Belanghebbende kreeg voor het jaar 2011 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een boete. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in, maar het hof verklaarde dit bij uitspraak van 25 maart 2014 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende tekende verzet aan tegen deze beslissing.
Het hof onderzocht of het hogerberoepschrift tijdig ter post was bezorgd. De termijn eindigde op 28 januari 2014, het beroepschrift was gedagtekend 27 januari 2014, maar afgestempeld op 31 januari 2014 en ontvangen op 3 februari 2014. De bewijslast voor tijdige terpostbezorging lag bij belanghebbende. Hoewel belanghebbende stelde dat brieven normaal op dag van dagtekening werden verzonden en dat een fout bij het postbedrijf mogelijk was, ontbrak concrete onderbouwing.
Het hof achtte het onwaarschijnlijk dat bij vijf gelijktijdig verzonden beroepschriften allemaal een postfout was opgetreden. Daarom concludeerde het hof dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Omdat het ging om een boetebeschikking die als strafvervolging wordt aangemerkt, moet het recht op toegang tot de rechter worden gewaarborgd. Toch was hier onvoldoende bewijs voor tijdige terpostbezorging, zodat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het verzet werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.