Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
27 augustus 2013
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/[P](hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een kredietinstelling, was onder bewind gesteld vanwege onvoldoende solvabiliteit en liquiditeit. In de aangifte vennootschapsbelasting 2003 vormde zij een voorziening voor kosten bewindvoering van €264.000, waarvan €100.000 voor afwaardering dubieuze debiteuren. De Inspecteur accepteerde deze voorziening niet en legde een aanslag op basis van een belastbare winst van €281.036.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot een belastbare winst van €181.036. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep bij het Hof. Een belangrijk geschilpunt was of de voorziening voor kosten bewindvoering in 2003 mocht worden gevormd en of een afwaardering op debiteuren boven €100.000 gerechtvaardigd was.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende concreet had aangetoond dat de kosten bewindvoering in 2003 toerekenbaar waren, mede omdat de werkzaamheden van de bewindvoerder vooral gericht waren op vereffening die pas in 2005 verwacht kon worden. Ook werd geoordeeld dat de afwaardering boven €100.000 niet aannemelijk was gemaakt. Verder werd het verzoek om aanvullende stukken niet toegewezen omdat belanghebbende onvoldoende concreet had aangegeven welke stukken ontbraken.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.