ECLI:NL:GHAMS:2026:795

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/1926
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing proceskostenvergoeding wegens ontbreken beroepsmatige rechtsbijstand

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen watersysteemheffing over meerdere jaren, waarbij de heffingsambtenaar het bezwaar over 2015 niet-ontvankelijk verklaarde maar de aanslag ambtshalve verminderde. De rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en gegrond, maar wees een proceskostenvergoeding af omdat de gemachtigde niet beroepsmatig rechtsbijstand verleende.

In hoger beroep stond enkel de proceskostenvergoeding ter discussie. Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de gemachtigde, de zoon van belanghebbende, niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. Eerdere uitspraken van het hof ondersteunen dit standpunt en er zijn geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel leiden.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 3 februari 2026 door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat geen recht bestaat op proceskostenvergoeding omdat de gemachtigde geen beroepsmatig verleende rechtsbijstand bood.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/1926
3 februari 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Veldhuisen)
tegen de uitspraak van 12 februari 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/2151 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van het [Y], de heffingsambtenaar

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 22 juli 2022 de aanslagen watersysteemheffing gebouwd over de jaren 2010 tot en met 2014 en 2016 verminderd voor het adres [straat] te [Z] .
1.2.
Bij uitspraak van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de aanslag over het jaar 2015 ambtshalve verminderd.
1.3.
In een apart besluit van 28 februari 2023 is aan belanghebbende een bedrag van € 11 aan invorderingsrente vergoed in verband met de verminderde aanslagen. De rechtbank heeft het beroepschrift, voor zover gericht tegen de rentevergoeding, als bezwaarschrift naar de heffingsambtenaar doorgestuurd.
1.4.
De rechtbank heeft als volgt op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het bezwaar ontvankelijk en gegrond en oordeelt dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding in bezwaar;
- laat voor het overige de bestreden uitspraak in stand;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.”
1.5.
Belanghebbende heeft op 27 maart 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit nader gemotiveerd bij brief van 27 mei 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 2 september 2022 tijdig bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde beschikking.
2.2.
Belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank verklaard geen behoefte te hebben aan een terugwijzing naar de heffingsambtenaar, omdat de aanslag over het jaar 2015 reeds ambtshalve is verminderd.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is alleen de proceskostenvergoeding in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door de gemachtigde van belanghebbende.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover nog relevant in hoger beroep, als volgt overwogen en beslist:

Proceskostenvergoeding bezwaar
11. De heffingsambtenaar voert aan dat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat eiser daarom geen recht heeft op een proceskostenvergoeding in bezwaar.
12. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in dit standpunt. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 februari 2023, dat betrekking heeft op de gemachtigde van eiser. [Noot rechtbank: ECLI:NL:GHAMS:2023:416] De rechtbank ziet geen aanleiding om een oordeel van de Hoge Raad over deze kwestie af te wachten. Als de gemachtigde van eiser ondanks voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam meent dat wél sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ligt het op zijn weg zijn stellingen te onderbouwen met concrete gegevens. Dit heeft de gemachtigde van eiser niet gedaan. Voor zover hij meent dat de privacy van zijn klanten hierbij een probleem vormt, had hij met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stukken kunnen overleggen. Ook dat heeft hij niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bestaat om die reden geen recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar.
Conclusies en gevolgen
13. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal, zoals overwogen onder 9, de bestreden uitspraak vernietigen voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bezwaar van eiser ontvankelijk verklaren. Gelet op de vermindering van de aanslag watersysteemheffing gebouwd voor het belastingjaar 2015, zal de rechtbank daarnaast het bezwaar van eiser gegrond verklaren. De rechtbank zal tot slot het verzoek van eiser om proceskostenvergoeding in bezwaar afwijzen.
14. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 12 ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten in beroep.”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de fasen van bezwaar en beroep. Het Hof heeft gemachtigde G. Veldhuisen, de zoon van belanghebbende, in diverse eerdere uitspraken niet aangemerkt als derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (zie naast de uitspraak van 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, ook de uitspraak van
20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1599). In hoger beroep zijn in deze zaak geen feiten en omstandigheden aan het licht gekomen die aanleiding geven om thans anders te oordelen.
5.2.
Het hoger beroep is ongegrond.

6.Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en
J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van
mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: