Belanghebbende betwistte de door de Inspecteur aangebrachte correcties op haar aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2005 en 2006, met name de correcties met betrekking tot het levensonderhoud van haar kinderen. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof stelde vast dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag over 2005 beschikte over een nieuw feit en dat er geen sprake was van ambtelijk verzuim. Daarnaast oordeelde het hof dat de kinderen van belanghebbende voldoende vermogen en inkomen hadden om in hun levensonderhoud te voorzien, zodat de correcties met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van kosten levensonderhoud terecht waren.
Belanghebbende voerde aan dat zij schade had geleden door het handelen van de Inspecteur, maar dit werd niet onderbouwd en daarom verworpen. Ook de heffingsrente werd gehandhaafd. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, op 11 maart 2014 te Leeuwarden.