Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:904

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.342.774/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 BWArt. 7:750 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opdrachtgever moet onbetaalde facturen aannemer voldoen ondanks vermeend verzuim

In deze civiele zaak staat centraal of de opdrachtgever de onbetaald gelaten facturen van de aannemer moet betalen of dat de aannemer in verzuim was en de opdrachtgever de kosten van door derden verrichte herstelwerkzaamheden mag verrekenen. De aannemer had schilderwerkzaamheden verricht bij diverse projecten, maar de opdrachtgever betaalde de laatste facturen niet vanwege vermeende tekortkomingen in de uitvoering.

De kantonrechter wees de vorderingen van de aannemer af en kende de opdrachtgever de vordering tot vervangende schadevergoeding toe, omdat de aannemer volgens de kantonrechter tekort was geschoten en in verzuim was. Het hof vernietigt dit vonnis en oordeelt dat de opdrachtgever onvoldoende heeft aangetoond dat de aannemer rechtsgeldig in gebreke is gesteld. De e-mailcorrespondentie tussen partijen bevat geen geldige ingebrekestelling en de aannemer heeft steeds gereageerd en zich bereid getoond de werkzaamheden voort te zetten.

Daarom is de opdrachtgever gehouden de openstaande facturen alsnog te voldoen, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De vordering van de opdrachtgever tot betaling wordt toegewezen, terwijl de vordering van de opdrachtgever tot schadevergoeding grotendeels wordt afgewezen, met uitzondering van een erkend bedrag. Het hof veroordeelt de opdrachtgever tevens in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: De opdrachtgever moet de onbetaald gelaten facturen aan de aannemer alsnog voldoen en de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.342.774/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 10622710 \ CV EXPL 23-10145
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. M. de Groot te Leusden,
tegen
[geïntimeerde],
voorheen gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E. Stegerhoek te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] , aannemer, heeft [appellant] opdracht gegeven om schilderwerkzaamheden te verrichten bij diverse projecten van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft een tweetal facturen van [appellant] onbetaald gelaten. Aan het hof ligt de vraag voor of [geïntimeerde] deze facturen alsnog moet betalen of dat juist [appellant] aan [geïntimeerde] een bedrag verschuldigd is voor door derden verrichte werkzaamheden, omdat [appellant] in verzuim verkeerde wegens het niet goed uitvoeren van de hem opgedragen werkzaamheden. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] de facturen alsnog moet voldoen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 13 juni 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 15 maart 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Op 29 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
De kantonrechter heeft onder 1.1. tot en met 1.13. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De juistheid van de vastgestelde feiten is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. De feiten komen neer op het volgende.
3.2.
[appellant] heeft een schilders- en onderhoudsbedrijf. [geïntimeerde] (inmiddels ontbonden en vereffend) was een aannemingsbedrijf dat verbouwingen en renovaties aan woningen uitvoerde voor particulieren.
3.3.
Tussen partijen is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen. In de periode 2019 tot 2023 heeft [appellant] op basis daarvan bij diverse projecten van [geïntimeerde] schilderwerk verricht, onder meer bij woningen op de [straat 1] en [straat 2] , beide gelegen in [plaats 1] .
3.4.
De opdracht voor de werkzaamheden bij de [straat 1] is in februari 2021 gegeven en die voor de werkzaamheden bij de [straat 2] in oktober 2021.
3.5.
Een op 21 februari 2022 door [geïntimeerde] aan [appellant] gezonden e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
Ik maak mij zorgen over onze samenwerking en voortgang op meerdere projecten:
[straat 2] (…) [plaats 1]
Meerdere opleverpunten binnen, zouden afgelopen week opgepakt worden. Zo werd gezegd 1,5 week geleden toen wij elkaar spraken maar afgelopen week begreep ik van [naam] zijn jullie weer niet geweest.
Begrijp graag waarom niet.
Daarnaast staat al het buitenwerk nog uit.
(…)
[straat 1] (…) [plaats 1]
Meerdere opleverpunten, schade herstelwerkzaamheden en aanvullende werkzaamheden binnen. Voor we hier aan beginnen zullen we met (…) een ronde maken om te bepalen voor wiens rekening welke werkzaamheden komen. Zoals het er nu naar uit ziet is de elektricien eind week van 11 maart klaar. Aan buitenwerk staat naar mijn eten nog uit het overstek van het tuinhuis en alle witte voorgevel onderdelen. Tevens wil ik voor aanvang zowel de frustraties van jou als de opdrachtgever bespreken over de manier waarop/onder welk omstandigheden gewerkt moet/kan worden.
(...)
Graag zou ik een heldere planning ontvangen in welke week welk project ingepland zal worden en wanneer het klaar zal zijn.
Ik begrijp dat jullie werkzaamheden weersafhankelijk zijn, maar met genoeg binnenwerk en het langzamerhand beter wordende weer lijkt mij dat er iets te plannen valt zodat de opdrachtgevers ook weten waar ze aan toe zijn.
3.6.
[appellant] heeft op 21 februari 2022 per e-mailbericht gereageerd op de door [geïntimeerde] vermelde status van verschillende projecten. Hij deelt onder meer ten aanzien van de [straat 2] mee dat diezelfde dag wordt gestart met werkzaamheden. Gelet daarop vindt hij de zorgen van [geïntimeerde] ‘niet zo heel erg terecht’. [appellant] vermeldt dat [geïntimeerde] één van zijn beste opdrachtgevers is en dat hij dat graag zo zou willen houden.
3.7.
Een op 3 mei 2022 door [geïntimeerde] aan [appellant] gezonden e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
Naar aanleiding van ons bezoek gisteren aan de [straat 1] waar jij tot mijn verbazing
aangaf dat je pas over 2 weken gaat beginnen (eerder was namelijk deze week aangegeven) is de vraag wat dat dan betekent voor de [straat 3] en [straat 2] ? Met uitzondering van het schilderwerk heb ik deze beide projecten al vorig jaar kerst opgeleverd. We zitten nu in mei, vier maanden verder waarvan zeker twee gewoon buiten geschilderd had kunnen worden.
(…)
Ik overweeg om de werkzaamheden incl. opleverpunten door een derde partij te laten uit te voeren en het tegoed wat ik te veel heb betaald te verrekenen met de uitstaande werkzaamheden op de [straat 1] . Ik kan financiële niet nog een maand wachten met het afronden van deze beide projecten. Zolang de buitenschilderwerkzaamheden niet zijn
uitgevoerd worden mijn eind facturen niet voldaan.
3.8.
[appellant] heeft daarop bij e-mailbericht van 6 mei 2022 geantwoord. Dit e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
Ik snap je punt maar het zit niet zo zoals je beschrijft onderstaand.
Vanaf de week van 16 mei zoals besproken zullen de werkzaamheden van jou opgepakt
gaan worden en hoop ik van harte dat we de samenwerking door kunnen zetten
3.9.
[geïntimeerde] heeft hierop vervolgens bij e-mailbericht van 9 mei 2022 gereageerd. Dit e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
Ik ben benieuwd hoe het dan wel zit en waarom deze projecten nog altijd niet zijn afgerond. Ik wil een harde datum waarop de projecten klaar zijn, zoals aangegeven hangt het voor mijn ook samen met de financiële afhandeling.
3.10.
Een op 9 augustus 2022 door [geïntimeerde] aan [appellant] verzonden e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
Ondanks mijn emails van 21 februari, 3 en 9 mei 2022 waarin ik jou in gebreke stel en daarop jouw reactie 6 mei 2022 dat de diverse projecten vanaf 16 mei 2022 zouden worden afgemaakt, is dat bijna 3 maanden verder nog altijd niet het geval. Het betreft het afmaken van projecten die tussen 2019 en 2021 door jou zijn aangenomen. Dit heeft mij in de problemen gebracht met opdrachtgevers en genoodzaakt het nu door anderen te laten afmaken en oplossen.
Na jouw bezoek gisteren aan mijn huisadres (…) beëindig ik per direct onze samenwerking en zal ik de openstaande facturen voldoen met verrekening van:
- Te veel betaalde bedragen voor niet uitgevoerde werkzaamheden.
- De kosten voor het door derden laten afmaken van opleverpunten.
- De kosten voor het door derden laten afmaken van garantiezaken.
- De kosten voor de voorgeschoten aanmaning voor de door jou aan de Gemeente [plaats 1] verschuldigde kosten.
3.11.
In totaal heeft [geïntimeerde] € 59.585,50 van de overeengekomen € 68.422,62 aan door [appellant] verzonden facturen voor de [straat 1] betaald. De laatste factuur met factuurnummer [# 1] van 6 juli 2022 van € 8.357,00 voor ‘het bestaande werk, meerwerk en herstelwerk’ heeft [geïntimeerde] niet betaald.
3.12.
Op 23 augustus 2022 heeft een door [appellant] ingeschakeld incassobureau [geïntimeerde] gesommeerd om € 10.041,48 te betalen. [geïntimeerde] heeft per brief van 30 augustus 2022 op de sommatie gereageerd. Zij bericht onder meer dat [appellant] onterecht meerwerk uitbetaald heeft gekregen, projecten niet heeft opgeleverd en een voorgeschoten bedrag niet heeft terugbetaald.
3.13.
[geïntimeerde] heeft in totaal € 13.387,00 van de overeengekomen € 20.790,00 aan door [appellant] verzonden facturen betaald voor de [straat 2] . De laatste factuur met factuurnummer [# 2] van 27 september 2022 van € 8.033,92 voor ‘buitenwerk en hoogwerker huur’ heeft [geïntimeerde] niet betaald.
3.14.
De rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] heeft [geïntimeerde] op 10 januari 2023 in gebreke gesteld voor de betaling van € 16.390,92 en haar gesommeerd om binnen veertien dagen tot betaling over te gaan. [geïntimeerde] heeft daaraan niet voldaan.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 16.390,92 aan hoofdsom (de onbetaalde facturen [# 1] en [# 2] ) en € 730,00 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot betaling van de proces- en nakosten. [appellant] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen op basis waarvan [appellant] deugdelijke schilderwerkzaamheden heeft uitgevoerd op de [straat 1] en de [straat 2] . De projecten zijn opgeleverd op 1 juli 2022 respectievelijk 5 oktober 2022. Bij beide projecten heeft [geïntimeerde] de laatste factuur van [appellant] , ook na aanmaning, onbetaald gelaten.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van de vorderingen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [appellant] het schilderwerk op beide adressen niet goed heeft uitgevoerd en niet heeft afgerond; het werk is niet opgeleverd. Ondanks meerdere verzoeken van [geïntimeerde] daartoe heeft [appellant] het schilderwerk niet hersteld of afgerond.
4.3.
In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 19.298,40 aan hoofdsom en de proceskosten. [geïntimeerde] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij derden heeft moeten inschakelen om de door [appellant] niet deugdelijk verrichte werkzaamheden bij diverse projecten te herstellen en om het schilderwerk op meerdere projecten af te maken. Het bedrag van € 19.298,40 bestaat uit € 5.233,36 voor werkzaamheden door derden bij de [straat 1] , € 2.314,56 bij de [straat 2] , € 10.877,48 bij diverse andere projecten en € 873,00 in verband met ‘
Voorgeschoten leges vergunning incl. aanmaning kosten, prive project [appellant]’.
4.4.
[appellant] heeft zich op zijn beurt tegen de vordering in reconventie verweerd.
4.5.
Samengevat heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] geheel toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie (aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil). De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen.
[appellant] heeft onvoldoende weersproken dat hij de hem bij de diverse projecten opgedragen werkzaamheden niet naar behoren heeft verricht en opgeleverd. [appellant] heeft zich beperkt tot het verweer dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om de werkzaamheden alsnog te verrichten. Een en ander leidt tot de conclusie dat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van aanneming van werk. Vervolgens moet beoordeeld worden of [geïntimeerde] daarom in conventie de twee facturen niet hoeft te betalen en of [geïntimeerde] aanspraak heeft op betaling van de reconventionele vordering tot vervangende schadevergoeding. Voor dat laatste is in beginsel vereist dat [appellant] in gebreke is gesteld en de hem gegeven termijn onbenut heeft gelaten. Gelet op de omstandigheden en het aanzienlijke tijdsverloop bij de uitvoering van de werkzaamheden brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat een ingebrekestelling achterwege kon blijven. [appellant] is van rechtswege in verzuim komen te verkeren en [geïntimeerde] was gerechtigd om haar vordering tot nakoming om te zetten in vervangende schadevergoeding. De overeenkomst wordt als gevolg daarvan partieel ontbonden voor wat betreft de verplichting van [geïntimeerde] tot betaling van de facturen. Het e-mailbericht van 9 augustus 2022 wordt aangemerkt als de vereiste omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW Pro voor het vorderen van vervangende schadevergoeding. Tenslotte houdt de kantonrechter het ervoor dat het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag kan worden aangemerkt als schade die voor vergoeding door [appellant] in aanmerking komt.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen alsnog zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof [appellant] in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren, althans het beroep en de grieven verwerpen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

6.Beoordeling

6.1.
Tegen de hiervoor genoemde beslissingen in conventie en reconventie en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in hoger beroep met vijf grieven op. Deze houden onder meer in dat de kantonrechter de vorderingen van [appellant] ten onrechte niet heeft toegewezen en de vordering van [geïntimeerde] had moeten afwijzen, omdat [appellant] niet in gebreke is gesteld en daarom niet in verzuim was.
Kan [appellant] in zijn hoger beroep worden ontvangen?
6.2.
Het hof zal eerst het door [geïntimeerde] gevoerde ontvankelijkheidsverweer bespreken. Volgens [geïntimeerde] moet het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. [geïntimeerde] heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] erop heeft vertrouwd en ook mocht vertrouwen dat [appellant] van het instellen van hoger beroep heeft afgezien in de zin van artikel 333 Rv Pro danwel in het vonnis heeft berust in de zin van artikel 334 Rv Pro, omdat [appellant] na het bestreden vonnis een langdurige betalingsregeling heeft getroffen met (de vereffenaar van) [geïntimeerde] . Deze vaststellingsovereenkomst is [appellant] bovendien een lange tijd nagekomen, te weten tot augustus 2025. Verder ontbreekt bij [appellant] volgens [geïntimeerde] belang bij het hoger beroep vanwege de ontbinding en vereffening met restschuld van [geïntimeerde] . [appellant] heeft een en ander gemotiveerd weersproken.
6.3.
Dit verweer slaagt niet. Niet is gebleken dat [appellant] bij het treffen van de betalingsregeling om aan het bestreden vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, te voldoen, een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarbij hij heeft afgezien van zijn recht om hoger beroep in te stellen of in dat vonnis heeft berust. [geïntimeerde] heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dit betekent dat [appellant] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Daarnaast geldt dat niet kan worden vastgesteld dat [appellant] bij het hoger beroep geen belang heeft. Ook op dit punt geldt dat een nadere feitelijke onderbouwing was aangewezen, maar niet is gegeven.
Bespreking van de vorderingen
Algemeen
6.4.
De vorderingen hangen nauw met elkaar samen. De kern van het geschil betreft de vraag of [geïntimeerde] de laatste facturen voor werkzaamheden aan de [straat 1] en [straat 2] aan [appellant] moet betalen of dat [appellant] verplicht is om de kosten voor het verrichten van (herstel)werk door derden bij deze en andere projecten aan [geïntimeerde] te vergoeden.
6.5.
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 7:750 lid 1 BW Pro definieert de overeenkomst van aanneming van werk als de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld. Voordat de opdrachtgever (vervangende) schadevergoeding kan vorderen, is vereist dat de aannemer in verzuim is geraakt (artikel 6:87 lid 1 BW Pro). Verzuim treedt volgens artikel 6:82 lid 1 BW Pro in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Uit lid 2 van dit artikel volgt dat indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Artikel 6:83 BW Pro noemt drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar dit is geen limitatieve opsomming. Onder omstandigheden kan een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.
De vordering van [geïntimeerde]
6.6.
Het hof ziet aanleiding om eerst de vordering van [geïntimeerde] te behandelen. Omdat [geïntimeerde] (vervangende) schadevergoeding van [appellant] vordert, moet [geïntimeerde] feiten of omstandigheden naar voren brengen op grond waarvan verzuim is ingetreden ofwel doordat zij [appellant] behoorlijk in gebreke heeft gesteld in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW Pro en [appellant] daar vervolgens geen gevolg aan heeft gegeven, ofwel omdat een ingebrekestelling in deze zaak achterwege kon blijven. Hieraan heeft [geïntimeerde] niet voldaan.
6.7.
Uit de stukken blijkt immers niet dat [geïntimeerde] [appellant] behoorlijk in gebreke heeft gesteld en dat [appellant] vervolgens in verzuim is geraakt. Uit de overgelegde e-mailberichten, die zijn opgenomen onder de feiten, kan het volgende worden afgeleid. [geïntimeerde] heeft herhaaldelijk bij [appellant] geïnformeerd naar de voortgang van de projecten aan de [straat 1] en de [straat 2] en heeft daarover haar zorgen geuit. Zo heeft [geïntimeerde] op 21 februari 2022, na te hebben vermeld dat zij zich zorgen maakte over de voortgang van deze projecten, [appellant] om een heldere planning gevraagd. [appellant] heeft daar diezelfde dag op gereageerd met de mededeling dat die dag zou worden begonnen op de [straat 2] . Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 3 mei 2022 haar verbazing geuit over de voortgang van het werk op de [straat 1] en gemeld dat zij overwoog om de werkzaamheden door een derde partij uit te laten voeren. [appellant] heeft daarop op 6 mei 2022 gereageerd en aangekondigd dat de werkzaamheden vanaf 16 mei 2022 opgepakt gaan worden. Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 9 mei 2022 [appellant] verzocht om met een harde datum te komen waarop de projecten klaar zullen zijn. In de volgende e-mail waar het hof over beschikt, van 9 augustus 2022, staat onder meer dat [geïntimeerde] per direct de samenwerking beëindigt en dat zij de kosten voor het door derden laten afmaken van opleverpunten zal verrekenen met nog openstaande facturen van [appellant] . Uit deze correspondentie volgt niet dat [geïntimeerde] [appellant] heeft gemaand om na te komen en dat zij hem een redelijke termijn voor nakoming heeft gesteld. De e-mailberichten zijn noch afzonderlijk noch in samenhang bezien dus niet aan te merken als rechtsgeldige ingebrekestelling.
6.8.
Ook is niet gebleken dat [geïntimeerde] uit de houding van [appellant] heeft kunnen afleiden dat een aanmaning nutteloos zou zijn. Uit de overgelegde e-mailberichten volgt juist dat [appellant] nagenoeg steeds, en op korte termijn, heeft gereageerd op de berichten van [geïntimeerde] en dat hij zich ook steeds bereid heeft getoond om zijn contractuele verplichtingen na te leven. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] op vragen van het hof geantwoord dat hij ook na mei 2022 werkzaamheden is blijven verrichten, zoals bijvoorbeeld het huren van een kraan in verband met het project op de [straat 2] . [geïntimeerde] heeft dit niet, althans onvoldoende weersproken. Dat [geïntimeerde] heeft kunnen aannemen dat [appellant] niet bereid was om het werk af te maken, is daarmee niet vast komen te staan. Tegen deze achtergrond kan verder niet worden gezegd dat een ingebrekestelling achterwege kon blijven of dat [appellant] zich er niet op kan beroepen dat een ingebrekestelling ontbreekt.
6.9.
Bij deze stand van zaken heeft [geïntimeerde] haar vordering tot nakoming niet rechtsgeldig kunnen omzetten in een vordering tot (vervangende) schadevergoeding. De vordering van [geïntimeerde] komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep echter erkend dat hij van de gevorderde hoofdsom nog een bedrag van € 873,00 wegens, kort gezegd, voorgeschoten legesgeld aan [geïntimeerde] moet terugbetalen. Het hof zal daarom genoemd bedrag wel toewijzen en de vordering van [geïntimeerde] voor het overige afwijzen.
De vorderingen van [appellant]
6.10.
Hoewel uit de stukken kan worden afgeleid dat [appellant] de hem opgedragen werkzaamheden aan de [straat 1] en [straat 2] niet voortvarend heeft verricht – [appellant] heeft dat in beginsel ook niet weersproken maar gewezen op vertragende omstandigheden – heeft [geïntimeerde] onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij niet tot betaling van de facturen voor door [appellant] verrichte werkzaamheden gehouden is. [geïntimeerde] heeft immers nagelaten om [appellant] in gebreke te stellen voor de door haar gestelde tekortkomingen in het werk (zie hiervoor onder 6.7 en 6.8). Zonder verzuim kan de overeenkomst niet partieel worden ontbonden en [geïntimeerde] niet van haar betalingsverplichting worden bevrijd. Dit betekent dat de vordering van [appellant] ten bedrage van € 16.390,92 wordt toegewezen.
6.11.
Ook zal de wettelijke rente met ingang van 25 januari 2023 over de hoofdsom worden toegewezen, zoals [appellant] heeft gevorderd, gelet op de in de aansprakelijkheidsstelling van 10 januari 2023 gestelde termijn van veertien dagen. Daarnaast is [geïntimeerde] op grond van artikel 6:96 BW Pro buitengerechtelijke kosten verschuldigd, omdat [appellant] deze voldoende heeft onderbouwd. Het door [appellant] in dit kader gevorderde bedrag van € 730,00 zal worden toegewezen, net als de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding. [geïntimeerde] heeft de verschuldigdheid van deze posten niet weersproken.
Conclusie
6.12.
De conclusie luidt dat de vorderingen van [appellant] alsnog zullen worden toegewezen en dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen, met uitzondering van het door [appellant] erkende bedrag. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking.
Bewijsaanbod
6.13.
Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Slotsom en kosten
6.14.
De slotsom luidt dat het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis wordt voor de duidelijkheid in zijn geheel vernietigd. De vorderingen van [appellant] worden alsnog toegewezen en die van [geïntimeerde] , op genoemd bedrag van € 873,00 na, afgewezen. [geïntimeerde] is in het hoger beroep (voornamelijk) in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
Kosten eerste aanleg in conventie en reconventie:
- explootkosten € 136,41
- griffierecht € 693,00
- salaris advocaat
€ 1.624,00(tarief € 406,00 x 4 punten, waarvan 2 punten voor de reconventie)
Totaal € 2.453,41
Kosten hoger beroep:
- explootkosten € 147,07
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat
€ 3.340,00(tarief € 1.670,00 x 2 punten)
Totaal € 4.286,07.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
7.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van:
- een bedrag van € 16.390,92 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
- een bedrag van € 730,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 873,00;
7.4.
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:
- € 2.453,41 voor de eerste aanleg, met € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
- € 4.286,07 voor het hoger beroep;
7.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst het over en weer meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.E. van der Werff en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.