ECLI:NL:GHAMS:2026:811

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.353.036/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 5 BWArt. 166 lid 1 RvArt. 353 lid 1 RvWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)Toeslagenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: wijziging bijdrage vrouw aan man voor minderjarige zoon

De zaak betreft een geschil over de kinderalimentatie die de vrouw aan de man moet betalen voor hun minderjarige zoon. De rechtbank had de bijdrage van de vrouw vastgesteld op €303 per maand vanaf 1 februari 2024 en €322,70 vanaf 1 januari 2025. De vrouw is het hier niet mee eens en ging in hoger beroep.

Het hof oordeelt dat de ouders bij hun afspraak van 11 januari 2024 ten nadele van het kind zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, waardoor de rechtbank terecht de wijziging heeft vastgesteld. De vrouw stelde dat de man meer inkomen had dan aangenomen, onder meer door op geld waardeerbare arbeid, maar het hof verwierp dit op basis van rechercherapporten en het bewijsaanbod van de vrouw.

De ingangsdatum van de wijziging wordt door het hof aangepast naar 31 mei 2024, de datum waarop het verzoek van de man bij de rechtbank binnenkwam. De zorgkorting wordt vastgesteld op 15% vanwege de beperkte zorg van de vrouw. De vrouw hoeft teveel betaalde alimentatie niet terug te vorderen. De beschikking wordt verder bekrachtigd en de proceskostenveroordeling afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de ingangsdatum van de kinderalimentatiebetaling en bekrachtigt de overige onderdelen van de beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.036/01
zaaknummer rechtbank: C15/353405/FA RK 24-2912
beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
en
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) die de vrouw aan de man moet betalen voor [minderjarige] , de minderjarige zoon van partijen.
1.2
De rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) heeft bij beschikking van 26 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) op verzoek van de man de kinderalimentatie voor [minderjarige] gewijzigd en bepaald dat de vrouw vanaf 1 februari 2024 € 303,- per maand en vanaf 1 januari 2025 € 322,70 per maand aan de man dient te betalen.
1.3
De vrouw is het daar niet mee eens en wil dat het inleidende verzoek van de man alsnog wordt afgewezen. De man is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 25 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vrouw van 19 oktober 2025, met bijlagen;
- een bericht van de man 4 januari 2026, met bijlage;
- een bericht van de vrouw van 12 januari 2026, met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 14 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en D. Hosseini, tolk Farsi;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2.5
Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw een bewijsaanbod gedaan.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van :
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2008 te [plaats C] . Partijen hebben ook een meerderjarige zoon, [zoon] .
Partijen zijn getrouwd geweest. Het huwelijk is geëindigd op 16 juli 2018 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 april 2018 in de registers van de burgerlijke stand.
[minderjarige] staat met ingang van 16 februari 2024 ingeschreven op het adres van de vader.
3.2
Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Iraanse nationaliteit.
3.3
De rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2018 bepaald dat de man een bedrag van € 37,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Nadien hebben partijen in het kader van een kort geding procedure ter zitting van 11 januari 2024 met betrekking tot de kinderalimentatie een nadere afspraak gemaakt. Deze afspraak is door de voorzieningenrechter van de rechtbank als volgt vastgelegd in een verkort proces-verbaal:
5. De vrouw zegt toe dat zij over de onderwerpen onroerend goed, kinderalimentatie en bruidsschat, geen (nieuwe) procedures tegen de man in Iran zal aanspannen. De thans tussen partijen in Nederland aanhangige procedures zullen op de eerst mogelijke (rol)datum worden beëindigd.
6. Partijen zullen hun geschil over de alimentatie als volgt afwikkelen.
A. De man zal op de tot dit moment uitstaande alimentatievordering tegen finale kwijting € 500,00 betalen, binnen een week door storting op de bij de man bekende bankrekening van de vrouw.
B. De vrouw zal op basis van de betrokken alimentatiebeschikking geen verdere alimentatietermijnen incasseren en zal van haar kant als bijdrage in de kosten van [minderjarige] vanaf 1 februari 2024 maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 40,00 betalen op de bankrekening van [minderjarige] zelf.
C. Indien de man een kinderalimentatieprocedure zal aanspannen met een beroep op gewijzigde omstandigheden kan hij aan het bepaalde onder 5. geen rechten meer ontlenen.
3.4
De man heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 27 mei 2024 verzocht om de afspraak van 11 januari 2024 per 1 februari 2024 te wijzigen omdat deze afspraak volgens de man nooit aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en omdat er sprake is van een zodanige wijziging dat wijziging van de afspraken gerechtvaardigd is. Dit verzoek is op 31 mei 2024 door de rechtbank ontvangen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de tussen partijen op 11 januari 2024 gemaakte afspraak over de bijdrage van de vrouw in de kosten van [minderjarige] gewijzigd en bepaald dat de vrouw vanaf 1 februari 2024 € 303,- per maand en vanaf 1 januari 2025 € 322,70 per maand aan de man dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , en de toekomstige termijnen steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen.
4.2
De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de man (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidende verzoek, althans de verzoeken van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide procedures.
4.3
De man verzoekt – naar het hof begrijpt – de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, dan wel het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De motivering van de beslissing

Standpunten
5.1
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de door partijen op 11 januari 2024 gemaakte afspraak over de door haar aan de man te betalen bijdrage voor [minderjarige] niet in strijd is met de belangen van [minderjarige] . De vrouw heeft afstand gedaan van aanzienlijk financiële vorderingen op de man met betrekking tot onroerend goed, kinderalimentatie en de bruidsschat. De waarde van deze vorderingen overstijgt volgens de vrouw ruimschoots de door de rechtbank vastgestelde toekomstige bijdrage aan de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven bij het maken van de afspraak op 11 januari 2024 is daarom geen sprake. Bovendien is de rechtbank volgens de vrouw in de bestreden beschikking bij de berekening van het inkomen van de man uitgegaan van een te laag inkomen omdat hij, naast zijn uitkering, ook op geld waardeerbare arbeid bij zijn zus en/of zwager verricht. In ieder geval dient uitgegaan te worden van een verdiencapaciteit van de man, naast het door hem gestelde inkomen uit een WIA uitkering. Ook is de rechtbank uitgegaan van een te lage zorgkorting. Ten slotte heeft de vrouw aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste ingangsdatum heeft gehanteerd.
De man voert verweer en hij handhaaft zijn stellingen uit de procedure bij de rechtbank. Kort gezegd komen die stellingen er op neer dat de afspraak van 11 januari 2024 dient te worden gewijzigd omdat de afspraak is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven De man betwist de stelling van de vrouw dat hij meer inkomen heeft dan het inkomen waar de rechtbank van is uitgegaan en ook betwist de man dat hij een verdiencapaciteit heeft. De beslissingen van de rechtbank over de zorgkorting en de ingangsdatum zijn volgens de man juist.
Beoordeling hof
Ontvankelijkheid
5.2
Bij de beoordeling van de stellingen van partijen neemt het hof als uitgangspunt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de contractsvrijheid van de ouders bij het maken van afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven (zie Hoge Raad 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689 en Hoge Raad 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422). Uit het dwingendrechtelijke karakter van deze regel volgt dat daarvan niet ten nadele van minderjarige kinderen kan worden afgeweken, ook niet als die afwijking bewust is overeengekomen. De rechter die bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat de overeenkomst over kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, oordeelt zelfstandig over de kinderalimentatie met inachtneming van die wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen. Uit het voorgaande volgt dat bij afwijking van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie ten nadele van minderjarige kinderen voor de toepassing van artikel 1:401 lid 5 BW Pro niet van belang is of de ouders daarvan bewust zijn afgeweken of dat die afwijking het gevolg is onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens.
5.3
Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat partijen bij het maken van de afspraak over de kinderalimentatie ten nadele van [minderjarige] zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Partijen hebben op 11 januari 2024 afgesproken dat de vrouw met ingang van 1 februari 2024 maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 40,- aan kinderalimentatie aan [minderjarige] zelf voldoet.
Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen hierover staat voor het hof vast dat het bedrag van € 40,- is vastgesteld zonder dat een berekening is gemaakt van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen en zonder dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze dit bedrag zich verhoudt tot hetgeen op grond van de wettelijke maatstaven verschuldigd zou zijn. Daarmee ontbreekt iedere concrete toetsing aan de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. Daarbij komt dat, zoals hieronder zal blijken, de overeengekomen bijdrage, gelet op de behoefte van [minderjarige] , de inkomens van partijen en de draagkracht van de vrouw, evident te laag is en in strijd is met de wettelijke maatstaven.
De vrouw heeft aangevoerd dat bij het maken van de afspraken is gesproken over de inkomens van partijen en over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waaronder de verblijfsregeling van [minderjarige] . Deze stelling kan haar echter niet baten. Dergelijke gesprekken zijn niet vastgelegd in concrete berekeningen en hebben niet geleid tot een inzichtelijke vaststelling van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen.
Dat de vrouw, zoals zij stelt, afstand heeft gedaan van aanzienlijke financiële vorderingen op de man in verband met onroerend goed van de man in Iran, kinderalimentatie en de bruidsschat, leidt evenmin tot een ander oordeel. Dergelijke afspraken tussen ouders onderling kunnen niet ten nadele van een minderjarige worden verrekend met de aanspraak op een kinderbijdrage.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat partijen ten nadele van [minderjarige] van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken en de door hen gemaakte afspraken met grove miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand zijn gekomen. Dit betekent dat de rechtbank de man in zijn verzoek tot wijziging van de afspraak van 11 januari 2024 terecht ontvankelijk heeft verklaard en de kinderalimentatie opnieuw heeft berekend en vastgesteld.
Ingangsdatum van de wijziging
5.4
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie bepaald op 1 februari 2024, dit is de datum waarop [minderjarige] bij de man zou zijn gaan wonen. De vrouw voert op dit punt een grief aan en stelt dat de ingangsdatum niet kan liggen voor 31 mei 2024, de datum waarop het verzoek van de man bij de rechtbank is binnengekomen. Het hof volgt de vrouw in die grief. Voor de vrouw was het immers voor 31 mei 2024 niet duidelijk dat de afspraak over de hoogte van de kinderalimentatie mogelijk zou wijzigen.
Behoefte van [minderjarige]
5.5
In het ouderschapsplan van 2016 is de behoefte van [minderjarige] en [zoon] voor hen beiden bepaald op € 571,- zijnde € 285,50 per kind per maand in 2016. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 356,51, afgerond € 357,- per maand. De behoefte van [minderjarige] is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof ook van deze behoefte zal uitgaan.
Draagkracht vrouw
5.6
De door de rechtbank berekende draagkracht van de vrouw in 2024 van € 393,- per maand, gebaseerd op een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.615,- per maand is evenmin in geschil, zodat het hof van deze draagkracht aan de zijde van de vrouw zal uitgaan.
Draagkracht man en het bewijsaanbod van de vrouw
5.7
De vrouw klaagt er in haar derde grief over dat de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verdiencapaciteit van de man en met de omstandigheid dat de man op geld waardeerbare arbeid bij zijn zus verricht. Ter zitting heeft de vrouw dit aangevuld met de stelling dat de man op geld waardeerbare arbeid verricht voor zijn zwager. Ter ondersteuning van haar stelling heeft de vrouw op 12 januari 2026 drie rapporten van Recherchebureau Incognito overgelegd (hierna tezamen ook te noemen: het rapport). Uit dit rapport blijkt volgens de vrouw dat de man op geld waardeerbare arbeid voor zijn zwager verricht. Volgens de vrouw dient het inkomen van de man uit op geld waardeerbare arbeid te worden meegenomen bij de berekening van zijn draagkracht. In ieder geval dient uitgegaan te worden van een verdiencapaciteit van de man. Ook dient volgens de vrouw bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te worden gehouden met zijn vermogen in Iran.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en uitdrukkelijk betwist dat hij in een tandartspraktijk werkt, noch voor zijn zus, noch voor zijn zwager. De man is volledig arbeidsongeschikt en hij ontvangt een WIA uitkering aangevuld met een uitkering op grond van de Toeslagenwet. Andere inkomsten heeft de man niet. Voorts heeft hij betwist dat van een verdiencapaciteit kan worden uitgegaan en van enig inkomen uit (beweerd) vermogen.
5.8
Het hof stelt met betrekking tot de drie rapporten van het recherchebureau het volgende vast. Uit het rapport van 7 januari 2026 blijkt op geen enkele wijze van enige connexiteit van de man met de tandtechnische praktijk [A-straat] te [plaats D] . Dit geldt ook voor het rapport van 12 januari 2026. Noch de man zelf noch zijn auto (een Hyundai i10 met kenteken [kenteken] ) zijn op 7 of 12 januari 2026 waargenomen in of in de nabijheid van de praktijk.
In het rapport van 8 januari 2026 is door rapporteur [naam] onder meer de volgende observatie beschreven:
(..)
Observatie 08 januari 2026
(..)
Ik zag omstreeks 8:19 uur dat het voertuig van het subject geparkeerd stond ter hoogte van [B-straat] . Het betreft een grijze Hyundai i10 met kenteken [kenteken] (..)
Omstreeks 10:47 uur ben ik rapporteur, bij [A-straat] naar binnen gegaan. Ik rapporteur, zag 2 personen waarvan een man gekleed in een witte tandartskleding en een andere man die achter de balie zat. De man met de witte jas stond mij te woord, maar dit was niet het subject. De man achter de balie was met 99 procent waarschijnlijkheid het subject wat wij moesten observeren. Wij konden alleen zijn kruin zoals op onze foto was weergegevens.
Omstreeks 14:32 uur werd het zicht door een tram weggenomen. Ik rapporteur had gedurende een paar minuten geen zicht op locatie [A-straat] .
Omstreeks 14:35 uur zag ik, rapporteur, dat de Hyundai i10 met kenteken [kenteken] niet meer geparkeerd stond.
(…)
…toegevoegd: Foto’s 1 tot en met 6
5.9
Ter zitting heeft het hof vastgesteld dat de man eigenaar is van de grijze Hyundai i10 met kenteken [kenteken] . Ook heeft het hof vastgesteld dat de persoon op de zesde foto bij het rapport van 8 januari 2026 de zwager van de man is. Ter zitting is door het hof ook vastgesteld en is door de vrouw erkend dat op die foto geen andere persoon, noch een kruin van een andere persoon is waar te nemen.
5.1
Over de aanwezigheid van zijn auto op 8 januari 2026 in de nabijheid van de tandtechnische praktijk [A-straat] te [plaats D] heeft de man ter zitting verklaard dat hij zijn auto in de nacht van 1 januari 2026 heeft uitgeleend aan zijn zwager, na het gemeenschappelijk vieren van oud en nieuw samen met zijn zus en zwager bij de man thuis. De man heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij op 8 januari 2026 niet bij de praktijk te [plaats D] binnen is geweest. Ten slotte heeft de man verklaard dat hij wel vrijwilligerswerk verricht in zijn woonomgeving en dat het kan zijn dat zijn kinderen dit richting de vrouw benoemen als werk dat de man verricht.
5.11
Naar aanleiding van het rapport van het recherchebureau heeft de vrouw tijdens de zitting in hoger beroep bewijs aangeboden van haar stellingen dit middels het overleggen van nadere stukken en het doen horen van getuigen, waaronder de opsteller(s) van het rapport, de zwager van de man, de man zelf en haar twee kinderen. Het hof begrijpt van de vrouw dat voornoemde personen zouden kunnen verklaren over de connexiteit tussen de man en de praktijk van de zwager van de man te [plaats D] .
De man heeft het hof verzocht om het bewijsaanbod van de vrouw af te wijzen.
Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw en zal uitleggen waarom.
5.12
Ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 Rv Pro, in verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro, moet ook in hoger beroep een partij tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Op grond van vaste rechtspraak kan bij het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is tot uitgangspunt worden genomen dat dit afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.
In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen.
5.13
Het hof stelt vast dat de vrouw in de procedure bij de rechtbank geen bewijsaanbod heeft gedaan van haar niet gespecificeerde stelling dat de man bij zijn zus werkt en daar inkomsten geniet. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. In haar derde grief klaagt de vrouw hierover in de navolgende bewoordingen “Volgens de moeder verricht de vader op geld waardeerbare arbeid bij zijn zus”. De vrouw heeft in haar beroepschrift evenmin een bewijsaanbod gedaan van deze stelling. Pas op de zitting in hoger beroep van 14 januari 2026 heeft de vrouw mondeling het bewijsaanbod gedaan.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw daarmee het bewijsaanbod op een dermate laat stadium in de procedure gedaan dat de eisen van een goede procesorde met zich brengen dat de aan het bewijsaanbod te stellen voorwaarden van specifiek- en concreetheid extra zwaar wegen. Met inachtneming van deze maatstaf is het hof van oordeel dat het bewijsaanbod van de vrouw onvoldoende gespecificeerd en concreet is waarbij het hof ook meeweegt dat de stellingname van de vrouw gedurende de procedure niet consistent is geweest. De vrouw heeft onvoldoende concrete en specifieke feiten en omstandigheden aangedragen waaruit zou kunnen volgen dat de man, met welke werkzaamheden dan ook, enig inkomen verwerft en tot welke inkomensvaststelling dit zou moeten leiden.
Het hof ziet om genoemde redenen geen aanleiding de vrouw toe te laten tot het nader doen van bewijslevering en passeert het bewijsaanbod.
5.14
De stelling van de vrouw dat de man een inkomen heeft uit op geld waardeerbare arbeid voor zijn zus of voor zijn zwager is door de vrouw niet onderbouwd. Uit het rapport van het recherchebureau blijkt niet dat de man een inkomen heeft uit op geld waardeerbare arbeid. Deze stelling van de vrouw wordt door het hof dan ook gepasseerd. Omdat de man volledig arbeidsongeschikt is neemt het hof aan zijn zijde ook geen verdiencapaciteit aan. Ten aanzien van de door de vrouw gestelde aanwezigheid van vastgoed in Iran overweegt het hof dat, nog daargelaten de vraag of de man daadwerkelijk over dergelijk vermogen beschikt, niet is gebleken dat dit vermogen inkomsten genereert of op andere wijze bijdraagt aan de draagkracht van de man. De enkele verwijzing door de vrouw naar een in het buitenland gevoerde procedure is daartoe onvoldoende.
5.15
Vaststaat dat de man volledig arbeidsongeschikt is verklaard en een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). In 2024 bedroeg deze uitkering € 1.050,- bruto per maand. Deze uitkering werd aangevuld met een uitkering op grond van de Toeslagenwet van € 423,- bruto per maand. Deze uitkeringen vormen op dit moment de enige structurele inkomensbron van de man.
Bij de vaststelling van de draagkracht van de man zal het hof evenals de rechtbank uitgaan van het inkomen van de man uit zijn WIA-uitkering en de aanvulling daarop vanuit de Toeslagenwet. Dit inkomen ligt niet boven het sociaal minimum. Omdat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de man heeft, bepaalt het hof net als de rechtbank en in overeenstemming met de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, de draagkracht van de man op € 0.
Zorgkorting
5.16
De vrouw stelt in haar vierde grief dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een zorgkorting van 15%, nu [minderjarige] doordeweeks minimaal drie dagen per week bij haar verblijft. Volgens de vrouw dient te worden uitgegaan van een zorgkortingspercentage van 35%. De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.
5.17
Het hof overweegt als volgt. Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt rekening gehouden met de kosten die samenhangen met de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door middel van toepassing van een zorgkorting. De hoogte van deze zorgkorting wordt bepaald aan de hand van de frequentie en omvang van de zorg die de onderhoudsplichtige ouder daadwerkelijk heeft.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat [minderjarige] twee tot drie keer per week bij haar eet, zonder dat sprake is van overnachtingen. Voorts heeft zij verklaard dat [minderjarige] tijdens vakanties incidenteel vaker bij haar verblijft, maar dat ook in die periodes geen sprake is van een vaste of structurele zorgregeling. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is van een zorgomvang die een zorgkorting van 35% rechtvaardigt. De enkele omstandigheid dat [minderjarige] enkele dagen per week bij de vrouw eet, zonder overnachtingen en zonder vaste regeling, is daarvoor onvoldoende. Het hof zal dan ook, evenals de rechtbank, uitgaan van een zorgkorting van 15%. De zorgkorting bedraagt dan (15% van 357 =) € 53,55 per maand. Dat betekent dat de vrouw een bedrag van (357 – 53,55) afgerond € 303,- per maand aan de man moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Omdat de ingangsdatum van deze bijdrage is gelegen op een datum voor deze uitspraak, ziet het hof aanleiding te bepalen dat deze zowel per 1 januari 2025 als per 1 januari 2026 zal worden geïndexeerd.
Terugbetaling
5.18
Het hof laat de onderhoudsbijdrage die de man ten behoeve van [minderjarige] zal ontvangen op een later moment ingaan dan de rechtbank heeft bepaald en dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting van de man in redelijkheid kan worden aanvaard. Voor zover de vrouw daardoor tot op heden meer heeft betaald en/of er meer op haar is verhaald dan de door het hof vastgestelde bijdrage, kan naar het oordeel van het hof van de man, gelet op de behoefte van [minderjarige] en gelet op het gegeven dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat hij het meerdere terugbetaalt.
Proceskosten
5.19
Het hof zal het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep afwijzen omdat zij elkaars ex-partner zijn.
5.2
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de ingangsdatum van de wijziging en, opnieuw rechtdoende, bepaalt:
dat de vrouw vanaf 31 mei 2024 € 303,- (DRIEHONDERDRIE EURO) per maand, vanaf 1 januari 2025 € 323,- (DRIEHONDERDRIEENTWINTIG EURO) per maand en vanaf 1 januari 2026 € 338,- (DRIEHONDERDACHTENDERTIG) per maand aan de man dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
bepaalt dat hetgeen tot op heden door de vrouw teveel aan kinderalimentatie is betaald of op haar is verhaald, niet door de man aan de vrouw behoeft te worden terugbetaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. M.T. Hoogland en mr J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.