Belanghebbende exploiteert een visverwerkend bedrijf waar krab wordt verwerkt, wat invloed heeft op de vervuilingswaarde van het afvalwater. Voor 2006 is een aanslag zuiveringsheffing opgelegd gebaseerd op waterklasse 12, vastgesteld met afvalwateronderzoeken uit 2005. Belanghebbende betwist de aanslag en stelt dat de onderzoeken niet representatief zijn en dat de aanslag in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof oordeelt dat elk jaar op zichzelf staat en dat de juistheid van het onderzoek uit 2005 ook in deze procedure aan de orde kan komen. Het hof acht de onderzoeken uit 2005 representatief, mede gelet op de vergelijkbare bedrijfsvoering in de jaren 2003-2008 en de onderbouwing van de heffingsambtenaar.
Het hof wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af omdat het onderscheid tussen krabweken en niet-krabweken pas in 2006 is gemaakt en de heffingsambtenaar dit niet bij de keuze van meetweken in 2005 kon hanteren. Ook de gewijzigde standpunten van de heffingsambtenaar leiden niet tot vermindering van de aanslag. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.