Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:967

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.356.287/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 477a lid 1 RvArt. 477a lid 2 RvArt. 476b lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep derdenbeslag en gerechtelijke verklaringsplicht volgens artikel 477a Rv

In deze zaak gaat het om een geschil over derdenbeslag dat [naam 2] heeft gelegd onder meerdere vennootschappen binnen de [appellant 5]-groep om een vordering op een derde, [bedrijf], te verhalen. De rechtbank had appellanten hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het beslagbedrag omdat zij geen deugdelijke gerechtelijke verklaring hadden afgelegd.

Appellanten kwamen in hoger beroep tegen deze veroordeling en voerden onder meer aan dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd was getreden door een sanctie toe te passen die niet was gevorderd en dat zij wel buitengerechtelijke verklaringen hadden afgelegd. Het hof oordeelde dat de rechtbank inderdaad buiten de rechtsstrijd was getreden en dat de buitengerechtelijke verklaringen onvoldoende waren onderbouwd.

Het hof stelde vast dat er een rechtsverhouding bestond tussen appellanten en [bedrijf], waarbij [bedrijf] diensten leverde aan appellanten en aanspraak kon maken op betaling. Appellanten hadden onvoldoende onderbouwd dat er geen vordering van [bedrijf] op hen bestond. Daarom moesten zij alsnog een gedetailleerde gerechtelijke verklaring afleggen, gespecificeerd per vennootschap en met onderbouwing van de bedragen.

Het hof wees een tussenarrest en stelde de zaak aan voor nadere stukken en reactie van [naam 2], waarna het hof zal vaststellen welk bedrag aan [naam 2] toekomt. Alle verdere beslissingen werden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep gedeeltelijk toe en draagt appellanten op een nadere gerechtelijke verklaring af te leggen, waarna het hof zal bepalen welk bedrag aan [naam 2] toekomt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer gerechtshof Amsterdam : 200.356.287/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/356072 HA ZA 24-468
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 april 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

2.
[appellant 2],
3.
[appellant 3] ,
4.
[appellant 4],
5.
[appellant 5],
6.
[appellant 6],
alle gevestigd te [plaats 1] , gemeente Haarlemmermeer,
appellanten in principaal appel tevens eiseressen in het incident,
advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal appel tevens gedaagde in het incident,
advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem.
Appellanten tevens eiseressen in het incident worden tezamen [appellanten] genoemd en afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en [appellant 6] . Geïntimeerde tevens gedaagde in het incident wordt [naam 2] genoemd.

1.De zaak in het kort

[naam 2] heeft derdenbeslag gelegd onder [appellanten] om een vordering op een derde, maar wel aan [appellanten] gelieerde, vennootschap te innen. Zij vordert veroordeling van [appellanten] tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring en betaling van al hetgeen aan haar toekomt. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] geen deugdelijke verklaring hebben afgelegd en heeft [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.341.973,67, het bedrag waarvoor beslag is gelegd.
Het beroep van [appellanten] daartegen slaagt gedeeltelijk. Het hof wijst een tussenarrest en draagt [appellanten] op om een gerechtelijke verklaring af te leggen als bedoeld in artikel 477a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 20 juni 2025, met één productie, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2025, gewezen onder bovenvermeld zaaknummer tussen [naam 2] als eiseres en [appellanten] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis). Daarbij hebben [appellanten] ook een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
2.2.
[naam 2] heeft daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord in incident;
- memorie van antwoord tevens houdende wijziging van eis met een productie.
2.3.
Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] nog een productie toegestuurd en op 4 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de hoofdzaak en het incident gezamenlijk zijn behandeld. Ter zitting hebben [appellanten] het incident ingetrokken. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van de door hen overgelegde spreekaantekeningen.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder rechtsoverweging 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven. Samengevat en waar nodig aangevuld komen deze neer op het volgende.
3.2.
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder van [appellant 1] , [appellant 6] en [appellant 5] . [appellant 1] is op haar beurt bestuurder van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] , deze vennootschap is niet betrokken bij deze procedure maar zij is de debiteur van de vordering van [naam 2] ), [appellant 4] en [appellant 3] . [appellant 2] wordt bestuurd door [appellant 1] en [appellant 5] gezamenlijk. Alle gedaagde entiteiten en [bedrijf] behoren tot de [appellant 5] -groep.
3.3.
[naam 2] is eigenaar geweest van een kantoorgebouw aan de Amerikaweg 10 te Haarlem (hierna: het kantooradres) en zij verhuurde dit aan [bedrijf] . Tot 28 december 2023 hielden [appellanten] kantoor op dit adres, althans stonden zij daar ingeschreven. De huurovereenkomst tussen [bedrijf] en [naam 2] is in onderling overleg per 1 december 2023 beëindigd.
3.4.
Tussen [naam 2] en [bedrijf] is eerder een geschil ontstaan over de huurovereenkomst. Bij vonnis van 24 februari 2021 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland [bedrijf] veroordeeld tot betaling aan [naam 2] van € 66.625,00 aan achterstallige huur, vermeerderd met de maandelijkse huurtermijnen vanaf september 2020 en de wettelijke handelsrente. Dit hof heeft dit vonnis bij (eind)arrest van 7 mei 2024 bekrachtigd voor wat betreft de veroordeling van [bedrijf] tot betaling van de huur aan [naam 2] .
3.5.
Naar aanleiding van een bezoek van de deurwaarder van 28 februari 2023 met het oog op beslaglegging op de roerende zaken van [bedrijf] op het kantooradres is voor de roerende zaken een regeling getroffen. Bij exploot van 30 mei 2024 heeft de deurwaarder het vonnis van 24 februari 2021 en het arrest van 7 mei 2024 aan [bedrijf] betekend en haar (opnieuw) bevolen over te gaan tot betaling van in totaal € 1.334.133,74. [bedrijf] heeft, blijkens de hierna te noemen exploten van de deurwaarder d.d. 17 juni 2024, een deel van dat bedrag (€ 520.489,67) voldaan.
3.6.
Bij exploten van 17 juni 2024 heeft [naam 2] derdenbeslag laten leggen onder [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] tot verhaal van haar vordering van € 1.341.973,67. Op 25 juli 2024 hebben [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] elk een formulier van de deurwaarder ingevuld en daarin verklaard dat zij nu of in de toekomst niets van [bedrijf] te vorderen hebben op grond van een op dat moment bestaande overeenkomst of andere verplichting.
3.7.
Bij exploten van 8 augustus 2024 heeft [naam 2] derdenbeslag laten leggen onder [appellant 5] en [appellant 6] tot verhaal van haar vordering van € 1.371.737,59 (het onder 3.6 vermelde bedrag vermeerderd met additionele rente en (executie)kosten). Op dezelfde datum hebben [appellant 5] en [appellant 6] elk een formulier van de deurwaarder ingevuld en daarin verklaard dat zij nu of in de toekomst niets van [bedrijf] te vorderen hebben op grond van een op dat moment bestaande overeenkomst of andere verplichting.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft [naam 2] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot:
I. het afleggen van een gerechtelijke verklaring en betaling van hetgeen volgens de vaststelling door de rechtbank aan [naam 2] toekomt,
II. betaling van de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
4.2.
De rechtbank heeft bij haar vonnis van 21 mei 2025, uitvoerbaar bij voorraad, geoordeeld dat [appellanten] tekort zijn geschoten in hun verklaringsverplichting en heeft die situatie gelijk gesteld aan het niet afleggen van een verklaring. De rechtbank heeft vervolgens [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot
i) betaling aan de deurwaarder van € 1.341.973,67, te verminderen met het bedrag dat al onder de gelegde beslagen is voldaan en vermeerderd met executiekosten, en
ii) betaling van proceskosten en nakosten, en de wettelijke rente daarover.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vorderen in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [naam 2] , met veroordeling van [naam 2] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
5.2.
[naam 2] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, en veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
5.3.
Verder heeft [naam 2] haar eis in hoger beroep gewijzigd.
Primair vordert zij een verklaring voor recht dat [appellanten] in gebreke zijn gebleven met het afleggen van een deugdelijke verklaring en dat dit gelijk is te stellen aan het niet afleggen van een verklaring, met hoofdelijke veroordeling tot betaling van het bedrag waarvoor de beslagen zijn gelegd als waren zij zelf schuldenaren.
Subsidiair vordert zij hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring en betaling van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan [naam 2] toekomt.

6.Beoordeling

6.1
[appellanten] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Met grief I betogen [appellanten] dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de sanctie van artikel 477a lid 1 Rv toe te passen terwijl dat niet was gevorderd. Volgens [appellanten] kan die sanctie bovendien niet worden toegepast, omdat zij wel buitengerechtelijke derdenverklaringen hebben afgelegd (grief II). Deze grieven slagen en het hof licht dat hieronder toe.
Op grief III wordt hierna, onder 6.5. en verder, teruggekomen.
Toepassing artikel 477a Rv
6.2
Op grond van artikel 476a lid 1 Rv is de derde-beslagene verplicht om na de beslaglegging een verklaring af te leggen over de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Artikel 477a Rv ziet op de mogelijke vorderingen die de beslaglegger kan instellen tegen de derde-beslagene als ofwel geen (lid 1) ofwel een gebrekkige (lid 2) verklaring is afgelegd.
In dit geval dateren de verklaringen van 25 juli 2024 en 8 augustus 2024 (3.6 en 3.7) en [naam 2] betwist niet dat deze hebben te gelden als buitengerechtelijke derdenverklaringen maar betwist wel de juistheid daarvan. Zij heeft op 15 augustus 2024 de dagvaarding uitgebracht en een vordering ingesteld op grond van artikel 477a lid 2 Rv. Daarmee is [naam 2] tijdig, dat wil zeggen binnen de in dat artikellid vermelde termijn van twee maanden, deze verklaringsprocedure gestart.
6.3
In hoger beroep doet [naam 2] primair een beroep op artikel 477a lid 1 Rv, omdat volgens haar de afgelegde verklaringen zodanig gebrekkig zijn dat de daarmee ontstane situatie gelijk is te stellen met de situatie als bedoeld in dat artikellid, waarin in het geheel geen verklaring is afgelegd. Het hof ziet daarvoor geen grond. De leden 1 en 2 van artikel 477a zien op specifiek onderscheiden situaties en leiden tot andere sancties: veroordeling van de derde-beslagene tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij zelf schuldenaar (lid 1) of veroordeling van de derde-beslagene tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring met veroordeling tot betaling van een door de rechter vast te stellen bedrag dat aan de executant toekomt (lid 2). De verklaringsprocedure van het tweede lid is juist bedoeld voor een geval als dit waarin wel een verklaring is afgelegd, ook al is die summier, en de juistheid daarvan door de beslaglegger is betwist. Concluderend slaagt grief II en zal de primaire vordering worden afgewezen.
6.4
Ook grief I slaagt. Het stond de rechtbank niet vrij om, anders dan gevorderd, ambtshalve te oordelen dat zich een situatie voordeed als bedoeld in artikel 477a lid 1 Rv en de daarin opgenomen sanctie toe te passen. Door dat wel te doen is zij buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.
Waarde van de derdenverklaringen
6.5
Met het slagen van de eerste twee grieven moet worden beoordeeld of de subsidiaire vordering kan worden toegewezen op grond van artikel 477a lid 2 Rv. Daarbij komt grief III aan de orde, waarmee [appellanten] opkomen tegen de vaststelling van de rechtbank dat de door hen afgelegde verklaringen niet deugdelijk zijn. Deze grief is vergeefs voorgesteld. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen gebrekkig zijn op grond van het volgende.
6.6
De betwistingsprocedure van artikel 477a lid 2 Rv strekt ertoe dat de rechter vaststelt – in voorkomend geval mede in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden die eerst in de betwistingsprocedure zijn komen vast te staan – welke vorderingen en zaken door het beslag onder de derde zijn getroffen, en of de verklaring die de derde daarover op de voet van artikel 476a lid 1 Rv heeft afgelegd, juist is (Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2025:583).
6.7
De verklaring van de derde-beslagene of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is, moet op grond van artikel 476a lid 2 sub a Rv met redenen omkleed zijn. Ook een verklaring dat de derde-beslagene niets aan de geëxecuteerde verschuldigd is, moet dus worden toegelicht. Bovendien moet de verklaring zo veel mogelijk vergezeld gaan van stukken die de inhoud van de verklaring onderbouwen (artikel 476b lid 2 Rv).
Aan die verplichtingen hebben [appellanten] niet voldaan. Zij hebben alleen verklaard dat [bedrijf] niets van hen te vorderen heeft, maar hebben ook in hoger beroep nagelaten die verklaring voldoende en zo goed mogelijk (en met stukken) te onderbouwen.
6.8
Vast staat dat [appellanten] tezamen met [bedrijf] behoren tot de [appellant 5] -groep en dat zij alle kantoor hielden op de door [bedrijf] gehuurde locatie, waarbij [bedrijf] aan hen naast huisvesting ook (deels) diensten verschafte in de vorm van het ter beschikking stellen van elektra, afvalverwerking en personeel. In het algemeen leidt een dergelijke gang van zaken tot vorderingen van de partij die de diensten levert ( [bedrijf] ) op de ontvangende partij, in dit geval [appellanten] Dat daarvan in dit geval geen sprake zou zijn, omdat de huurbetalingen vanwege een cashpoolovereenkomst feitelijk werden gedaan door [appellanten] zelf en [bedrijf] daarom geen prestatie heeft verricht die leidt tot een vordering op [appellanten] , is onvoldoende onderbouwd. Dit wordt als volgt toegelicht.
6.9
Volgens [appellanten] genereert [bedrijf] zelf geen inkomsten en zijn haar financiële verplichtingen, zoals de huur, daarom steeds voldaan met gelden afkomstig van andere entiteiten binnen de [appellant 5] -groep die via een cashpool ter beschikking zijn gesteld. [appellanten] financierden de cashpool en stelden zo [bedrijf] in staat aan haar verplichtingen te voldoen. [bedrijf] is op haar beurt niets aan [appellanten] verschuldigd, omdat zij geen prestatie heeft geleverd. Deze afspraken volgen uit een
understandingtussen de groepsentiteiten die inhoudt dat [appellanten] niet door [bedrijf] kunnen worden aangesproken tot betaling voor de geleverde diensten en ook niet tot betaling van de verplichtingen van [bedrijf] aan derden, zoals de verhuurder. [bedrijf] heeft niets van [appellanten] te vorderen en daarom is de verklaring juist, aldus telkens [appellanten] hebben de cashpoolovereenkomst overgelegd en afschriften van betalingen die via de cashpool zijn verricht.
6.1
De cashpoolovereenkomst is gesloten tussen ING Bank en [appellant 2] als balancerekeninghouder en (onder meer) [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en [appellant 6] (hierna tezamen: [appellant 2] c.s) en [bedrijf] . Uit de betalingsafschriften blijkt dat via de cashpool betalingen zijn gedaan voor [bedrijf] . [appellant 1] is geen partij bij de cashpoolovereenkomst.
De
understanding, althans een stuk waaruit deze volgt, is niet overgelegd. Gevraagd naar de inhoud daarvan heeft [naam 1] bij de mondelinge behandeling verklaard dat de huur vanaf het aangaan van de huurovereenkomst in 1999 door de rechtsvoorganger van [bedrijf] , bij gebrek aan omzet van deze rechtsvoorganger, feitelijk werd voldaan door andere vennootschappen van de [appellant 5] -groep, in dit geval [appellant 3] en [appellant 4] , en dat dit ook bij de verhuurder bekend was. [appellanten] hebben bovendien desgevraagd verklaard dat (de werknemers (ten behoeve) van) [appellant 3] en [appellant 4] in de periode 2020-2023 gebruik maakten van een aanzienlijk deel van het kantoorpand. Daaruit volgt dat [bedrijf] aan hen een dienst verleende, die aan hen kon doorbelasten en daar jegens hen ook aanspraak op kon maken. Het systeem hield blijkbaar in dat via de cashpool ook de verplichtingen van [bedrijf] tot betaling van haar werknemers, elektra en de kosten van afvalverwerking, van welke diensten (in ieder geval) [appellant 3] en [appellant 4] eveneens gebruik maakten, door hen werden voldaan. In dat systeem past dat ook [bedrijf] jegens (sommige van) de partijen bij de cashpool op basis van de
understandingaanspraak kon/kan maken op de betaling van deze diensten.
Daaruit volgt dat [appellant 2] c.s. erkennen dat [bedrijf] op basis van de
understandingin elk geval de huur van het kantoorpand, waarvan [appellant 2] c.s. gebruik maakten zodat [bedrijf] haar een dienst verleende, aan hen kon doorbelasten en daar jegens hen ook aanspraak op kan maken. Dat [appellant 2] c.s. aanvoeren dat via de cashpool ook de verplichtingen van [bedrijf] tot betaling van haar werknemers, het elektra en de kosten van afvalverwerking, van welke diensten [appellant 2] c.s. eveneens gebruik maakten, door hen werden voldaan, duidt erop dat [bedrijf] jegens [appellant 2] c.s. op basis van de
understandingook aanspraak kan maken op de betaling van aanspraken van andere derden op [bedrijf] .
Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat tussen alle betrokken partijen afspraken zijn gemaakt die jegens derden werken en die erop neerkomen dat [bedrijf] heeft afgezien van die aanspraken. De vaststaande betalingen (zie 6.11 slot) wijzen juist op het tegendeel.
6.11
De stelling van [appellant 2] c.s. dat zij pas gehouden zijn tot betaling als er voldoende dekking op de centrale rekening van de cashpool is en [bedrijf] om die reden niets van haar te vorderen heeft, geeft blijk van een opvatting die niet zonder meer overeenkomt met artikel 476a Rv, nu het bestaan van een vordering in de zin van die bepaling los staat van de beschikbaarheid van financiële middelen om die vordering te voldoen.
Los daarvan kan niet van de juistheid van die stelling worden uitgegaan omdat die niet (met stukken) is onderbouwd. Dat geldt ook voor zover wordt betoogd dat een betalingsverplichting ontbreekt ten aanzien van de onderhavige huurachterstand, omdat de cashpool daarvoor niet (voldoende) gevuld was. Dan zou immers vast moeten staan dat vanaf het moment dat de huur niet meer werd voldaan in 2020, er geen geld meer in de cashpool zat. Uit de overgelegde betalingsafschriften van de cashpool blijkt echter juist dat daaruit na 2020, in elk geval in april 2023 en april 2024, nog betalingen zijn gedaan ten behoeve van [bedrijf] . Kennelijk hebben [appellant 2] c.s. er toen voor gekozen om wel andere derden voor [bedrijf] te betalen maar de huurpenningen die [bedrijf] verschuldigd was aan [naam 2] onbetaald te laten.
6.12
Uit het voorgaande vloeit voort dat genoegzaam vast staat dat ten tijde van de beslagen sprake is geweest van een rechtsverhouding tussen [appellant 2] c.s. en [bedrijf] waaruit voor de beslagen relevante vorderingen voortvloeien.
6.13
Dat geldt ook voor [appellant 1] . Zoals hiervoor opgemerkt, maakt [appellant 1] geen deel uit van de cashpoolovereenkomst. Ook voor [appellant 1] geldt echter dat zij tot de [appellant 5] -groep behoort en gebruik maakte van het kantoorpand en (een deel van) de bijbehorende voorzieningen. Bovendien hebben [appellanten] ten aanzien van de
understandingook niet aangevoerd dat [appellant 1] daar niet aan zou zijn gebonden. Daarmee is aannemelijk dat ook tussen haar en [bedrijf] een rechtsverhouding bestaat en [bedrijf] op grond daarvan nog een of meer vorderingen heeft op [appellant 1] .
6.14
Het hof concludeert dat [appellanten] ook in hoger beroep niet voldoende hebben onderbouwd dat een vordering van [bedrijf] op hen ontbreekt. Dat betekent dat ook de huidige gerechtelijke verklaring onvoldoende is en terecht wordt betwist. Op basis van de feiten tot op heden kan het hof echter niet vaststellen voor welk bedrag [appellanten] aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de betalingsverplichtingen van [bedrijf] .
[appellanten] zullen daarom alsnog een gerechtelijke verklaring dienen af te leggen met inachtneming van het voorgaande en moeten toelichten welk bedrag zij elk aan [bedrijf] verschuldigd zijn op de datum van de beslagleggingen. Daarbij dienen [appellanten] deugdelijk en onderbouwd inzage in deze bedragen te verschaffen door in elk geval per vennootschap te specificeren in hoeverre gebruik is gemaakt van (de faciliteiten van) het kantoorpand, opdat per vennootschap kan worden vastgesteld voor welk bedrag deze aansprakelijk is jegens [bedrijf] . [naam 2] mag daar vervolgens bij akte op reageren. Daarna zal het hof vaststellen welk bedrag aan [naam 2] toekomt.
6.15
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

7.Beslissing

Het hof:
7.1
verwijst de zaak naar de rol van
12 mei 2026om een akte te nemen met de hiervoor in 6.14 omschreven gerechtelijke verklaring;
7.2
stelt [naam 2] in de gelegenheid op de rol van
9 juni 2026een antwoordakte te nemen;
7.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.