Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:906

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.347.905
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:928 BWArt. 6:119 BWArt. 25 Verordening Brussel I bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over mededelingsplicht en dekking CAR-verzekering voor kabellegging in Waddenzee

Alsema sloot een CAR-verzekering af bij Allianz voor het leggen van kabels in de Waddenzee. Tijdens de werkzaamheden werden de kabels beschadigd door onbekenden, waarna Alsema aanspraak maakte op dekking. Allianz weigerde dekking wegens vermeende schending van de mededelingsplicht door Alsema.

De rechtbank wees de vordering van Alsema toe, en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat Alsema haar precontractuele mededelingsplicht niet heeft geschonden, omdat zij de informatie over het gebruik van varend en drijvend materieel in het werkgebied van de aanlandingen niet hoefde te melden, mede gezien de verstrekte documenten en communicatie.

Ook de contractuele mededelingsplicht is niet geschonden, omdat de wijzigingen in de werkmethode niet zodanig waren dat Allianz de verzekering niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Het hof veroordeelt Allianz tot uitkering onder de verzekering, betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten, en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Allianz tot uitkering onder de verzekering en betaling van kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.347.905/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/738147 / HA ZA 23-743
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Brussel (België),
appellante in principaal hoger beroep/geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg te Rotterdam,
tegen
ALSEMA [bedrijf],
gevestigd te Zuidlaren,
geïntimeerde in principaal hoger beroep/appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.M. Bordewijk te Amsterdam.
Partijen worden hierna Allianz en Alsema genoemd.

1.De zaak in het kort

Alsema heeft een CAR-verzekering bij Allianz afgesloten voor het leggen van kabels in de Waddenzee. Onbekenden hebben in de periode waarin de kabels werden gelegd, de kabels beschadigd door daarin gaten te boren. Alsema heeft Allianz verzocht dekking te verlenen voor de schade, maar Allianz heeft dit geweigerd. Allianz heeft als reden daarvoor opgegeven dat Alsema voor en tijdens de verzekering heeft nagelaten informatie te verschaffen die voor Allianz van belang was om het risico in te schatten. De rechtbank heeft het verweer van Alsema verworpen en het hof komt tot hetzelfde oordeel.

2.Het geding in hoger beroep

Allianz is bij dagvaarding van 30 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Alsema als eiseres en Allianz en [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) als gedaagden.
Bij tussenarrest van 26 november 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. De mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie,
- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met een productie,
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
Op 9 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Alsema heeft ook nog producties 2A tot en met 2F in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Alsema is een aannemingsbedrijf dat is gespecialiseerd in ondergrondse infrastructuur.
Allianz is een verzekeraar. Zij maakt deel uit van de Allianz-groep waartoe ook Allianz Global Corporate & Specialty (hierna: AGCS) behoort. [bedrijf] is al vele jaren de assurantietussenpersoon van Alsema.
3.2.
Begin 2021 heeft Alliander N.V. (hierna: Alliander) een aanbesteding uitgeschreven voor de aanleg van twee 33kV-zeekabels van Liander N.V. (hierna: Liander) in de Waddenzee tussen Ameland en Holwerd (hierna: het werk). Voorwaarde voor gunning was onder andere dat een Construction All Risk-verzekering (hierna: CAR-verzekering) voor het werk werd afgesloten.
3.3.
Alsema heeft op het werk ingeschreven. Voor het aanvragen van een CAR-verzekering heeft Alsema [bedrijf] benaderd, waarna [bedrijf] contact opnam met Allianz. Via [bedrijf] kreeg Alsema het door Allianz gehanteerde aanvraagformulier voor een CAR-verzekering. Het aanvraagformulier bestond onder andere uit vragen over de opdrachtgever, de werkzaamheden en de gewenste dekking. Op 22 maart 2021 heeft Alsema het ingevulde formulier aan [bedrijf] toegestuurd, samen met het door Liander opgestelde bestek van het werk, de bijbehorende bestektekeningen en enkele onderzoeksrapporten. [bedrijf] heeft deze stukken aan Allianz doorgestuurd met het verzoek een prijsindicatie af te geven.
3.4.
Op 31 maart 2021 heeft de heer [naam 1] namens Allianz telefonisch aan [bedrijf] een vraag gesteld over het uitvoeren van het werk naar aanleiding van de aanvraag van Alsema. [bedrijf] heeft hierop telefonisch contact opgenomen met Alsema. Namens Alsema heeft mevrouw [naam 2] diezelfde dag (31 maart 2021) per e-mail aan [bedrijf] onder meer meegedeeld:
’Zoals zojuist besproken wordt de zeekabel ingeploegd middels een rups ploeg. Deze kabellegger rijdt over de bodem terwijl de kabel wordt ingeploegd. Bij hoog water staan de burg en motor omhoog, zodat deze boven het wateroppervlak uit komt en de kabel aaneengesloten gelegd kan worden van de Ameland zijde naar Holwerd en vice versa.’
In de e-mail waren afbeeldingen van een rupsploeg opgenomen.
[bedrijf] heeft de e-mail doorgestuurd aan Allianz.
3.5.
Allianz heeft daarna op dezelfde dag (nog steeds 31 maart 2021) per e-mail aan [bedrijf] de uitgangspunten voor de calculatie vermeld. Daaraan heeft zij toegevoegd:
‘Zoals aangegeven wordt de kabel middels een rupsvoertuig over de bodem van de waddenzee aangebracht waarbij deze meteen ingevoerd en ingegraven wordt. Geen kabel blijft onafgedekt of wordt blootgesteld aan het risico van opdrijven. Kabels worden niet vanaf een vaartuig c.q. drijvend materieel aangebracht.’
3.6.
Op 22 april 2021 heeft Alsema aan [bedrijf] laten weten dat zij het werk gegund had gekregen en dat zij graag een ‘concept polis/offerte’ wilde ontvangen om ter goedkeuring aan de opdrachtgever over te kunnen leggen. Op dezelfde dag heeft Allianz een offerte aan [bedrijf] toegezonden, met de bijbehorende polisvoorwaarden BMVO14. De offerte bevatte een gedetailleerde uitwerking van de uitgangspunten uit de e-mail van Allianz van 31 maart 2021. De in 3.5 geciteerde opmerking is in de offerte niet verwerkt. Op verzoek van Alsema is op 10 mei 2021 een aangepaste offerte gestuurd met een ander eigen risico conform het bestek.
3.7.
Op 27 mei 2021 heeft de onderaannemer die Alsema zou inschakelen om met een rupsploeg de zeekabels in te ploegen, aan Alsema laten weten dat zij het project niet kon uitvoeren. Hierna heeft Alsema met instemming van Liander besloten de rupsploeg te vervangen door een vergelijkbare ploeg, bevestigd op een ijzeren slee. Deze slee zou over de zeebodem worden voortgetrokken aan kabels.
3.8.
Alsema heeft de offerte van 10 mei 2021 aanvaard door het toezenden van een bestelbon op 17 juni 2021 en van de ondertekende offerte op 18 juni 2021. Alsema heeft van Allianz een polisblad ontvangen, dat in juli nog tweemaal is gewijzigd op punten die voor deze zaak niet van belang zijn.
3.9.
Eind augustus 2021 is Alsema begonnen met het leggen van de zeekabels. Op 4 september 2021 was de eerste zeekabel gelegd en is deze getest. Tijdens het testen werd een foutmelding gegeven die kon duiden op een defect in de zeekabel. Op 6 september 2021 bleek uit verder onderzoek dat er vrijwel zeker sprake was van een fout in de zeekabel. Hierop is direct een schademelding bij Allianz gedaan met een daarvoor bestemd schadeformulier. Hiermee heeft Alsema aanspraak gemaakt op dekking.
3.10.
Allianz heeft na deze schademelding een expertisebureau ingeschakeld om onderzoek te doen naar de oorzaak en omvang van de schade.
3.11.
Op 13 september 2021 bleek ook de tweede zeekabel defect, terwijl deze zeekabel op
11 september nog goed door de test was gekomen. Uit onderzoek van de zeekabels bleek dat iemand gaatjes in de zeekabels had geboord. Van deze schade is aangifte gedaan bij de politie, maar tot op heden is onbekend wie de schade heeft veroorzaakt. Liander/Alliander heeft Alsema aansprakelijk gesteld voor de schade aan de zeekabels.
3.12.
Allianz heeft dekking voor de schade geweigerd

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft Alsema in eerste aanleg na wijziging van eis gevorderd, voor zover in dit hoger beroep van belang, om voor recht te verklaren dat Allianz is gehouden dekking te verlenen onder de verzekering voor de schade die Alsema en de overige meeverzekerde partijen hebben geleden bij het uitvoeren van het werk, met kosten.
4.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering toegewezen en Allianz veroordeeld in de proceskosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
Allianz vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, de vorderingen van Alsema alsnog worden afgewezen en dat Alsema wordt veroordeeld om aan Allianz terug te betalen hetgeen Allianz ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Alsema heeft betaald, met wettelijke rente. Daarnaast vordert Allianz dat Alsema wordt veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.
5.2.
Volgens Alsema moet het hof de vorderingen van Allianz afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen, met – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Allianz in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente.
5.3.
Het incidenteel hoger beroep betreft alleen een wijziging van de oorspronkelijke eis van Alsema. Alsema vordert thans, naast bekrachtiging, eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
‘II Allianz te veroordelen om binnen 1 maand na dagtekening van het te wijzen arrest tot
uitkering onder de verzekering over te gaan,
III een verklaring voor recht dat de door Allianz te betalen uitkering onder de verzekering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2022, danwel 4 mei 2022, dan wel 7 april 2022, dan wel 14 oktober 2022, althans de datum van dagvaarding in eerste aanleg, tot aan de datum van betaling,
IV Allianz te veroordelen tot betaling aan Alsema van de buitengerechtelijke kosten van
€ 12.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding in eerste
aanleg tot aan de dag van betaling, althans van een in goede justitie door Uw Hof te be(p)alen ander bedrag.’

6.Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
6.1.
Alsema heeft in eerste aanleg vorderingen tegen Allianz ingesteld. Allianz is gevestigd in België. De Nederlandse rechter is bevoegd om over de vorderingen van Alsema te oordelen, omdat partijen in art. A.V.17 van de polisvoorwaarden hebben gekozen voor het beslechten van dekkingsgeschillen door de bevoegde rechter te Amsterdam of Rotterdam (art. 25 Verordening Pro Brussel I bis). Alsema heeft gekozen voor Amsterdam en Allianz heeft zich hiertegen niet verzet. In art. A.V.19.3 van de polisvoorwaarden staat een rechtskeuze voor Nederlands recht. Het staat overigens verder tussen partijen niet ter discussie dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.
De precontractuele mededelingsplicht
6.2.
Allianz stelt dat Alsema bij het aanvragen van de verzekering haar mededelingsplicht als bedoeld in art. 7:928 BW Pro niet is nagekomen. Kort gezegd komt het erop neer dat Allianz meent dat Alsema haar had moeten mededelen dat bij het uitvoeren van het werk ook varend en/of drijvend materieel zou worden gebruikt, en niet alleen een rupsploeg. Volgens Allianz was dat van belang, omdat haar acceptatiebeleid inhoudt dat zij geen offshore-risico’s verzekert. De grieven 1, 3, 4 en 5 hebben (mede) hierop betrekking.
6.3.
De verzekering is gesloten op de grondslag van een door Allianz opgestelde vragenlijst. Allianz kan zich er daarom niet op beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet haar te misleiden (art. 7:928 lid 6 BW Pro). Dat Alsema een dergelijke opzet om te misleiden had, is gesteld noch gebleken. Het staat verder niet ter discussie dat Alsema de vragen op de vragenlijst naar waarheid heeft beantwoord.
6.4.
Het gaat Allianz dan ook met name om de mondelinge vraag om nadere informatie die de heer [naam 1] van Allianz op 31 maart 2021 telefonisch aan [bedrijf] heeft gesteld (zie 3.4). Allianz heeft in hoger beroep te bewijzen aangeboden dat de heer [naam 1] tijdens dat telefoongesprek heeft gezegd dat als bij de werkzaamheden gebruik zou worden gemaakt van varend en/of drijvend materieel, Allianz niet bereid was om dit risico te verzekeren. In de stellingen van Allianz ligt besloten dat de vraag van de heer [naam 1] hierop betrekking had. Het hof gaat hierna bij wijze van veronderstelling ervan uit dat de heer [naam 1] dit heeft gezegd en daarnaar heeft gevraagd.
6.5.
Waar het op aankomt, is hoe [bedrijf] (als tussenpersoon van Alsema) en Alsema deze vraag van de heer [naam 1] redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. Voor het beoordelen hiervan is de context waarin de vraag werd gesteld van belang. De context betrof met name het gebied waar het werk werd uitgevoerd, de aard van het werk, de informatie waarover Allianz al beschikte en de deskundigheid die van de heer [naam 1] als ervaren acceptant van CAR-verzekeringen mocht worden verwacht.
6.6.
Het werk is uitvoerig beschreven in het bestek en de bestektekeningen. Deze documenten zijn Allianz bij de aanvraag van de verzekering ter beschikking gesteld en de heer [naam 1] heeft daarvan kennis genomen. Allianz stelt ook dat de aanvullende vraag is gesteld naar aanleiding van het kennis nemen van deze documenten. Uit het bestek blijkt dat het werk moest worden uitgevoerd in de Waddenzee. Voor een deel was dit op de bodem van de zee (het werkgebied zee) en voor een deel bij de kust van Holwerd en van Ameland, waar de kabels op de kwelders en het strand aan land kwamen (het werkgebied van de aanlandingen, de eind-intrekoperaties). De kabels moesten in één stuk worden gelegd. In het bestek is verder beschreven dat gebruik zou worden gemaakt van varend en/of drijvend materieel, namelijk ‘een geschikt, veilig en efficiënt samenstel van schepen en werktuigen’ (art. 26.93.01 Maritiem Materieel). Het gebruik van dergelijk materieel was dus een gegeven. Het valt ook niet in te zien dat [bedrijf] en Alsema redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat Allianz in de veronderstelling verkeerde dat het in het bestek beschreven werk dwars door de Waddenzee kon worden uitgevoerd zonder gebruik van varend en/of drijvend materieel.
6.7.
Het enige onderdeel waarvoor mogelijk onduidelijkheid over het gebruik van varend en/of drijvend materieel kon bestaan, was de wijze waarop het leggen en begraven van de kabels in het werkgebied zee zou plaatsvinden. Het bestek liet op dit onderdeel aan de aannemer de keuze om dit vanaf een schip (ponton) te doen of met behulp van een rijdend materieel (rupsvoertuigen) (paragraaf 26.95 Kabelinstallatie en paragraaf 26.96 Begraven).
Bij het leggen vanaf een schip zouden, zoals Alsema heeft toegelicht en Allianz niet of onvoldoende heeft weersproken, eerst de kabels op de zeebodem worden uitgelegd en pas daarna worden ingegraven. Bij het gebruik van rijdend materieel zouden de kabels direct tijdens het leggen worden ingegraven.
6.8.
Op dit punt bestaat ook een kenbaar onderscheid in risico: op de zeebodem uitgelegde kabels zouden bij het overvaren door passerende schepen kunnen worden beschadigd.
Dit risico bestond niet of nauwelijks bij het direct ingraven van de kabels.
6.9.
Ook bij het gebruik van rijdend materieel, zoals een rupsvoertuig met ploeg, was het nodig om drijvend of varend materieel in te zetten voor het vervoer/de opslag van de kabels tijdens het leggen. Uit het bestek heeft Allianz kunnen opmaken dat de kabels een lengte hadden van 8,7 km (art. 26.91.08) en een gewicht van 25-35 kg per strekkende meter (bestekpostnummer 300020), dus in totaal 217.500 tot 304.000 kg per kabel. Het is zonder toelichting, die niet of onvoldoende is gegeven, niet in te zien hoe een deskundige acceptant van Allianz redelijkerwijs heeft kunnen menen dat een dergelijk gewicht op het rupsvoertuig kon worden meegenomen, op een zachte bodem als die van de Waddenzee. Het is evenmin in te zien dat [bedrijf] en Alsema desondanks met een dergelijke misvatting rekening hebben moeten houden en ook niet dat zij redelijkerwijs hebben moeten begrijpen dat het enkele vervoer van de kabels op een schip of ponton in de directe nabijheid van het rijdend materieel waarmee de kabels zouden worden ingegraven, relevant was voor het te beoordelen risico.
6.10.
Onder deze omstandigheden hebben [bedrijf] en Alsema redelijkerwijs mogen begrijpen dat de vraag van de heer [naam 1] naar aanleiding van het bestek betrekking had op de wijze waarop de kabels in het werkgebied zee zouden worden gelegd, vanaf een schip of ponton of met behulp van rijdend materieel. De informatie die zij in antwoord op de vraag aan Allianz hebben verstrekt, sluit daarop aan. Zij hebben immers aan Allianz meegedeeld dat de zeekabels zouden worden ingeploegd met behulp van een rupsploeg, dus met rijdend materieel. Op de meegezonden afbeeldingen is een rupsvoertuig met ploeg en kabelhaspel te zien, met enkele schepen in de directe nabijheid.
6.11.
Uit de reactie van Allianz op de verstrekte informatie hebben [bedrijf] en Alsema redelijkerwijs niet hoeven begrijpen dat Allianz uitging van een verkeerde voorstelling van zaken. De tekst in de e-mail van Allianz van 31 maart 2021 gaat immers over het aanbrengen van de kabel door middel van een rupsvoertuig ‘over de bodem van de waddenzee’ (dus het werkgebied zee), ‘waarbij deze meteen ingevoerd en ingegraven wordt’ (wat juist is). Bij het op die wijze aanbrengen van de kabels op de zeebodem is het bovendien juist dat ‘(g)een kabel (…) onafgedekt (blijft) of wordt blootgesteld aan het risico van opdrijven’. Het is eveneens juist dat op die wijze ‘(k)abels (…) niet vanaf een vaartuig c.q. drijvend materieel (worden) aangebracht’.
6.12.
Voor zover Allianz – met name in grief 5 – ook het standpunt heeft willen verdedigen dat Alsema haar had moeten meedelen dat de kabels in het werkgebied van de aanlandingen enige tijd onafgedekt zouden blijven liggen, oordeelt het hof als volgt. In de eerste plaats geldt dat gesteld noch gebleken is dat Allianz hierover een (specifieke) vraag heeft gesteld aan [bedrijf] of Alsema en evenmin dat [bedrijf] of Alsema hierover onjuiste of onvolledige informatie aan Allianz hebben verstrekt. In zoverre valt aan [bedrijf] of Alsema geen verwijt te maken van het schenden van een mededelingsplicht.
6.13.
Het hof voegt daaraan toe dat reeds uit het bestek duidelijk was dat, anders dan voor het werkgebied zee, de kabels niet onmiddellijk bij het leggen zouden worden ingegraven.
In hoofdstuk 2.1 (art. 03) is met betrekking tot het kwaliteitsplan onder meer de ‘aanlanding Ameland’ en de ‘aanlanding Holwerd’ vermeld met daaraan toegevoegd: ‘operatie waarbij de zeekabels aan land getrokken worden’. In hoofdstuk 2.2 van het bestek is vermeld dat sprake was van ‘eind-intrekoperaties’ (bestekpostnummers 300020 en 300030).
6.14.
Het werkgebied van de aanlandingen is beschreven in art. 26.91.06 van het bestek.
Op Ameland begint dit werkgebied ‘bij de teen van de voorlandkering’, bij Holwerd ‘bij de derde (buitenste) dwarsdam’. In deze bepaling is verwezen naar tekeningen. Een van deze tekeningen (nummer 120064.3003) betreft de aanlandingslocatie Holwerd met de kwelderwerken en de bezinkvelden. Vermeld is dat de afstand van de zogenoemde Transition joints tot de derde dwarsdam ruim 1.100 meter bedraagt. Transition joints zijn de aansluitingen met de landkabel (zie bijvoorbeeld art. 26.92.10.01).
6.15.
De technische uitwerking van het werk is beschreven in paragraaf 26.92 van het bestek.
Art. 26.92.04 betreft de op te stellen technische documentatie voor de aanlandingen.
De documentatie moest onder meer bevatten een beschrijving van het materieel, de uitvoering van de intrekoperaties en van de procedure ‘van het begraven van de zeekabel van de Transition joints tot aan het punt waar de normale offshore begraafoperatie begint/eindigt’.
Het uitvoeren van de intrekoperaties is nader beschreven in hoofdstuk 3, in art. 26.92.10.
Uit deze nadere beschrijving kon worden opgemaakt dat de zeekabels aan land moesten worden gebracht, nabij de aanlandingen moesten worden begraven en dat zowel bij Ameland als Holwerd intrekoperaties moesten plaatsvinden. Over de intrekoperatie bij Holwerd is verder vermeld:
‘04 De intrekoperatie te Holwerd vindt buitendijks plaats en kruist daarbij de kwelders en de kwelderwerken. Het betreft een tweede-eind-intrekoperatie. De tijdelijke omega-lussen van de zeekabels kunnen daarbij alleen naar het oosten gelegd worden in verband met de nabij gelegen Vitens leiding.
Om de kwelders te kruisen, dient een deel van de kwelderwerken tijdelijk verwijderd te worden, en na aanleg van de zeekabels teruggebracht te worden. Aannemer dient rekening te houden met deels zeer slappe grond in de kwelders, voor zowel de uitvoering van de werkzaamheden als de toegang van en naar het werkgebied.’
6.16.
De zogenoemde ‘kabelinstallatie’ is beschreven in paragraaf 26.95 van het bestek.
Voor de aanlandingsoperaties (intrekoperaties) is met name art. 26.95.13 van belang.
Het bestek liet de aannemer ruimte voor het maken van bepaalde keuzes over de wijze waarop de intrekoperaties zouden plaatsvinden. Vermeld is ook dat de zeekabels na het intrekken op de definitieve diepte moesten worden gebracht (26.95.13.04), voor zover nodig, nog op de juiste plaats moesten worden gelegd (26.95.13.06 en 07) en moesten worden begraven vanaf 10 meter zeewaarts van de Transition joints (26.95.13.08).
6.17.
Uit dit alles heeft Allianz moeten opmaken dat het werk in het werkgebied van de aanlandingen een afzonderlijke operatie was, onderscheiden van het leggen van de kabels op de bodem van de Waddenzee. Daarbij is de zeer slappe grond van de kwelders uitdrukkelijk benoemd (met de maximale gronddruk voor het te gebruiken materieel), en ook de grote afstand waarover de intrekoperatie bij Holwerd zou plaatsvinden. Verder was uit het bestek duidelijk dat de kabels eerst zouden worden ingetrokken. Daarmee is gegeven dat er bij de aanlandingen enige tijd kon liggen tussen het intrekken en het begraven van de kabels, en dus dat de kabels enige tijd onafgedekt zouden kunnen zijn. Van Allianz als professionele verzekeraar mocht bovendien worden verwacht dat zij zou begrijpen dat de getijden van invloed waren op de tijd die was gemoeid met het begraven van de kabels. Hoe dichter bij zee, hoe meer invloed het opkomende water had op de tijd die beschikbaar was voor het ingraven van de kabels. Voor Alsema en [bedrijf] was er dan ook geen aanleiding om Allianz nog nader mede te delen dat de kabels in het werkgebied van de aanlandingen enige tijd onafgedekt zouden (kunnen) blijven liggen. Ook niet naar aanleiding van de e-mail van 31 maart 2021 van de heer [naam 1] , gelet op de betekenis die Alsema en [bedrijf] daaraan mochten toekennen (zie 6.11).
6.18.
Gezien het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat Alsema haar precontractuele mededelingsplicht niet heeft geschonden. De grieven 1, 3, 4 en 5 kunnen in zoverre niet slagen.
Contractuele mededelingsplicht
6.19.
In art. A.V.10.4 van de polisvoorwaarden (‘Verplichtingen bij risicowijzing(en)’) is de verplichting voor Alsema opgenomen om ‘wijzigingen in bestek, tekeningen, de aard van de werkzaamheden, de methode van uitvoering, inrichting of anderszins van dien aard dat hij wist of behoorde te begrijpen dat de verzekeraar bij bekendheid daarmee ten tijde van het sluiten van de verzekering de overeenkomst nimmer had gesloten, dan wel de verzekering niet op dezelfde voorwaarden en/of tegen dezelfde premie zou hebben gesloten, aan de verzekeraar zo spoedig mogelijk mede te delen’. Allianz voert aan dat Alsema de werkmethode heeft gewijzigd door geen gebruik te maken van een rupsvoertuig, maar van varend materieel en door de kabels niet meteen in te graven, maar lange tijd onbeschermd op het wad te laten liggen. De grieven 2 en 5 hebben (mede) hierop betrekking.
6.20.
Het is op zichzelf juist dat Alsema voor het leggen van de kabels in het werkgebied zee geen gebruik heeft gemaakt van een rupsvoertuig met ploeg. De reden is dat de betrokken onderaannemer het werk niet meer in 2021 kon uitvoeren. Voor het ingraven van de kabels is vervolgens een slee met ploeg gebruikt. De werkwijze is voor het overige niet (in relevante zin) gewijzigd. De kabels zijn immers direct tijdens het leggen met een ploeg ingegraven, zoals ook bij gebruik van een rupsvoertuig het geval zou zijn geweest. Het gebruik van een slee met ploeg heeft ook niet geleid tot een situatie waarin eerst geen inzet van varend of drijvend materieel werd voorzien, maar dit vervolgens toch is ingezet. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen hiervoor over de inzet van varend of drijvend materieel is overwogen. In het licht hiervan heeft Allianz onvoldoende naar voren gebracht om te oordelen dat de inzet van de slee met ploeg het te verzekeren of verzekerde risico heeft gewijzigd en dat sprake was van een wijziging van dien aard dat Alsema wist of behoorde te begrijpen dat Allianz bij bekendheid daarmee ten tijde van het sluiten van de verzekering de overeenkomst nimmer had gesloten, dan wel de verzekering niet op dezelfde voorwaarden en/of tegen dezelfde premie zou hebben gesloten.
6.21.
De omstandigheid dat de kabels enige tijd ‘onbeschermd’ op de kwelders zouden liggen, heeft bij Allianz op grond van het bestek bekend moeten zijn. Het hof heeft dit besproken in rov. 6.13-6.17. In zoverre was van een wijziging geen sprake en Alsema heeft ook ter zitting nog toegelicht dat de situatie bij gebruik van een rupsploeg precies dezelfde zou zijn geweest. Allianz heeft verder geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat de kabels langer onafgedekt op de kwelders lagen dan uit het bestek was op te maken.
6.22.
Allianz haalt in hoger beroep het Kabel Installatie Plan van 15 juli 2021 van Alsema aan. Allianz stelt dat uit dit plan blijkt dat de oorspronkelijke bedoeling was dat de kabels bij hoogwater zouden worden getrokken en direct bij laagwater zouden worden ingegraven. Allianz verwijst hiervoor naar de volgende passage over het onderwerp ‘bewakingsschepen’ (p. 17). Deze passage luidt:
‘Vanwege de gekozen uitvoeringswijze blijft de kabel niet boven de zeebodem, dus onbeschermd liggen. Vanwege de feit worden er geen bewakingsschepen toegepast. Op de kwelder wordt de kabel tijdens HW getrokken en direct met LW ingegraven. Blijft enkel locatie nabij de transitie mof waar de kabel mogelijk boven de grond blijft liggen. Dit wordt in het coördinatie overleg afgestemd wie hier maatregelen voor gaat nemen.’
6.23.
Alsema heeft toegelicht dat met deze passage is weergegeven dat na het trekken (en dus uitleggen) van de kabels over de kwelders direct zou worden begonnen met het ingraven.
Dat is volgens Alsema ook wat zij heeft gedaan. Het feit dat direct is begonnen met het ingraven, betekent echter niet dat de kabels over de volle lengte direct de eerstvolgende periode met laagwater, of binnen een dag, zouden zijn ingegraven. Het ingraven nam enige tijd in beslag, mede gezien de moeilijke bereikbaarheid voor machines, de lengte van de kabels en de getijden. Allianz heeft hiertegen niets, althans te weinig, ingebracht om aan te nemen dat dit onjuist is. Zij heeft daarmee onvoldoende gesteld voor het oordeel dat op dit punt sprake was van een wijziging in de zin van art. A.V.10.4 van de polisvoorwaarden.
6.24.
In deze procedure is verder nog aan de orde geweest dat Alsema de bedoeling had om de intrekoperatie over de kwelders uit te voeren met behulp van een lier, maar dat de lierkabel brak en graafmachines zijn ingezet om de kabels in te graven. Volgens Alsema bood het bestek hiertoe de mogelijkheid en is de tijd die was gemoeid met het ingraven hierdoor zelfs bekort. Voor zover Allianz heeft willen betogen dat sprake was van een wijziging van de werkwijze, heeft zij onvoldoende aangedragen om aan te nemen dat het verzekerde risico wijzigde en dit een wijziging was in de zin van art. A.V.10.4 van de polisvoorwaarden.
6.25.
Ook voor het overige zijn geen of onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel kunnen dragen dat sprake was van wijzigingen in de zin van art. A.V.10.4 van de polisvoorwaarden. Het hof komt daarom tot de conclusie dat Alsema ook haar contractuele mededelingsplicht niet heeft geschonden. De grieven 2 en 5 treffen in zoverre geen doel.
Ten onrechte dekking geweigerd
6.26.
Aan het weigeren van dekking voor de schade ligt het standpunt van Allianz ten grondslag dat Alsema haar mededelingsplicht jegens Allianz niet is nagekomen. Uit het voorgaande volgt dat Alsema geen mededelingsplicht heeft geschonden. Allianz heeft dus ten onrechte dekking geweigerd. Daarmee treft ook grief 6, die verder geen zelfstandige betekenis heeft, geen doel.
6.27.
Ten overvloede merkt het hof op dat Allianz geen maatregelen heeft voorgeschreven om de kabels te bewaken gedurende de tijd dat deze onafgedekt op de kwelders lagen. Allianz heeft overigens ook niet concreet gemaakt dat op de kwelders effectieve maatregelen waren te nemen om de kabels te bewaken. Voor zover Allianz op dit punt enig verwijt aan Alsema wil maken (zoals met de woorden ‘zonder dat (adequate) bewaking aanwezig was’, memorie van grieven nr. 5.2.3), gaat dit verwijt niet op.
6.28.
Bij deze stand van zaken hoeft het hof niet meer in te gaan op de overige stellingen en verweren van partijen.
6.29.
Het bewijsaanbod van Allianz passeert het hof, omdat geen feiten of omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden die tot een ander uitkomst van deze zaak kunnen leiden.
De gewijzigde eis van Alsema
6.30.
Alsema heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. Alsema vordert nu, kort gezegd, dat Allianz wordt veroordeeld om binnen één maand na dit arrest tot uitkering over te gaan (II) en
€ 12.000,- te betalen voor buitengerechtelijke kosten (IV), met een verklaring voor recht over de wettelijke rente (III). Wat betreft de wettelijke rente maakt het hof uit de memorie van grieven (nr. 123) op dat Alsema de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vordert.
6.31.
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat partijen beseffen dat een veroordeling om binnen een maand tot uitkering over te gaan, niet een titel oplevert die ten uitvoer kan worden gelegd. De schade en de uitkering zijn immers nog niet definitief vastgesteld. Partijen hebben echter duidelijk gemaakt dat zij weten hoe zij een dergelijke veroordeling moeten uitvoeren en tegen het toewijzen van de vordering bestaat in het licht hiervan geen bezwaar.
6.32.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de ingangsdatum van de wettelijke rente en de hoogte van de buitengerechtelijke kosten.
De wettelijke rente gaat in op 1 januari 2023. De buitengerechtelijke kosten bedragen
€ 6.000,-. Bij het toewijzen van de vorderingen III en IV houdt het hof hiermee rekening.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, als gevorderd.
Slotsom
6.33.
De grieven van Allianz kunnen niet leiden tot het vernietigen van het bestreden vonnis. Dit vonnis moet dus worden bekrachtigd. De gewijzigde eis van Alsema is toewijsbaar, in de hiervoor vermelde zin.
Proceskosten
6.34.
Allianz is in het ongelijk gesteld en wordt om die reden veroordeeld in de proceskosten in (principaal) hoger beroep. Voor het incidenteel hoger beroep kent het hof geen afzonderlijke vergoeding toe, omdat voor het wijzigen van eis geen incidenteel hoger beroep nodig was. Bovendien zijn in het incidenteel hoger beroep geen werkzaamheden verricht die een afzonderlijke vergoeding rechtvaardigen.
6.35.
De proceskosten in (principaal) hoger beroep tot heden aan de zijde van Alsema stelt het hof vast als volgt:
- griffierecht € 798,-
- salaris advocaat
€ 13.218,-(tarief VIII, 2 punten)
Totaal € 14.016,-

7.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt Allianz om binnen één maand na dit arrest over te gaan tot uitkering onder de verzekering;
7.3.
verklaart voor recht dat de door Allianz te betalen uitkering moet worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 1 januari 2023 tot de dag van betaling;
7.4.
veroordeelt Allianz om € 6.000,- aan Alsema te betalen als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 4 augustus 2023 tot de dag van betaling;
7.5.
veroordeelt Allianz in de proceskosten in (principaal) hoger beroep, tot nu aan de zijde van Alsema vastgesteld op € 14.016,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.6.
veroordeelt Allianz tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, W.J.J. Los en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.