Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
f2.006.559,-. Dit bedrag is gestort op een geblokkeerde bankrekening van een notaris en vervolgens ondergebracht in een stamrecht B.V., [C] B.V. (verder: [C] ), waarvan de aandelen door de man worden gehouden.
In aanmerking nemende
heeft laatstbedoeld bedrag overeenkomstig de tussen de ex-werkgever en de gerechtigde(hof: de man)
gemaakte afspraken ter gelegenheid van de beëindiging van het dienstverband het bedrag terstond aangewend als koopsom voor een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964.
- de periodieke uitkeringen uiterlijk ingaan in het jaar waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt of op het eerder moment van overlijden van de gerechtigde;
- de periodieke uitkeringen een zodanige minimale looptijd hebben dat voldaan wordt aan het uit de jurisprudentie voortvloeiende vereiste dat het totale beloop van de periodieke uitkeringen, vanuit de vennootschap beoordeeld, in voldoende mate onzeker is.
aan de man dient te worden beschouwd het volgende onderscheid gemaakt kan worden:
- de aanspraken over de periode van 1 oktober 2001 (ontslag ) tot 18 mei 2015 (indiening verzoekschrift tot echtscheiding) vallen in de huwelijksgemeenschap,
- de aanspraken over de periode 18 mei 2015 tot 7 december 2019 (bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de man) zijn in beginsel aan de man verknocht en vallen om die reden buiten de huwelijksgemeenschap,
- de aanspraken die het karakter hebben van een pensioenaanspraak vallen voor 14/18e deel in de gemeenschap en voor 4/18e deel daarbuiten.
die het karakter hebben van de suppletie van loon en de uitkeringen na 7 december 2017(hof: 7 december 2019)
die dienen ter aanvulling van het pensioen. De rechtbank is niet in staat om vast te stellen welk gedeelte van de aanspraken dient ter vervanging van loon en welk gedeelte betrekking heeft op het pensioen. Dit zal door een deskundige, bijvoorbeeld een actuaris, moeten worden beoordeeld.
4.De omvang van het geschil
:
binnen één maand na de ten dezen uit te spreken veroordeling er zorg voor te dragen dat de helft van de (waarde van de) op 31 december 2013 in [C] B.V. opgebouwde stamrechtaanspraken althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie dient te bepalen, wordt afgestort onder een professionele verzekeraar als bedoeld in artikel 7 van Pro de stamrechtovereenkomst 2001, onder de voorwaarden als bedoeld in dat artikel, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
a: de helft van de aan de man met ingang van 1 januari 2014 uitgekeerde bedragen aan stamrechten aan de vrouw te voldoen zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat de man niet binnen 2 weken na betekening van de ten dezen uit te spreken veroordeling daartoe overgaat;