Belanghebbende kreeg voor het jaar 2011 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een boete. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag verminderd, maar de boete gehandhaafd. Belanghebbende stelde hoger beroep in, dat door het Hof wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende tekende verzet aan tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
Het geschil betrof de vraag of het hogerberoepschrift tijdig ter post was bezorgd. Het Hof stelde vast dat het beroepschrift pas na afloop van de termijn was ontvangen, maar binnen een week na afloop. De bewijslast voor tijdige terpostbezorging lag bij belanghebbende. Hoewel belanghebbende stelde dat het beroepschrift op de dag van dagtekening was verzonden, kon dit niet worden bewezen en was het onwaarschijnlijk dat vijf beroepschriften gelijktijdig onjuist waren afgestempeld.
Het Hof oordeelde dat de regel dat een beroepschrift na afloop van de termijn niet-ontvankelijk is, buiten toepassing blijft als de belanghebbende aannemelijk maakt dat het tijdig is verzonden en de latere afstempeling niet aan hem te wijten is. In dit geval was die stelling onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep was daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.