Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen erfgenaam en schuldeiser over het verzoek tot opheffing van de vereffening van een nalatenschap, waarin een woonschip onderdeel is. De erfgenaam had de nalatenschap beneficiair aanvaard en er waren conflicten over verwijdering van het woonschip en dwangsommen.
De kantonrechter wees het verzoek van de schuldeiser tot opheffing van de vereffening af omdat de vereffening volgens hem voltooid was. De erfgenaam betwistte deze grondslag en stelde dat de vereffening nog niet voltooid was, omdat de verwijdering van het woonschip en de daarbij behorende kosten nog niet waren afgehandeld.
Het hof oordeelde dat de vereffening inderdaad nog niet voltooid is, omdat de verwijderingsverplichting en sloopkosten schulden van de nalatenschap vormen die pas na overlijden zijn ontstaan, maar voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding. Tevens stelde het hof vast dat de schuldeiser belanghebbende is in de zin van artikel 4:209 lid 1 BW Pro, omdat hij zowel schuldeiser is van de nalatenschap als van de erfgenaam.
Het hof concludeerde dat de geringe waarde van het woonschip en de verwachte sloopkosten aanleiding geven om de vereffening op te heffen, zodat schuldeisers individueel executiemaatregelen kunnen treffen. Het hoger beroep van de erfgenaam werd echter afgewezen omdat hij geen andere beslissing wenste dan de kantonrechter gaf, enkel een andere motivering. De beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd met verbetering van de motieven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de vereffening wordt bekrachtigd met verbeterde motieven.