De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €923.000 voor het jaar 2012 en legde een OZB-aanslag op. Belanghebbende maakte bezwaar en ging daarna in beroep bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat zij oordeelde dat het geschil grotendeels was opgelost door een compromis over de waarde en een deel van de proceskosten.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de procedure werd duidelijk dat partijen een compromis bereikten over een lagere waarde van €830.000, maar niet over de volledige proceskostenvergoeding. Het hof oordeelde dat het beroep terecht was ingesteld omdat belanghebbende nog een belang had bij het geschil, en dat er geen sprake was van misbruik van procesrecht.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de beschikking van de heffingsambtenaar, stelde de WOZ-waarde vast op €830.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig. Tevens veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor bezwaar en beroep, vastgesteld op €1.217, maar wees een vergoeding voor de voorbereiding van de zitting af.
De uitspraak werd gedaan door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 augustus 2014 en de griffier en voorzitter ondertekenden het vonnis.