Belanghebbende bracht zijn melkveehouderij per 1 januari en 1 april 2000 ruisend in een BV in, waarbij stakingswinst werd gerealiseerd. Hij emigreerde naar Duitsland en startte daar een nieuwe onderneming. De Inspecteur corrigeerde de aanslag inkomstenbelasting, waarbij aftrek van lijfrentepremies en winstrechten werd geweigerd.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende belanghebbende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de identiteit van de onderneming niet is behouden, waardoor sprake is van staking. De stakingswinst is terecht belast en er is geen ruimte voor aftrek van lijfrentepremies of winstrechten, mede omdat vooraf al de intentie tot verkoop bestond.
Het Hof acht het verschil tussen het Nederlandse en Duitse bedrijf substantieel en wijst op jurisprudentie die aftrek van lijfrentepremies uitsluit bij vooraf vaststaande verkoop. De vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gehandhaafd op € 5.500. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.