Belanghebbende, een weduwnaar met een kind dat in 2013 deels in een justitiële jeugdinrichting verbleef, vorderde de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting. De wet vereist dat het kind meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres in de GBA is ingeschreven, wat niet het geval was vanwege de verplichte inschrijving van het kind op het adres van de inrichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelde dat de inschrijvingseis in dit geval niet passend is en dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt door het beleid dat binnenschippers een uitzondering toestaat terwijl belanghebbende dat niet krijgt. Het hof verwees naar een besluit van de staatssecretaris waarin een hardheidsclausule wordt toegepast voor binnenschippers zonder vaste ligplaats.
Het hof stelde vast dat belanghebbende aan de materiële voorwaarden voldoet en dat het doel van de inschrijvingseis is om dubbele toekenning te voorkomen, wat hier niet aan de orde is. Daarom moet de aanslag worden verminderd met toepassing van de alleenstaande-ouderkorting en de belastingrente dienovereenkomstig worden aangepast. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toegewezen.