ECLI:NL:GHARL:2017:3710
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging zorgregeling tussen ouders
In deze zaak vordert de moeder incidenteel de schorsing van de tenuitvoerlegging van een voorlopige zorgregeling tussen haar en de vader betreffende hun twee kinderen. De moeder baseert haar vordering op nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder een lopend politieonderzoek en adviezen van jeugdartsen en de raad voor de kinderbescherming.
Het hof overweegt dat bij de belangenafweging het belang van de moeder bij schorsing moet worden afgewogen tegen het belang van de vader bij voortzetting van de tenuitvoerlegging. Het hof stelt vast dat de moeder geen kennelijke juridische of feitelijke misslag in het bestreden vonnis heeft aangetoond en dat de nieuwe feiten onvoldoende zwaarwegend zijn om van het eerdere vonnis af te wijken.
Daarnaast is niet vastgesteld dat er sprake is van seksueel misbruik en de omgang tussen vader en kinderen is beperkt en onder toezicht. Het hof concludeert dat het belang van de vader en de kinderen bij de uitvoering van de zorgregeling zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij schorsing.
Daarom wijst het hof de incidentele vordering van de moeder af en verwijst de hoofdzaak naar een latere roldatum voor verdere behandeling. De beslissing over proceskosten in het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de zorgregeling wordt afgewezen.