Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het incident,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 6 oktober 2016 uitspraak gedaan over het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een alimentatiebeschikking van de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank had bepaald dat de man een bedrag van €1.698,29 per maand aan de vrouw moest betalen en een achterstallige alimentatie van €23.964,88, maar had dit niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw verzocht het hof om alsnog uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voerde verweer met het argument dat de beschikking berustte op juridische en feitelijke misslagen en dat hij in financiële nood zou komen bij toewijzing. Het hof hanteerde het beoordelingskader uit eerdere Hoge Raad uitspraken en stelde vast dat de vrouw belang had bij de uitvoerbaarverklaring, omdat het om een geldsom ging en er sprake was van een tekort in de betaalde alimentatie.
Het hof oordeelde dat er geen kennelijke juridische of feitelijke misslagen waren in de beschikking van de rechtbank en dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in een financiële noodsituatie verkeerde. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van de vrouw bij uitvoerbaarverklaring zwaarder woog dan het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand. Het verzoek van de vrouw werd daarom toegewezen en de beschikking van de rechtbank werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De beschikking tot betaling van alimentatie wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.