Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Staatsblad2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
2.De verdere beoordeling
“
Samenvatting en voorlopige conclusie:
Wat zijn de huidige klachten en afwijkingen, die u op uw vakgebied bij betrokkene kunt vaststellen en hoe luidt de diagnose?
Huidige Klachten".
De reden waarom betrokkene pas na geruime tijd betrokken klachten kreeg van de vingers is niet te achterhalen. Doorgaans is er sprake van een cumulatief trauma waarbij blijkbaar een bepaalde grens moet worden overschreden. Literatuur gegevens over dit fenomeen zijn niet voorhanden.
Ook het feit, dat rust geen verlichting van de klachten geeft (zeker niet na zo’n korte tijd) zegt niks over het al dan niet aanwezig zijn van een belastingsafhankelijke synovitis. Bij chronische klachten zal een periode van zes tot acht weken rust eigenlijk maar zelden resulteren in het volledig verdwijnen van de klachten. Over het algemeen zullen dezelfde klachten opnieuw optreden bij belasting als de immobilisatie wordt opgeheven.
De uitslag van het pathologisch anatomisch onderzoek waarbij de suggestie werd gedaan, dat er mogelijk sprake was van een angiolipoompje beschouw ik als niet relevant. De uitspraak wordt blijkbaar gedaan op basis van de aanwezige capilaire vaatspruiten, want lipoblastaire kenmerken werden niet aangetoond. Tevens zou de tumor al aanwezig moeten zijn geweest bij de operatie van [plastisch chirurg] (Echoverslag van 13.03.2000 van Van Wijngaarden, radioloog, maakt geen melding van een tumor) en de plastisch chirurg die het materiaal heeft ingestuurd heeft er geen aanleiding in gezien om een simpele reexcisie te verrichten daar er blijkbaar geen klinische verdenking voor deze tumor aanwezig was. Ook bij de later volgende operaties zijn er geen meldingen gemaakt van angiolipomen. Vaat uitgroei is een normaal verschijnsel bij de genezingsreactie van geprikkeld weefsel zoals bij tendovaginitis, dus een toename van vaatstructuren naast de geïrriteerde peeskoker mag als normaal worden beschouwd.
Naast de werkomstandigheden kon ik bij anamnese en de meegestuurde gegevens geen nadere omstandigheden vaststellen die mogelijk tot een overbelastingsfenomeen zouden kunnen leiden.
.
[deskundige] voldaan aan de hem gegeven opdracht om de reacties van partijen op zijn concept rapport te bespreken. Dat hij dat heeft gedaan in een afzonderlijke brief en niet in een paragraaf van het definitieve rapport, acht het hof van ondergeschikt belang.
“De ontbrekende medische voorgeschiedenis betreft een probleem van de elleboog, dat ik net zo min als de in de huisartsrapportage genoemde lumbago klachten kan relateren aan de peesproblemen van de hand van de heer [appellant]. Ik zie dan ook niet in waarom dit een cruciaal punt kan zijn. Wel ben ik het met de heer Blokhuis eens, dat het onder het kopje “voorgeschiedenis” volledigheidshalve had moeten staan. Hetzelfde geldt voor het trauma van de duim eind 1999. Echter ook hier gaat het om een feit, dat in geen enkele relatie staat met de peesontsteking van betrokkene. Het ontbreken van deze feiten is wel een omissie mijnerzijds en de tekst is dienovereenkomstig aangepast.”
Naar het oordeel van het hof heeft [deskundige] met deze toelichting de kritiek van [geïntimeerde] afdoende weerlegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in het concept-rapport ontbrekende voorvallen relevant zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van een verband tussen de peesschedeontsteking en het werk van [appellant] bij [geïntimeerde].
Ook in zijn brief aan de advocaat van [geïntimeerde] is [deskundige] op de diagnose ingegaan. Hij heeft het volgende geschreven:
“Voor wat betreft uw kanttekeningen bij de concept rapportage kan ik uw vragen betreffende de diagnose die door mij gesteld is, alsmede de gronden waarop die diagnose is gebaseerd, niet begrijpen. Ik wil u adviseren mijn uiteenzetting op pag en 16 van de concept rapportage zorgvuldig te lezen (“Derhalve is de diagnose tendovaginitis terecht gesteld”). Dat ik in de therapie effecten van de ingestelde behandeling geen reden zie voor twijfel aan de juistheid van de diagnose komt doordat ik als plastich chirurg niet uitga van “simpele lineaire modellen”. Er is geen therapie die een 100% genezing geeft en het is bekend (en dat niet alleen op basis van mijn eigen ervaring), dat een release van de peeskoker bij tendosynoviitis niet altijd een volledig herstel en pijnvrijheid als resultaat heeft.”
Ten aanzien van de suggestie van de medisch adviseur van [geïntimeerde] dat de klachten zijn veroorzaakt door een angiolipoom schreef [deskundige] in die brief:
“Het door [chirurg 2] verwijderde weefsel is onderzocht door de pathaloog anatoom. Deze concludeerde, dat er sprake was van weke delen met een morfologisch beeld dat zou kunnen passen bij angiolipoompjes. Dit op basis van aanwezige capillaire vaatspruiten, want lipoblastaire kenmerken werden niet aangetoond. Het is hier dus een uitspraak dat er
mogelijksprake zou kunnen zijn van een angiolipoma.
Het moge duidelijk zijn, dat een ervaren plastisch chirurg als [chirurg 2], indien hij het PA-beeld zou kunnen rijmen met de kliniek, hij daarmee een duidelijke oorzaak van de klachten heeft kunnen aantonen, en dienovereenkomstig de patiënt te behandelen. Dat betekent dus niet doorsturen naar een ander ziekenhuis, maar deze goedaardige afwijking zelf verwijderen, hetgeen een eenvoudige handeling is.”
Daarmee heeft [deskundige] naar het oordeel van het hof de suggestie dat de klachten van [appellant] (gedeeltelijk) zijn te verklaren door een angiolipoom afdoende weerlegd.
[deskundige] heeft in zijn rapport wel in aanmerking genomen dat [appellant] incidenteel bijkluste. Uit de sociale anamnese in het rapport volgt dat [deskundige] ook bekend was met het feit dat [appellant] sinds enige tijd in zijn eigen bedrijf activiteiten ontplooit. Met het feit dat [appellant] gedurende zijn actieve dienstverband meer dan incidenteel bijkluste en gemiddeld 75 dagen per jaar arbeidsongeschikt was, was hij echter niet bekend. (Dat is overigens niet te wijten aan het verrichten van onvoldoende onderzoek door [deskundige], maar aan het niet in het geding brengen van de rapporten van Cordaet door [geïntimeerde]). Het hof ziet in een en ander reden om, gebruikmakend van zijn bevoegdheid op grond van artikel 194 lid 5 Rv Pro, [deskundige] te verzoeken aanvullend te rapporteren. In het aanvullend rapport dient [deskundige] in te gaan op de vraag of en in hoeverre de informatie over het bijklussen en het aantal arbeidsongeschiktheidsdagen van [appellant] hem reden geeft om zijn rapport aan te passen of van een toelichting te voorzien.
a. In hoeverre acht u het aannemelijk dat de werkomstandigheden van betrokkene als oorzakelijke factor voor de huidige klachten (het hof leest: en) afwijkingen van betrokkene een rol hebben gespeeld. Wilt u hierbij niet alleen de uitgeoefende werkzaamheden betrekken, maar voorts alle andere reële feiten, zoals die uit het (medisch) dossier zijn gebleken (bijv. de toename van de klachten, de diverse andere traumatan aan de betreffende hand)?”
b. Indien u van mening bent dat de werkomstandigheden (mede) een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de huidige klachten en afwijkingen bij betrokkene, wilt u dan gemotiveerd aangeven waarom u van mening bent dat zulks het geval is? Kunt u voorts aangeven op welk tijdstip de relatie tussen de door betrokkene ondervonden klachten en de werkzaamheden gelegd werd c.q. duidelijk werd?
c. Indien u van mening bent dat naast de werkomstandigheden van betrokkene ook andere factoren hebben bijgedragen tot het ontstaan van de thans door u, op uw vakgebied, bij betrokkene vastgestelde huidige klachten, wilt u dan aangeven in welke mate u van mening bent dat zulks het geval is geweest?”
Het hof heeft deze vraagstelling in grote lijnen overgenomen. [geïntimeerde] betoogt nu, naar het hof begrijpt, dat aan [deskundige] ten onrechte een vraag over het causaal verband tussen de belasting op het werk en de klachten van [appellant] is voorgelegd. Nu de gewraakte vraag van [geïntimeerde] zelf afkomstig is, heeft [geïntimeerde] haar betoog dat de vraag ten onrechte is gesteld onvoldoende onderbouwd. Uit het rapport volgt dat [deskundige] zich ook in staat heeft geacht de vraag te beantwoorden. Dat volgt ook uit zijn brief aan de advocaat van [geïntimeerde]. In deze brief gaat [deskundige] uitvoerig in op het verwijt dat hij ten onrechte een verband legt tussen de klachten van [appellant] en de werkomstandigheden bij [geïntimeerde]. [deskundige] heeft in dat verband onder meer geschreven:
“Uit uw vragen maak ik op, dat het mij niet gelukt is u duidelijk te maken, dat epidemiologische studies die wel of geen verband aantonen bij grote groepen werknemers niet zinvol zijn om een uitspraak te doen over de relatie tussenbepaalde handelingen en afwijkingen bij individuen. Om klachten en verschijnselen bij patiënten te kunnen begrijpen en te behandelen gebruik ik net zoals ieder ander praktiserend arts literatuur die specifieke afwijkingen aan specifieke omstandigheden/activiteiten koppelt. Dat is een keuze die ik dus niet alleen maak. Daarbij werken wij met waarschijnlijkheden en niet zoals u wenst met zekerheden. “
Het hof begrijpt het rapport, en de brief, van [deskundige] zo dat epidemiologische studies wel relevant zijn voor het antwoord op de vraag of in een individueel geval sprake is van een verband tussen klachten en werkomstandigheden, maar dat bij het uiteindelijke oordeel over dat verband, dat altijd een waarschijnlijkheidsoordeel is, de individuele situatie van de betrokkene (diens belasting en diens klachten) de doorslag geeft. Het hof acht deze benadering van [deskundige] juist. Daarbij acht het hof van belang dat de door [deskundige] aangehaalde epidemiologische studies niet eenduidig zijn over het verband tussen tendovaginitis en belasting van de vingers. Uit de studies kan dan ook niet worden afgeleid dat dit verband in een individueel geval niet aannemelijk kan worden geacht.
Bij een uurtarief van € 150,- ex BTW en een te verwachten tijdsbesteding van 5 uren bedraagt het aanvullend voorschot € 907,50. Het hof zal het voorschot voorlopig op dat bedrag vaststellen. Indien een van partijen zich daarmee niet kan verenigen, zal het hof op de bezwaren van die partij tegen het voorschot beslissen.
5.De beslissing
bepaalt dat de deskundige zijn concept-rapport aan partijen zal doen toekomen, partijen een termijn zal stellen waarbinnen zij op het concept-rapport kunnen reageren en hij in zijn concept-rapport het commentaar van partijen zal weergeven en bespreken;
de griffieraan de deskundige het procesdossier vanaf het tussenarrest van 11 oktober 2011 ter inzage zal geven en beveelt partijen om aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken;
22 oktober 2013;
30 juli 2013, althans 14 dagen nadat het hof een ander voorschot heeft vastgesteld) moet zijn voldaan;
dinsdag 19 november 2013voor memorie na aanvullend deskundigenbericht door beide partijen;