Uitspraak
[appellant],
hierna:
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten2.1 De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.22 van het in hoger beroep bestreden vonnis van 2 april 2014 een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen bezwaren geuit door partijen. Aangevuld met enige feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan gaat het in deze zaak om het volgende.
(€ 2.094,79) als in reconventie (€ 904,-).
4.De beoordeling in het principaal en in het incidenteel hoger beroep
grief I in het principaal hoger beroep, grief I in het incidenteel hoger beroep),
grief II in het principaal hoger beroep),
grief III in het principaal hoger beroep),
grief II in het incidenteel hoger beroep),
ongenummerde grief in het principaal hoger beroep).
a) de verkoop van het paard [C]
€ 11.000,- (zie rechtsoverweging 2.9) aan zijn verplichtingen jegens [geïntimeerde] heeft voldaan. Volgens [geïntimeerde] is dat niet het geval: zij stelt zich primair op het standpunt dat [appellant] is tekort geschoten in de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, omdat [appellant] op zich heeft genomen [C] te verkopen voor een bedrag van tenminste € 50.000,-.
Grief I in het incidenteel hoger beroepfaalt in zoverre.
€ 21.000,- gebaseerd op de overschrijving van dat bedrag op de bankrekening van [appellant] en op de omschrijving die de uiteindelijke koopster - mevrouw [G] - bij die betaling heeft vermeld (het hof verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 2.8). De verklaring van [appellant] dat er geen ruimte was voor meer tekst bij de overschrijving acht het hof, bij gebreke van aanwijzingen waaruit dat zou kunnen blijken, vooralsnog niet overtuigend.
€ 12.300,- aan [appellant] met inbegrip van een aan haarzelf en anderen toekomende commissie van € 1.300,-. Haar latere verklaringen gaan uit van betaling door mevrouw [G] en een aan [appellant] toekomende commissie. Als die verklaringen over de betaling elkaar al niet uitsluiten, dan zijn zij tenminste tegenstrijdig en om die reden als onderbouwing van het verweer van [appellant] voorshands weinig overtuigend. Het hof stelt verder vast dat van de door mevrouw [E] in haar verklaringen (zoals weergegeven in 2.21) genoemde schulden van mevrouw [G] – die [C] heeft gekocht en betaald – in het dossier geen stukken voorhanden zijn en evenmin een verklaring van mevrouw [G] daarover. Gegeven die omstandigheden en het feit dat mevrouw [G] bij haar betaling aan [appellant] geen andere omschrijving dan ‘ [C] ’ heeft vermeld, acht het hof voorshands bewezen dat [C] is verkocht voor een bedrag van € 21.000,-.
Grief I in het principaal hoger beroepfaalt in zoverre en
de grief I in het incidenteel hoger beroepslaagt in zoverre.
€ 17.000,- (op de met dat doel door [geïntimeerde] gebruikte bankrekening van [F] ) betrekking had op de pony’s [H] , [I] en [L] . Dat dit het geval was is op basis van de op dit moment voorhanden zijnde gegevens niet voldoende waarschijnlijk. De omschrijvingen bij die betalingen geven daarvoor geen uitsluitsel.
6.De beslissing
1 mei 2018in het geding dienen te brengen;