Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante v.o.f.],
1.CBRE Global Investors (NL) B.V.,
CBRE,
Dret,
CBRE c.s.,
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- een memorie van grieven;
- een memorie van antwoord.
2.De vaststaande feiten
[B] .
€ 42.750,- exclusief BTW en servicekosten per jaar. De huurovereenkomst loopt tot en met 31 december 2020. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte van juli 2003 van de ROZ. Voormelde huurovereenkomst is tot stand gekomen tussen [appellante v.o.f.] en A.M. B.V. Dret was sinds 19 januari 2012 eigenaresse van de winkelruimte en daarmee de rechtsopvolgster van A.M. B.V. De voornoemde winkelruimte is onderdeel van het nieuwe winkelcentrum [winkelcentrum] te [vestigingsplaats] dat door CBRE als lasthebber namens Dret werd geëxploiteerd. Het winkelcentrum is inmiddels door Dret verkocht. Met de koper is afgesproken dat Dret deze procedure op eigen naam blijft volgen.
De partijgetuige [B] , vennoot van [appellante v.o.f.] :
Voor de huurovereenkomst is beloofd dat het winkelcentrum het grootste van [vestigingsplaats] zou worden. Ook is beloofd dat er in de buurt van het winkelcentrum 18.0000 mensen zouden wonen. (…)Eigenlijk wilden wij een kleine afhaalchinees beginnen. We zijn bij meerdere voorlichtingsbijeenkomsten geweest. Daar zijn verhalen verteld over hoe mooi het allemaal zou worden in het winkelcentrum. Voor zover ik weet waren daar vooral mensen van A.M. B.V. aanwezig. Op uw vraag kan ik antwoorden dat ik mij herinner dat de heer [X] bij allegesprekken aanwezig is geweest. Er waren meerdere personen aanwezig, bijvoorbeeld ook van de projectontwikkelaar, maar voor ons was de heer [X] het aanspreekpunt. De heer [X] heeft gezegd dat de woonwijk snel zou groeien tot 18.000 mensen, dat de wijk zou worden gebouwd tot [plaats] en ons werd een gouden toekomst beloofd. Dit is niet alleen gezegd in de voorlichtingsbijeenkomsten. Ook bij de gesprekken over de huurovereenkomst heb ik meerdere keren aan de heer [X] gevraagd hoe het zat met de 18.000 inwoners, en of dat echt wel ging gebeuren, want op dat moment waren er maar10.000 inwoners in de wijk. De reactie van de heer [X] was, het was toen 2010, dat de appartementen boven de winkels op tijd afgebouwd zouden zijn en dat dan zou worden begonnen met de bouw van de buitenste ring, en dan vervolgens richting [plaats] bouwen. Er is nooit gezegd dat er zou worden gestopt met de bouw. Bij deze gesprekken waren, behalve de heer [X] uiteraard, ook aanwezig mijn man en een stagiaire van AM B.V. [Y] of [Y] . De heer [X] heeft telkens gezegd dat er 18.000 mensen zouden komen te wonen, er zouden heel veel huizen komen, tegenover het plekje dat hij ons liet zien zou een gezondheidscentrum komen en het zou allemaal heel mooi worden.(...)
"(...) Vóór de huurovereenkomst zijn ons bepaalde beloftes gedaan en nu zijn we ongeveer 2,5 jaar verder en is het niet verbeterd. Wij zijn de huurovereenkomst en deze huurprijs aangegaan op grond van het aantal inwoners en dat is niet zo uitgekomen. Er is gezegd dat er op korte termijn 18.000 inwoners zouden komen en op grond van die toezegging zijn wij de huurovereenkomst aangegaan. Deze toezegging is gedaan door de heer [X] . Dit is geweest bij hem op kantoor, en dit is meerdere keren herhaald. Met kantoor bedoel ik het kantoor van AM B.V. Er zijn, denk ik, zo'n 6 à 7 gesprekken geweest. Er is ook telefonisch contact geweest en hij is een paar keer bij ons komen eten en ook dan hadden we het over het contract. Op kantoor is ook nog een zekere [Y] of [Y] bij de gesprekken geweest, maar niet bij alle gesprekken. De verantwoordelijkheid lag bij [X] .Er is door [X] gezegd dat dit het mooiste plekje zou worden voor de horeca, er zouden op korte termijn 18.000 inwoners komen en er zouden woningen worden gebouwd. Het zou de grootste woonwijk van [vestigingsplaats] worden met inwoners met een hoog gemiddeld inkomen, gezinnen met 2 à 3 auto 's en er zou gebouwd worden tot [plaats] . Er zouden ook voorzieningen komen, zoals gezondheidsvoorzieningen. Omdat het onze tweede zaak zou worden, wilden we iets kleins beginnen, bijvoorbeeld een afhaalchinees. Maar [X] bestreed dat en zei dat in dit centrum iets mooiers moest komen, iets aparts, bijvoorbeeld een Chinees restaurant. Er zijn onderhandelingen geweest over het contract, zoals over de prijs, maar die verliepen niet zo goed. (…) Er is een klein beetje van de prijs afgegaan. Uiteindelijk heb ik ondertekend omdat werd gezegd dat het het grootste winkelcentrum van
"(...) Voor zover ik mij herinner is er één informatiebijeenkomst geweest voor alle
3.De procedure in eerste aanleg
De bespreking van de grieven
Grief II, waarmee [appellante v.o.f.] opkomt tegen het door de kantonrechter toegepaste criterium bij de weging van verklaringen van [B] en [A] , faalt dan ook.
Het hof acht ook bewezen dat in de gesprekken tussen [appellante v.o.f.] en A.M. B.V. namens A.M. B.V. is bevestigd dat de wijk [woonwijk] 18.000 inwoners zou krijgen. De getuigen [B] en [A] hebben dat verklaard en hun verklaringen vinden op dit punt steun in de verklaringen van andere getuigen. Allereerst heeft getuige [X] verklaard dat hij in gesprekken met individuele huurders heeft gezegd dat [woonwijk] door de gemeente is "uitgelegd" voor 18.000 bewoners. [X] heeft ook verklaard zich te kunnen voorstellen dat hij dat heeft gezegd in de gesprekken met [appellante v.o.f.] . Ook getuige [Y] verklaart dat aannemelijk is dat in de gesprekken met [appellante v.o.f.] door hem en [X] is gezegd dat op termijn 18.000 mensen in de wijk zouden kunnen wonen. Deze verklaringen sluiten aan bij de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 3] , inhoudende dat in de gesprekken met hen meerdere malen een inwoneraantal van 18.000 is genoemd. Het hof acht tevens bewezen dat in de gesprekken namens A.M. B.V. een verband is gelegd tussen het inwoneraantal van [woonwijk] en het winkelcentrum [winkelcentrum] . Getuige [X] heeft verklaard dat hij [winkelcentrum] heeft aangeduid als de "middenstip" van de wijk [woonwijk] en heeft gezegd dat aannemelijk is dat de inwoners van die wijk in het winkelcentrum zouden komen winkelen.
Anderzijds kwalificeert de door A.M. B.V. verstrekte informatie over het toekomstige inwoneraantal van de wijk naar het oordeel van het hof ook niet als een garantie. Daartoe is redengevend dat toen de informatie werd verstrekt de wijk 10.000 inwoners had en uit de getuigenverklaringen niet volgt dat A.M. B.V. er in de door haar verstrekte mondelinge of schriftelijke informatie of in de gesprekken ervoor heeft ingestaan dat de wijk (binnen afzienbare termijn) 18.000 inwoners zou tellen.
de grieven I, III, IV en Vkomt [appellante v.o.f.] op tegen dit oordeel. De grieven falen. Op grond van artikel 6:228 lid 2 BW Pro kan een vernietiging van een overeenkomst niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft. Daarvan is naar het oordeel van het hof sprake. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat toen de overeenkomst werd gesloten de wijk [woonwijk] 10.000 inwoners telde. Niet ter discussie staat - de kantonrechter heeft dat ook vastgesteld en [appellante v.o.f.] is daartegen niet opgekomen - dat [appellante v.o.f.] dat wist toen zij de overeenkomst aanging. De dwaling is er volgens de eigen stellingen van [appellante v.o.f.] ook niet in gelegen dat de wijk ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geen 18.000 maar 10.000 inwoners telde, maar in de omstandigheid dat er na het aangaan van de overeenkomst geen 18.000 inwoners in de wijk zijn komen wonen. De dwaling betreft dan ook de verwachting van [appellante v.o.f.] over het toekomstige inwoneraantal van de wijk. Deze dwaling over een toekomstige eigenschap vindt naar het oordeel van het hof niet haar oorsprong in een eigenschap die partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aanwezig achtten. In dit verband overweegt het hof dat de kantonrechter, onbestreden door [appellante v.o.f.] , aan het slot van r.o. 4.8 heeft overwogen dat uit de getuigenverklaringen niet blijkt dat A.M. B.V. er al in 2010, toen de overeenkomst werd gesloten, van op de hoogte was dat het aantal inwoners niet zou worden gehaald. Bij deze uitkomst kan hetgeen partijen hebben aangevoerd over de mededelings- en onderzoeksplicht en de verhouding tussen die beide verder onbesproken blijven.
grief VIkomt [appellante v.o.f.] op tegen dit oordeel. In de toelichting op deze grief verwijst zij naar de toelichting op de grieven I tot en met V. In de toelichting op die grieven wordt echter niet uitdrukkelijk gerespondeerd op het met grief VI bestreden oordeel dat geen sprake is van een garantie of harde toezegging. Weliswaar wordt in de toelichting op grief V betoogd dat in stellige bewoordingen is aangegeven dat er 18.000 inwoners in [woonwijk] zouden komen wonen, maar dat betekent niet dat een garantie is gegeven of een harde toezegging is gedaan. Het hof verwijst naar hetgeen het hiervoor in rechtsoverweging 4.5 heeft overwogen. Daarvan dient, naar in hoger beroep niet ter discussie staat, wel sprake te zijn wil het beroep op wanprestatie slagen. De grief faalt dan ook.
- hoe is de ontwikkeling van het aantal inwoners van [woonwijk] geweest vanaf 2010 tot heden
.CBRE c.s. dienen op dit punt informatie te verstrekken, bij voorkeur afkomstig van de gemeente [vestigingsplaats];
- wat is er de reden van geweest dat het inwoneraantal van [woonwijk] is achtergebleven bij de verwachtingen?
- hoe verhoudt de overeengekomen huur (uitgedrukt in een bedrag per m2) zich tot de huur van andere panden in [winkelcentrum] en tot de huur van panden in winkelcentra elders in [vestigingsplaats] ?
Het ligt voor de hand dat CBRE c.s. gemakkelijker toegang hebben tot deze informatie dan [appellante v.o.f.] , zodat het hof CBRS c.s. verzoekt deze informatie te verstrekken.- welke omzet en winst heeft [appellante v.o.f.] behaald vanaf de start van het restaurant tot ultimo 2016? Welke omzet en winst zouden volgens haar bij een inwoneraantal van 18.000 zijn behaald (waarbij voor deze berekening kan worden uitgegaan van een extrapolatie van het werkelijke inwoneraantal van de wijk [winkelcentrum] in het desbetreffende jaar naar 18.000)?
[appellante v.o.f.] dient de jaarrekeningen over de desbetreffende jaren in het geding te brengen en een berekening over deze jaren van omzet en winst op basis van het door het hofgeformuleerde uitgangspunt. Waarbij het hof zich ervan bewust is, en er in een beslissing rekening mee zal houden, dat het inwoneraantal van 18.000 ook in de hypothetische situatie niet al in 2011 zou zijn bereikt.
- wat zijn de gevolgen van een eventuele verlaging van de huurprijs voor CBRE c.s.?
Welke winst hebben CBRE c.s. bij de huidige huurprijs gemaakt op de verhuur aan [appellante v.o.f.] en vanaf welke huurprijs wordt verlies gemaakt? CBRE c.s. dienen een en ander inzichtelijk te maken in een door een accountant opgesteld rapport, waarin door de accountant uitdrukkelijk is aangegeven welke standaard van toepassing is en of en in hoeverre zekerheid wordt gegeven ten aanzien van de in het rapport gehanteerde uitgangspunten. Indien deze uitgangspunten zijn ontleend aan de jaarrekeningen van CBRE c.s., dient in het rapport te worden vermeld of ten aanzien van deze jaarrekeningen een samenstellings- of een goedkeuringsverklaring is afgegeven.
grief VIII, waarin [appellante v.o.f.] zich keert tegen de afwijzing van het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. Indien het beroep op artikel 6:258 BW Pro slaagt, faalt het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid bij gebrek aan belang. Indien het beroep faalt, is daarmee ook gegeven dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat CBRE c.s. aanspraak maken op de betaling van de volledige huur.
5.De beslissingHet hof, recht doende in hoger beroep:
roldatum 11 juli 2017, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door het hof zullen worden vastgesteld;