ECLI:NL:GHARL:2013:9176

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 december 2013
Publicatiedatum
3 december 2013
Zaaknummer
200.084.135-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding deskundigenkosten ter afwering vordering op grond van artikel 6:96 lid 2 BW

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 december 2013 een aanvulling gegeven op het arrest van 1 oktober 2013. Het verzoek betrof de vergoeding van kosten van een door appellante ingeschakelde deskundige, Euro-Rigging, ter hoogte van € 2.053,70.

Het hof overwoog dat artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder b BW weliswaar redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid vergoedt, maar niet de kosten die worden gemaakt om te bepalen of er überhaupt schade is geleden en of iemand aansprakelijk is. Het rapport van Euro-Rigging diende deels ter onderbouwing van het verweer tegen de vordering van Wagenborg en deels ter onderbouwing van een vordering tot schadevergoeding door appellante.

Het hof oordeelde dat de kosten die samenhangen met het verweer niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover het rapport diende ter onderbouwing van de schadevordering, zou vergoeding mogelijk zijn, maar deze vordering stuitte op een uitsluiting in de Algemene Voorwaarden VVT. Daarom wees het hof het verzoek tot vergoeding van deskundigenkosten af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vergoeding van deskundigenkosten af omdat deze niet op grond van artikel 6:96 lid 2 BW vergoedbaar zijn en vanwege uitsluiting in de Algemene Voorwaarden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.084.135/01
(zaaknummer rechtbank Groningen 115756/HA ZA 10-61)
beslissing van de tweede kamer van 3 december 2013 op een verzoek ex art. 32 Rv Pro
in de zaak van
[appellante],
gevestigd te [woonplaats],
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. A. Ben Daoued, kantoorhoudend te Zwolle,
tegen
Wagenborg Nedlift B.V.,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna:
Wagenborg,
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1.Het procesverloop

1.1.
Op 1 oktober 2013 heeft het hof in deze zaak arrest gewezen.
1.2.
Het hof heeft kennis genomen van het verzoek van mr. A. Ben Daoued bij (fax)brief van 2 oktober 2013 namens [appellante] om het arrest aan te vullen. Het gaat daarbij om de vordering van [appellante] om Wagenborg te veroordelen in de kosten van een door [appellante] ingeschakelde deskundige.
1.3.
Wagenborg is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Bij brief van
11 oktober 2013 heeft mr. J.V. van Ophem namens Wagenborg verklaard dat Wagenborg zich refereert aan het oordeel van het hof.

2.De beoordeling

2.1.
Het hof is van oordeel dat in het arrest van 1 oktober 2013 inderdaad is verzuimd te beslissen op de vordering om Wagenborg te veroordelen in de kosten van de door [appellante] ingeschakelde deskundige Euro-Rigging ten bedrage van € 2.053,70 (vgl. Hoge Raad, 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2465).
2.2.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder b BW komen als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Deze bepaling biedt echter zelf geen grondslag voor een verplichting tot vergoeding van kosten die worden gemaakt om vast te stellen of als gevolg van een gebeurtenis schade is geleden en, en zo ja, of daarvoor iemand aansprakelijk kan worden gehouden. De bepaling veronderstelt juist dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, in welk geval de bedoelde kosten mede, dat wil zeggen naast andere als gevolg van de gebeurtenis geleden schade, voor vergoeding in aanmerking komen (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005, 50).
2.3.
Het hof stelt vast dat [appellante] in het kader van het hoger beroep aan Euro‑Rigging opdracht heeft gegeven om het door Wagenborg opgestelde hijsplan te beoordelen en daarbij in het bijzonder antwoord te geven op de vraag of met het hijsplan een bootsectie met een gewicht van 230 ton te water kan worden gelaten en op de vraag of het mogelijk is om alleen met een 1200 tons telescoopkraan de bootsectie van 260 ton te water te laten. In het licht van het debat, zoals dat door partijen in eerste aanleg is gevoerd en in aanmerking genomen het door de rechtbank uitgesproken vonnis, diende het rapport van Euro-Rigging een tweeledig doel. Enerzijds diende het ter onderbouwing van het verweer van [appellante] tegen de door de rechtbank in conventie toegewezen vordering van Wagenborg, en anderzijds strekte het tot onderbouwing van de door de rechtbank in reconventie afgewezen vordering van [appellante] tot vergoeding van schade.
2.4.
Naar het oordeel van het hof bestaat er, gelet op artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder b BW, geen grondslag voor veroordeling van Wagenborg tot vergoeding van de kosten van het rapport van Euro-Rigging, voor zover het rapport diende als verweer tegen de vordering van Wagenborg.
Voor zover het rapport strekte tot onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van [appellante] is die grondslag er wel. Dat leidt echter niet tot toewijzing van de vordering, omdat dit onderdeel van de vordering tot schadevergoeding eveneens afstuit op paragraaf II, artikel 11.3. van de Algemene Voorwaarden VVT (zie rechtsoverweging 53 van het arrest van 23 oktober 2012)
2.5.
De conclusie moet daarom luiden dat de kosten van het rapport van Euro-Rigging niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het verzoek van [appellante] tot vergoeding van € 2.053,70 aan deskundigenkosten zal alsnog worden afgewezen.

3.De beslissing

Het gerechtshof:
wijst de vordering van [appellante] tot vergoeding van € 2.053,70 aan deskundigenkosten af;
verstaat dat deze aanvulling op de minuut van het arrest van 1 oktober 2013 wordt geplaatst.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.W. Zandbergen en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 december 2013.