Belanghebbende werkte sinds 2006 in Nederland bij [D] BV en nam van december 2008 tot februari 2009 onbetaald verlof om als skilerares in Oostenrijk te werken. Ondanks het feit dat zij gedurende deze periode geen werkzaamheden voor haar Nederlandse werkgever verrichtte, bleef de arbeidsrelatie formeel bestaan.
De Inspecteur weigerde vrijstelling van de premieplicht voor de volksverzekeringen over deze periode, wat door belanghebbende werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof oordeelde dat de dienstbetrekking tijdens het onbetaald verlof bleef voortbestaan en dat belanghebbende in die periode in loondienst was bij de Nederlandse werkgever. Volgens het hof viel de situatie onder artikel 14, tweede lid, van Verordening EEG nr. 1408/71, omdat belanghebbende opeenvolgend werkzaamheden in Nederland en Oostenrijk verrichtte.
Daarom was belanghebbende premieplichtig in Nederland en werd de aanslag bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.