Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.1. Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 5 februari 2018 en
- een journaalbericht van mr. Den Besten van 25 april 2018 met een productie.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader van verzoekster is overleden zonder testament. Verzoekster heeft binnen de wettelijke termijn namens zichzelf en haar minderjarige zoon de nalatenschap verwerpt en verzocht om machtiging voor verwerping namens de minderjarige. De kantonrechter weigerde deze machtiging, waarna verzoekster hoger beroep instelde.
Het hof overweegt dat de wettelijke termijn van drie maanden voor verwerping door een wettelijke vertegenwoordiger geldt vanaf het moment dat de nalatenschap aan de erfgenaam toekomt. De minderjarige werd erfgenaam bij plaatsvervulling nadat verzoekster de nalatenschap zelf verwierp. Verzoekster heeft tijdig het verzoek om machtiging ingediend, ook al werd deze geweigerd en verstreek de termijn.
Het hof oordeelt dat het verzoek om machtiging tijdig is ingediend en dat de nalatenschap daarom niet als beneficiair aanvaard geldt. Tevens acht het hof het in het belang van de minderjarige om de nalatenschap te verwerpen, gelet op de negatieve waarde van de nalatenschap. Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en verleent alsnog de machtiging tot verwerping namens de minderjarige.
Uitkomst: Het hof verleent machtiging aan verzoekster om namens haar minderjarige zoon de nalatenschap te verwerpen.