Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
2 juni 2015
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Apeldoorn(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een gemeente, vorderde een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds (BCF) voor de aanleg van op- en afritten bij de A28. De Inspecteur weigerde deze bijdrage deels toe te kennen, omdat hij meende dat het Rijk de afnemer was en compensatie uitgesloten was wegens terbeschikkingstelling aan een individuele derde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde het hof vast dat de aanleg van de op- en afritten plaatsvond in opdracht van de gemeente [H], die de kosten aan belanghebbende doorbelastte. Het Rijk was weliswaar betrokken bij het project, stelde het programma van eisen op en nam later de eigendom van de grond over, maar dit deed niet af aan het feit dat belanghebbende de afnemer van de prestatie was. De op- en afritten werden gebruikt voor de ontsluiting van de nieuwbouwwijk ten behoeve van de collectiviteit van inwoners.
Het hof verwierp het standpunt van de Inspecteur dat compensatie uitgesloten was omdat de prestatie aan een individuele derde, het Rijk, zou zijn ter beschikking gesteld. De aanleg was immers bedoeld voor de collectiviteit van inwoners. De latere overdracht van de grond aan het Rijk kon in deze procedure niet leiden tot herziening van de bijdrage. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en verhoogde de bijdrage uit het BCF met € 167.200.
Daarnaast veroordeelde het hof de Inspecteur in de proceskosten en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt dat bij gezamenlijke projecten met het Rijk de gemeente als afnemer kan worden aangemerkt voor BTW-compensatie indien de prestatie voor de collectiviteit wordt gebruikt.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de gemeente recht heeft op een verhoging van de bijdrage uit het BTW-compensatiefonds met € 167.200 voor de aanleg van de op- en afritten.