De zaak betreft een geschil over de ontbinding van een pachtovereenkomst en de indeplaatsstelling van de zoon van de pachter. De vader, die sinds 1983 een perceel bouwland pachtte, heeft zijn agrarische bedrijf ingebracht in een BV waarin zijn zoon mede werkzaam is. De verpachter vordert ontbinding van de pachtovereenkomst en de vader vordert indeplaatsstelling van zijn zoon als pachter.
De rechtbank oordeelde dat de vader niet meer persoonlijk gebruik maakte van het gepachte en dat er geen bewijs was van instemming met indeplaatsstelling van de zoon. Het hof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de enkele wetenschap van de verpachter over de bedrijfsvoering door de BV of zoon niet gelijkstaat aan instemming met pachtopvolging.
Het hof wijst erop dat pachtfacturen expliciet alleen aan de vader waren gericht en dat geen contractuele pachtverhouding met de BV of zoon is ontstaan. Er is geen sprake van rechtsgeldige indeplaatsstelling. Het hoger beroep wordt afgewezen en de kosten worden aan de vader opgelegd.