verschoonbaarheidsvereiste) (artikel 7:928 lid 4 BW Pro). Heeft de verzekeraar naar een bepaald feit gevraagd, dan weet de verzekeringnemer dat mededeling van dat feit relevant kan zijn voor (de acceptatiebeslissing van) de verzekeraar, zodat in zoverre aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan. De aspirant-verzekeringnemer mag een door de verzekeraar voorgelegde vraag opvatten naar de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen (zie: HR 13 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2135, NJ 1997/637, rov. 3.3.3).
[bedrijf 4]) beroepsfouten heeft gemaakt. De vraag is hier of [appellant 1] ten tijde van het invullen van de verzekeringsaanvraag en de no-claimverklaring dit feit (de beroepsfouten en de mogelijk daaruit voortvloeiende claim van [bedrijf 1] ) kende, dan wel behoorde te kennen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof acht hierbij de volgende omstandigheden van belang.
zijn er feiten, na dit te hebben onderzocht, bekend waaruit een reële dreiging van een aanspraak kan leiden” en op de no-claim verklaring staat vermeldt dat [appellant 1] verklaart: “
niet bekend te zijn met enige aanspraak of omstandigheid die leidt of kan leiden tot een aanspraak”. Onder omstandigheid wordt verstaan een voorval, gebeurtenis, fout etc waaruit een (mogelijke) aanspraak kan worden afgeleid.
“ [appellant 2] heeft in zijn advies geen enkele aandacht besteed aan de aanbiedingsplicht die volgens [naam 9] middels het verzoek van 15 januari 2018 was getriggerd. Alle betrokken partijen (waaronder de familie [naam 10] en Screen Acquisition) vertrouwden bovendien op de juistheid van het advies van [appellant 2] van 5 februari 2018 dat het standpunt van [naam 9] onjuist was en dat in werkelijkheid geen aanbiedingsplicht was getriggerd. (….)
Op 13 december 2018 heeft [naam 10] vervolgens van [naam 9] een brief ontvangen waarin [naam 9] nakoming verzocht van de aanbiedingsplicht ter zake het 50%-belang in TAB. [appellant 2] heeft daarop desgevraagd volgehouden dat het standpunt van [naam 9] onjuist was en dat in werkelijkheid geen aanbiedingsplicht was getriggerd. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [bedrijf 1] jarenlang tevergeefse kosten van verweer hebben gemaakt in verband met een door [naam 9] in [plaats 4] aangespannen arbitrageprocedure. De arbitrageprocedure is namelijk op alle punten verloren en heeft ertoe geleid dat [bedrijf 5] op 27 juli 2020 het 50%-belang in TAB heeft moeten verkopen aan (een holding van) [naam 9] voor ca. EUR 2,8 miljoen.”
“1) mede gezien de expliciete vraag van [naam 10] om een aanbiedingsplicht te vermijden, heeft [appellant 2] simpelweg niet correct geadviseerd over de ter zake doende aanbiedingsplicht door juist een van de weinige routes te adviseren waarbij die aanbiedingsplicht wél werd getriggerd. [appellant 2] heeft bovendien klaarblijkelijk zonder nadere ruggenspraak met de Franse advocaat ( [naam 8] ) deze onjuiste route geadviseerd terwijl hij als advocaat naar Nederlands recht niet gekwalificeerd is te adviseren over Frans recht; en 2) [appellant 2] heeft in elk geval op 5 februari 2018, voordat [naam 9] de arbitrageprocedure aanving en tijdens de duur van de arbitrageprocedure onjuist geadviseerd door ondubbelzinnig vol te houden dat het standpunt van [naam 9] onjuist was en dat in werkelijkheid geen aanbiedingsplicht was getriggerd. [appellant 2] heeft daarbij, anders dan van een advocaat mag worden verwacht, geen voorbehouden gemaakt en niet gewezen op de goede en kwade kansen van de arbitrageprocedure c.q. niet gewezen op de kans (dat in rechte toch zou kunnen worden geoordeeld) dat het standpunt van [naam 9] toch juist zou zijn.”
“hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”, maakt dit niet anders. Nu er sprake was van een schadeclaim die de excedentverzekering zou kunnen raken, gebaseerd op feiten die zich hadden afgespeeld in 2017/2018, kort voor de aanvraag van de excedentverzekering in 2019, had [geïntimeerde] alle reden voor nader onderzoek, voor zover vereist, en dit onderzoek kon, in verband met de op haar rustende verplichting van artikel 7:929 lid 1 BW Pro ook van haar worden gevergd. Redenen waarom dit anders is, of onderzoek niet mogelijk was, heeft [geïntimeerde] niet of onvoldoende gesteld. Dat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen om pas na ontvangst van de dagvaarding en het verzoek om de dekking te bevestigen het dossier te openen en onderzoek te verrichten, komt in dit verband dan ook voor haar rekening. Dit onderzoek, en de beoordeling van de uitkomsten ervan hoefde, zo is eind 2021 gebleken, niet meer dan twee maanden te kosten. [geïntimeerde] moet daarom worden geacht reeds eind maart 2021 voldoende zekerheid te hebben gehad om de door artikel 7:929 lid 1 BW Pro vereiste mededeling te doen.
right of first refusalkon beroepen, is onvoldoende gebleken dat dit eigen oordelen van [appellant 2] waren over het Franse recht, die niet met [naam 8] waren afgestemd en door haar niet werden gedeeld Evenmin is gebleken dat [appellant 2] heeft geadviseerd over Frans recht door zich uit te laten over de kansen van [bedrijf 1] in de Franse arbitrageprocedure. Voor zover [appellant 2] zich heeft uitgelaten over de slagingskansen in die procedure, maakt dit niet direct dat hij daarmee ook adviseert over Frans recht. Voor zover hij de adviezen en de inschatting van [naam 8] , die later de arbitrageprocedure zou gaan voeren, te rooskleurig of onjuist heeft weergegeven is dat wel een beroepsfout, maar niet een die bestaat in het adviseren naar Frans recht.