Belanghebbende had een bankrekening in Zwitserland niet opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting 2006. Na vrijwillige verbetering legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het Hof overwoog dat geen sprake was van ambtelijk verzuim omdat de Inspecteur voorafgaand aan de primitieve aanslag duidelijk had gemaakt dat de aanslag onjuist was vastgesteld. De navordering was binnen de vijfjaarstermijn opgelegd, waardoor toetsing aan voortvarendheid niet vereist was. Het Hof oordeelde dat de standstill-bepaling van het VWEU van toepassing was, zodat het vrije kapitaalverkeer niet werd geschonden.
Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere beginselen werd verworpen. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag en heffingsrente bleven in stand.