Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
12 november 2013
[Z] (België)(hierna: belanghebbende)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
C] is een bespreekgeval geweest intern, één van de oorzaken van de vertraging.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, woonachtig in België, stelde in haar aangifte inkomstenbelasting 2009 een aftrekpost wegens kosten van levensonderhoud van haar meerderjarige kinderen. Deze aftrekpost werd door de inspecteur geweigerd vanwege het inkomen en vermogen van de kinderen. Belanghebbende voerde aan dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen op de acceptatie van deze aftrekpost, omdat deze in voorgaande jaren was gehonoreerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof oordeelde dat de brief van de inspecteur uit 2010, gericht aan de echtgenoot van belanghebbende, duidelijk maakte dat het voorbehoud van toepassing was op toekomstige jaren en dat het vertrouwen daarop niet gerechtvaardigd was. Tevens werd geoordeeld dat de echtgenoot als gemachtigde van belanghebbende moest worden beschouwd, zodat zijn kennis aan haar kon worden toegerekend.
Het hof concludeerde dat het vertrouwen op het voortzetten van de aftrekpost niet gerechtvaardigd was, mede gezien de wisselende bijdragen in het levensonderhoud en de inkomens- en vermogenssituatie van de kinderen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.